Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4323 - Rechtbank Amsterdam - 24 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4323•24 juni 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2962
(gemachtigde: mr. A. Bouteibi),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Het college heeft met het besluit van 17 maart 2025 (het primaire besluit) de bijstandsuitkering, die verzoeker op grond van de Participatiewet (Pw) ontving, ingetrokken met ingang van 26 februari 2025.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Hangende de procedure bij de voorzieningenrechter heeft het college een beslissing op het bezwaar van verzoeker genomen. Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van verzoeker is het college bij het primaire besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Verzoeker was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kortsluiten
- Uit artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat als het verzoek
is gedaan als beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
- De voorzieningenrechter ziet in dit geval af van de haar in hiervoor vermelde bepaling gegeven mogelijkheid om ook uitspraak te doen op het beroep van verzoeker. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de gronden van beroep nog niet zijn ingediend. Met partijen is ter zitting afgesproken enkel uitspraak te doen op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
- De voorzieningenrechter doet hierna dan ook alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.
De beoordeling van de voorlopige voorziening
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Verzoeker ontving sinds 1 april 2022 een bijstandsuitkering. Op 21 oktober 2024 is er een signaal binnengekomen bij het college vanuit de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) waaruit bleek dat verzoeker sinds 13 juni 2022 meerdere voertuigen op zijn naam heeft of heeft gehad. Naar aanleiding van dit signaal is er een rechtmatigheidsonderzoek naar de uitkering van verzoeker gestart.
5.1. Verzoeker is naar aanleiding hiervan bij brief van 19 februari 2025, die door de afdeling Handhaving Werk en Inkomen (afdeling Handhaving) van de gemeente persoonlijk bij verzoeker is bezorgd, uitgenodigd voor een gesprek op 26 februari 2025. Verzoeker is op 26 februari 2025, zonder bericht van verhindering, niet verschenen op de afspraak. Het college heeft toen met het besluit van 26 februari 2025 de bijstandsuitkering opgeschort tot het moment dat verzoeker op een nieuwe afspraak zou verschijnen. Met dit besluit heeft het college verzoeker uitgenodigd voor een tweede gesprek op 4 maart 2025. Het college heeft hierbij vermeld dat indien verzoeker geen gehoor geeft aan de oproep en wederom niet verschijnt, zijn bijstandsuitkering zal worden ingetrokken. Ook deze brief is door de afdeling Handhaving persoonlijk bij verzoeker bezorgd. Op 4 maart 2025 is verzoeker, zonder bericht van verhindering, niet verschenen op de afspraak.
5.2. De bevindingen en conclusies van het onderzoek van de afdeling Handhaving zijn neergelegd in een rapport van 5 maart 2025.
5.3. Met het primaire besluit is de bijstandsuitkering van verzoeker per 26 februari 2025 ingetrokken, omdat verzoeker door niet te verschijnen op het gesprek zijn verzuim niet heeft hersteld waardoor hij de inlichtingenplicht alsmede de medewerkingsplicht heeft geschonden. Hierdoor kon het college verzoekers recht op bijstand niet vaststellen.
5.4. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij de brieven, met daarin de oproep voor een gesprek bij de afdeling Handhaving en het opschortingsbesluit, niet heeft ontvangen. Verzoeker stelt dat de brieven zijn afgeleverd in een defecte, onveilige en externe brievenbus die niet bij de woning van verzoeker hoort. Verzoeker was dus feitelijk onbekend met de oproep om te verschijnen bij de afdeling Handhaving.
Spoedeisend belang
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
6.1. Verzoeker voert aan dat hij door beëindiging van de uitkering meerdere weken zijn vaste lasten niet kon betalen en ook te maken kreeg met een huurachterstand. Hierdoor werd zijn woonsituatie erg onzeker.
6.2. Gelet op het gegeven dat een bijstandsuitkering een sociaal vangnet is, neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan en zal zij het verzoek inhoudelijk behandelen.
Wettelijk kader
- Uit artikel 17, tweede lid, van de Pw volgt dat de betrokkene verplicht is gevolg te geven aan een verzoek tot medewerking aan het bestuursorgaan, tenzij deze medewerking redelijkerwijs niet nodig is voor de vaststelling van het recht op bijstand of niet redelijkerwijs gevergd kan worden van de betrokkene.
- Op grond van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend en hem dit te verwijten valt, het recht op bijstand opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft. Op grond van artikel 54, tweede lid, van de Pw doet het college mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen de door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de Pw bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
- Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) staat bij de beantwoording van de vraag of het college – na opschorting – op grond van artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd was tot intrekking van de aan betrokkene verleende bijstand, ter beoordeling of betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde informatie te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.
[1]
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
- De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
10.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is. Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering van het college en dat betekent dat hij een aantal uit de Pw voortvloeiende verplichtingen heeft, waaronder de medewerkingsplicht. Verzoeker moet hier het nodige voor doen, maar verzoeker krijgt daar ook veel voor terug: namelijk een bijstandsuitkering.
-
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het college voldoende reden om verzoeker uit te nodigen voor een gesprek, gelet op de melding van het RDW. Het is niet in geschil dat verzoeker niet is verschenen op het gesprek van 26 februari 2025. Het college heeft verzoeker vervolgens bij zijn besluit van 26 februari 2025 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door te verschijnen op kantoor voor een gesprek op 4 maart 2025. Het is niet in geschil dat verzoeker ook op deze afspraak niet is verschenen. Dat de uitnodigingen voor deze gesprekken zijn afgeleverd op het juiste adres heeft het college onderbouwd met de op ambtseed opgestelde verklaringen en foto's die zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 5 maart 2025. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker verzuimd heeft binnen de termijn medewerking te verlenen.
11.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van verzoeker lag om adequate maatregelen te treffen om het door hem gestelde probleem met het ontvangen van de post te voorkomen dan wel op te lossen, nu hij stelt dat zijn brievenbus gebreken vertoonde. Uit de gedingstukken is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker aan het college heeft doorgegeven dat hij problemen ondervindt bij het ontvangen van zijn post. Evenmin is gebleken, gezien het rapport van bevindingen en de foto's daarin, dat sprake is van evidente gebreken. Op de foto's is een brievenbus zichtbaar met het adres van verzoeker daarop, die op het oog geen afwijkingen vertoont. Anders dan verzoeker meent, was het college daarom niet gehouden om te constateren dat er een gebrek aan zijn brievenbus kleeft. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoeker gestelde omstandigheid dat hij de oproepbrief en het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen voor zijn rekening en risico komt en dat hem dus een verwijt kan worden gemaakt dat hij niet op de afspraken aanwezig was.
11.2. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college zich op het standpunt stellen dat verzoeker de medewerkingsplicht had geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college heeft op goede gronden verzoekers uitkering met ingang van 26 februari 2025 ingetrokken.
Belangenafweging
- De voorzieningenrechter weegt ten slotte de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt af.
- Verondersteld wordt dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening aanzienlijk is, alleen al vanwege het feit dat verzoeker in de bijstand zit. Toch is een financieel belang normaal gesproken geen doorslaggevend belang. Daar staat tegenover het belang van het college om de verstrekking van een bijstandsuitkering op juistheid en volledigheid te controleren aangezien het gaat om de uitgave van publiek geld. Dit is een abstract belang, maar het weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval zwaarder dan het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
-
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 26 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:809. - - - ## Voetnoten