Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4355 - Rechtbank Amsterdam - 13 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:435513 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5580
(gemachtigde: mr. P.K. de Blieck-Willemsen),
en
(gemachtigde: mr. M. van Breenen).
  1. Deze uitspraak gaat over het onthouden van toestemming aan eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Eiser heeft aangevoerd dat dit in strijd is met zijn recht op privéleven.

Procesverloop

  1. Met het besluit van 1 mei 2024 heeft de korpschef een aanvraag van [bedrijf] . om eiser beveiligingswerkzaamheden te mogen laten verrichten[1] voor dat bedrijf afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij dat besluit gebleven. Volgens de korpschef beschikt eiser niet over de benodigde betrouwbaarheid om de beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Daartoe heeft hij gewezen op de volgende overtredingen van eiser: rijden zonder rijbewijs, het voorhanden hebben van verboden middelen, het niet dragen van een autogordel, het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden, het niet (correct) dragen van een helm op een bromfiets en het rijden door rood licht. Daarnaast is eiser als verdachte aangemerkt voor het verlaten van een plaats ongeval en is hij op [datum] 2024 veroordeeld tot het betalen van een geldboete van € 750 wegens handel in - dan wel het voorhanden hebben van lachgas, een overtreding van artikel 11, tweede lid, van de Opiumwet.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser voert aan dat het onthouden van toestemming een inmenging is in zijn recht op arbeid en daarmee het privéleven van eiser. Daarom had de korpschef bij zijn oordeel moeten betrekken of de onthouding proportioneel en subsidiair is.
  1. In artikel 8 van het EVRM[2] staat dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie - en gezinsleven, zijn woning en correspondentie. Hierin is geen inmenging toegestaan, tenzij dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
  1. Het betoog van eiser slaagt niet. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verboden beperking van het recht op privéleven – en, zoals eiser stelt, daarmee het recht op vrije arbeidskeuze. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat het vereiste van toestemming door de korpschef is opgenomen in de Wpbr en de beperking dus bij wet is voorzien. Het vereiste van toestemming en daarmee het oordeel van de korpschef over de betrouwbaarheid van eiser is verder noodzakelijk om de openbare veiligheid te beschermen. Eiser heeft tot slot niet concreet onderbouwd en ook is niet gebleken dat sprake is van strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.
  1. Eiser heeft op de zitting nog aangevoerd dat de beoordeling van de korpschef niet zorgvuldig was en dat wat de korpschef hem tegenwerpt als kwajongensstreken moet worden aangemerkt aangezien eiser nog jong was. Door dit pas op de zitting aan te voeren, is dit in strijd met de goede procesorde. Het argument dat dit ook al in de bezwaarfase naar voren is gebracht en daarom niet nieuw is, kan eiser niet baten. In het bestreden besluit is hierop al ingegaan. Het had daarom op eisers weg gelegen om in zijn beroepschrift redenen te noemen waarom de weerlegging van zijn bezwaargronden onjuist is. Gelet hierop kan de enkele verwijzing naar wat hij in bezwaar heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.[3]

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de RvS van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2424. - - - ## Voetnoten
Als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de RvS van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2424.