Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4362 - Rechtbank Amsterdam - 9 april 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4362•9 april 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/268
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, het college
( [gemachtigde verweerder] ).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om bijstand.
[1]
- Eiseres heeft op 13 maart 2024 om bijstand gevraagd. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij een kamer in haar woning onderverhuurt aan de heer [naam] .
- Vervolgens heeft het college onderzoek gedaan. Op 21 mei 2024 is er met eiseres gesproken. Aansluitend heeft er een huisbezoek plaatsgevonden.
- Op basis van dit onderzoek heeft het college geconcludeerd dat eiseres en de heer [naam] een gezamenlijk huishouden voeren. Om die reden heeft het college de aanvraag van eiseres met een besluit van 5 juni 2024 afgewezen.
- Eiseres heeft bezwaar gemaakt, maar het college heeft het bezwaar met het bestreden besluit van 5 december 2024 ongegrond verklaard.
- Vervolgens heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een bijstandsuitkering. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Gezamenlijke huishouding
- Artikel 3, derde lid, van de Participatiewet (Pw) bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is als aan twee voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De tweede voorwaarde is dat deze twee personen blijken geven voor elkaar te zorgen door een bijdrage te leveren in de kosten van het huishouden of op een andere manier.
- De vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.
[2]
- Partijen zijn het eens dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Eiseres en de heer [naam] hebben hun hoofdverblijf in dezelfde woning. Partijen zijn het echter niet eens dat aan de tweede voorwaarde, de voorwaarde van wederzijdse zorg, is voldaan.
- Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van de lasten die samenhangen met wonen. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen voor elkaar zorgen. Daarbij moeten alle gebleken objectieve feiten en omstandigheden worden betrokken.
[3]
Het standpunt van eiseres
- Eiseres stelt dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding omdat niet aan de voorwaarde van wederzijdse zorg is voldaan. Eiseres verhuurt een kamer aan de heer [naam] zodat hij haar mantelzorg kan verlenen. Er is sprake van eenzijdige zorg. Eiseres en de heer [naam] hebben een huurovereenkomst opgesteld. Er is dus sprake van een commerciële relatie tussen beide. Eiseres stelt dat het onderzoek van het college onzorgvuldig is geweest. Het college heeft ten onrechte niet doorgevraagd naar de zorg.
Het oordeel van de rechtbank
- De te beoordelen periode loopt van 13 maart 2024 (de datum van de aanvraag) tot en met 5 juni 2024 (de datum van het eerste afwijzingsbesluit). Uit het onderzoek van het college volgt dat eiseres een kamer in haar woning onderverhuurt aan de heer [naam] . De kamer van de heer [naam] heeft geen deur. Weliswaar is er een huurovereenkomst waaruit volgt dat de heer [naam] eiseres € 300, - per maand moet betalen, maar uit de overeenkomst blijkt niet hoe en wanneer [naam] dat moet betalen. Ook heeft eiseres verklaard dat de heer [naam] soms tijdelijk het gehele huurbedrag betaalt. Uit de stukken blijkt inderdaad dat de heer [naam] het gehele huurbedrag (€ 601,45) direct van zijn bankrekening overmaakt naar Stichting Eigen Haard en dat hij dit vaker heeft gedaan. Daarbij heeft eiseres verklaard dat de heer [naam] haar administratie en financiën regelt. Hij heeft toegang tot haar e-mail en rekening. Op zitting heeft eiseres toegelicht dat dit enkel haar zakelijke e-mail en rekening betreft. Uit het onderzoek volgt verder dat eiseres en de heer [naam] samen het huishouden doen; ze doen samen de boodschappen, eiseres kookt meestal en leert de heer [naam] koken, ze doen samen de was. Ook laten ze samen de hond uit. Dit was de hond van eiseres, maar deze heeft zij aan de heer [naam] gegeven.
- Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat er sprake is van wederzijdse zorg. De zorg gaat aanzienlijk verder dan enkel mantelzorg voor eiseres door de heer [naam] en is wederkerig. Daarbij merkt de rechtbank op dat het enkele feit dat er een huurovereenkomst is, niet automatisch betekent dat er sprake is van een commerciële relatie. Ook het feit dat geen sprake is van een affectieve relatie tussen eiseres en de heer [naam] betekent niet dat er geen wederzijdse zorg is. Het standpunt van eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig is en dat er gevraagd had moeten worden naar de nuances volgt de rechtbank ook niet. De rechtbank vindt dat wat door eiseres tijdens het gesprek op 21 mei 2024 is gezegd duidelijk was en geen aanleiding gaf voor het college om door te vragen. Eiseres heeft het gespreksverslag gelezen en ondertekend. De rechtbank is daarmee van oordeel dat het onderzoek van het college zorgvuldig is geweest. De rechtbank overweegt daarnaast dat ook al zouden eiseres en de heer [naam] niet altijd alles samen doen en zouden keukenspullen gescheiden zijn dit niet betekent dat niet gesproken kan worden van wederzijdse zorg. Ook ter zitting heeft eiseres juist verklaard dat eiseres en de heer [naam] samen het hoofd boven water proberen te houden door dingen samen te doen en te delen. Dit is volgens de rechtbank kenmerkend voor wederzijdse zorg en daarmee is sprake van het voeren van een gezamenlijke huishouding.
- De rechtbank twijfelt er verder niet aan dat eiseres de juiste bedoelingen had en dat zij in een in moeilijke situatie op de juiste manier financiële steun heeft proberen te krijgen. In de situatie van eiseres bestaat echter geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft haar aanvraag dan ook terecht afgewezen. Dit neemt niet weg dat eiseres mogelijk wel voor bijstand naar de norm voor samenwonenden in aanmerking kan komen. Hiervoor zal zij samen met de heer [naam] een aanvraag kunnen doen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is dus ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025.
De griffier is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:708, r.o. 4.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:208, r.o. 4.4. - - - ## Voetnoten