Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4359 - Rechtbank Amsterdam - 4 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4359•4 juni 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/4682
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] ., uit [woonplaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,
(gemachtigde: mr. S.O. Vos).
Inleiding
- Met het besluit van 9 maart 2023 is een tijdelijke verkeersmaatregel genomen inhoudende dat 77 parkeervakken op de locatie [adres 1] , ter hoogte van de [adres 2] in Amsterdam, worden afgezet.
- Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
- Met het besluit van 15 juni 2023 heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
- Eisers zijn hiertegen in beroep gegaan. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen.
- De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] namens eisers en de gemachtigde van verweerder. Het beroep is geclusterd met 11 andere zaken van eisers behandeld.
- Op zitting is de mogelijkheid van mediation besproken. Gebleken is dat er vanuit beide partijen geen ruimte is verder naar elkaar toe te bewegen. Mediation lijkt daardoor geen geschikte optie. Daarom zal de rechtbank uitspraak doen.
Beoordeling door de rechtbank
- Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke behandeling van een zaak, toetst zij ambtshalve of het beroep voldoet aan een aantal formele eisen. Eén van die eisen is dat het beroep moet zijn ingesteld door iemand die daartoe bevoegd is.
[1] In dit geval heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het beroepschrift door een daartoe bevoegde persoon is ingesteld. Om die reden wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. In dit geval leidt het geconstateerde gebrek bovendien tot het oordeel dat met de instelling van het beroep misbruik van recht is gemaakt. Ook om die reden is het beroep niet-ontvankelijk. Hieronder licht de rechtbank haar oordeel verder toe.
Vaststelling door wie het beroep is ingesteld
- De bewijslast dat het beroep door een daartoe bevoegd persoon is ingesteld ligt bij de eisende partij. De onderhavige zaak is bij de rechtbank aangevangen met een beroepschrift, waarin in de eerste alinea staat dat het is ingesteld door "dhr. [naam 2] van [organisatie] , gemachtigde te Amsterdam". Het beroepschrift wordt afgesloten met "Hoogachtend, [organisatie] / Dhr. [naam 2] (gemachtigde)". [naam 2] wordt verder in deze uitspraak [naam 2] genoemd.
- Op 31 januari 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een arrest over een hoger beroepszaak van [naam 1]
[2] het volgende overwogen (cursivering door de rechtbank):
"Op grond van de onder 5.9 vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd en afgewogen tegen hetgeen belanghebbende hiertegen in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat [naam 2] in de onderhavige zaak rechtsbijstand aan belanghebbende heeft verleend en dat het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende de op naam van [naam 2] ingediende stukken zelf heeft opgesteld, teneinde op die manier een proceskostenvergoeding voor beroepsmatige rechtsbijstand te kunnen claimen in een zaak waarin hij zelf de belanghebbende is en zelf de processtukken heeft opgesteld. Reeds op deze grond (geen door een derde verleende rechtsbijstand) dient het verzoek van belanghebbende tot toekenning van een kostenvergoeding wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand te worden afgewezen."
- Ook in een eerdere uitspraak in een zaak van eisers
[3] heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat het beroep rechtsgeldig door [naam 2] is ingesteld. De rechtbank heeft ook in deze zaak misbruik van recht aangenomen. Om die redenen heeft zij het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] . niet-ontvankelijk verklaard.
- Gelet op het bovenstaande is ook in de onderhavige zaak bij de rechtbank twijfel gerezen over de vraag of [naam 2] feitelijk wel rechtsbijstand heeft verleend en of het beroep dus wel door hem is ingesteld.
- De rechtbank heeft eisers daarom in de gelegenheid gesteld om aannemelijk te maken dat [naam 2] het beroep heeft ingediend. Daartoe heeft zij partijen uitgenodigd om op de zitting van 19 maart 2025 te verschijnen.
- [naam 2] is op 19 maart 2025 niet op de zitting verschenen. De vragen aan [naam 2] die de rechtbank voor die zitting had voorbereid, zijn niet beantwoord. Dit betekent dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat het beroep daadwerkelijk door [naam 2] is ingesteld. Omdat het beroep volgens [naam 1] ook niet door hem is ingesteld, blijft onduidelijk door wie het beroep dan wel is ingesteld en of die persoon daartoe bevoegd was. Het beroep bevat daarmee een gebrek dat – ondanks de daartoe geboden mogelijkheid – niet is hersteld. Daarom is het beroep niet-ontvankelijk.
- [naam 1] heeft op de zitting van 19 maart 2025 verklaard dat de machtiging van [naam 2] vóór de zitting is ingetrokken en dat [naam 2] daarom niet op de zitting van 19 maart 2025 is verschenen. Wat daar van zij, dat brengt geen verandering in het oordeel van de rechtbank. Het gaat hier om de vraag wie eerder het beroep heeft ingesteld. Dat was vóór de zitting van 19 maart 2025 onduidelijk en dat is onduidelijk gebleven. Eisers hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om dit gebrek te herstellen en dat komt voor hun risico.
- [naam 1] heeft op de zitting van 19 maart 2025 verder naar voren gebracht dat hij niet begrijpt dat eisers misbruik van recht wordt verweten, terwijl – zo stelt hij – de gemeente het proces bewust vertraagt om te voorkomen dat eisers hun rechten kunnen uitoefenen. Deze stelling gaat over het procesgedrag van verweerder en kan daarom pas aan de orde komen nadat is beslist over de ontvankelijkheid van het beroep. Nu het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke reactie op de stelling.
- Voor zover [naam 1] betoogt dat het beroep rechtsgeldig is ingediend door het bedrijf [organisatie] , volgt de rechtbank dat niet. In het beroepschrift staat in de eerste alinea dat het door A. [naam 2] is ingediend. Bovendien kan het bedrijf [organisatie] feitelijk alleen beroep instellen door middel van een persoon die [organisatie] rechtsgeldig vertegenwoordigt. Daarvan is niet gebleken.
Misbruik van recht
- De rechtbank overweegt dat eisers bevoegd zijn zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Dit volgt uit artikel 8:24, eerste lid, van de Awb. Maar zij mogen die bevoegdheid niet misbruiken.
[4] De vraag door wie het beroep is ingesteld leent zich bij uitstek voor beantwoording door eisers. Het is voor hen eenvoudig aannemelijk te maken dat dat door [naam 2] is gedaan, als die dat daadwerkelijk heeft gedaan. Nu het antwoord desondanks onduidelijk is gelaten, zonder dat daarvoor een goede verklaring is, houdt de rechtbank het ervoor dat eisers bewust informatie achterhouden en dat de naam [naam 2] in het beroepschrift is vermeld met een ander doel dan de rechtsgeldige vertegenwoordiging door een derde waarvoor artikel 8:24 van de Awb is bedoeld. Dat het doel van artikel 8:24 van de Awb niet wordt nagestreefd wordt verder bevestigd door de omstandigheid dat [naam 2] wel in vele zaken van eisers wordt opgevoerd als gemachtigde, maar dat op de vele zittingen in bezwaar en beroep nooit van zijn diensten gebruik wordt gemaakt.
- De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande dus vanuit dat eisers de bepaling van artikel 8:24 van de Awb gebruiken voor een ander doel dan waarvoor het dient. De rechtbank overweegt daarbij dat het enige andere doel dat zich redelijkerwijs laat bedenken – en in lijn met het hierboven al aangehaalde oordeel van het gerechtshof – is dat het eisers erom gaat dat zij proceskostenvergoeding voor professioneel verleende rechtsbijstand kunnen claimen. Daarmee maken eisers misbruik van recht. Het beroep is (ook) daarom niet-ontvankelijk.
Verzoek om immateriële schadevergoeding
- Eisers hebben om immateriële schadevergoeding verzocht indien de rechtbank het beroep in behandeling neemt. Omdat de rechtbank het beroep van eisers niet-ontvankelijk verklaart, hetgeen betekent dat zij het beroep niet in behandeling neemt, komt de rechtbank niet aan dit verzoek van eisers toe.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Er is bij deze uitkomst geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig-Rocour, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.A. Olsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage wettelijk kader
Artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht:
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht:
- Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
- De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
- Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van advocaten.
Artikel 13 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek:
- Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt
- Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
(…)
Dit volgt uit 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:24 van de Awb.
Vindbaar onder nummer ECLI:NL:GHAMS:2023:408.
Vindbaar onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2024:5352.
Artikel 13, eerste en tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. - - - ## Voetnoten