Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4228 - Rechtbank Amsterdam - 12 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:422812 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/4002
(gemachtigde: mr. E.W. van Bavel),
en
**De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,**verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.
Bij besluit van 8 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2023. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn moeder en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op 17 maart 2023 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat een onafhankelijke deskundige, te weten een psychiater, wordt benoemd.
Op 30 september 2023 heeft [naam 1] , psychiater, in opdracht van de rechtbank een expertiserapport uitgebracht. Eiser heeft bij brief van 1 november 2023 gereageerd op het rapport van de deskundige. Verweerder heeft bij brief van 7 november 2023 gereageerd en een rapport van 1 november 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.
Op 3 april 2024 heeft de rechtbank bepaald dat nog een onafhankelijke deskundige, te weten een verzekeringsarts, wordt benoemd.
Op 29 mei 2024 heeft [verzekeringsarts] , verzekeringsarts, in opdracht van de rechtbank een expertiserapport uitgebracht. Verweerder heeft bij brief van 4 juli 2024 gereageerd en een rapport van 3 juli 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd. Eiser heeft bij brief van 12 augustus 2024 gereageerd op het rapport van de deskundige.
De rechtbank heeft partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Partijen hebben niet aangegeven nogmaals te willen worden gehoord. De rechtbank heeft vervolgens op 14 mei 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging
1.1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1997, komt in 2010 voor het eerst in aanraking met hulpverleningsorganisaties voor emotionele stoornissen. In 2012 wordt bij eiser een gegeneraliseerde angststoornis vastgesteld. Eiser valt wegens sociale angsten uit op de middelbare school en rond uiteindelijk in 2018 via thuisonderwijs de VMBO-t opleiding af. Eiser start vervolgens in december 2020 op een beschutte werkervaringsplaats met begeleiding, waar hij na tweeënhalve maand uitvalt. Naast de gegeneraliseerde angststoornis wordt in april 2021 een depressie vastgesteld. Op 3 mei 2021 meldt eiser zich ziek voor de Ziektewet. Op 2 september 2021 vraagt eiser een Wajong-uitkering aan, waarin de gegeneraliseerde angststoornis en de depressieve episode als diagnose worden vermeld.
1.2. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft aan dit besluit het rapport van de verzekeringsarts van 1 februari 2022 ten grondslag gelegd. Volgens de primaire verzekeringsarts heeft eiser op zijn 18de verjaardag beperkingen in het functioneren, maar heeft eiser op dat moment nog niet volledig en duurzaam zijn arbeidsvermogen verloren. Op 3 mei 2021 is eiser alsnog zijn arbeidsvermogen verloren als gevolg van de gegeneraliseerde angststoornis in combinatie met een depressieve episode, dit is echter niet binnen vijf jaar na zijn 18de verjaardag (voor
[geboortedatum] 2020).
1.3. Verweerder is in bezwaar bij zijn besluit gebleven en heeft daarom in het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juni 2022 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep volgt het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat eiser pas sinds april 2021 zijn arbeidsvermogen heeft verloren. Daarnaast is de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening dat de situatie ook nog niet duurzaam is, omdat de toename in de beperkingen hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de depressie en daarvoor is eiser in behandeling. Deze behandeling is gericht op het verbeteren van het functioneren, waardoor de beperkingen voor eiser mogelijk worden verminderd.
Standpunt van eiser
  1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag heeft afgewezen, omdat hij op 18-jarige leeftijd en in de vijf jaar daarna volledig en duurzaam zijn arbeidsvermogen had verloren ten gevolge van de gegeneraliseerde angststoornis. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij vanwege zijn angststoornis niet over basale werknemersvaardigheden beschikt en niet in staat is om ten minste vier uur per dag te werken, waardoor geen sprake is van arbeidsvermogen. Eiser wijst daarbij op de poging die hij heeft ondernomen om onder strikte begeleiding op een beschutte werkplek werk bij [naam werkplek 1] te verrichten. Volgens eiser is het hem vanwege zijn beperkingen voortkomend uit de gegeneraliseerde angststoornis niet gelukt om dit werk te behouden, met als gevolg een depressieve episode. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat het arbeidsvermogen duurzaam is verloren. Volgens eiser is er sinds 2010 al sprake van intensieve behandeling met betrekking tot de gegeneraliseerde angststoornis zonder ontwikkeling van enige reële inzetmogelijkheid. Eiser wijst daarbij op de brieven van de behandelend psychiater [naam 2] waarin wordt medegedeeld dat het behandeldoel niet meer is gericht op het volledig herstel van de klachten.
Juridisch kader
  1. Recht op een Wajong-uitkering ontstaat pas indien de betrokkene duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft.
  1. Verweerder moet daarom eerst beoordelen of eiser voldoet aan tenminste een van de volgende voorwaarden: - eiser kan geen taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie - eiser beschikt niet over basale werknemersvaardigheden - eiser kan niet een uur aangesloten werken - eiser is niet tenminste vier uur per dag belastbaar (dan wel twee uur per dag belastbaar en in staat het minimumloon te verdienen).
  1. Wordt aan tenminste een van de hiervoor genoemde voorwaarden voldaan, dan ontbreekt arbeidsvermogen. Vervolgens moet verweerder beoordelen of deze situatie duurzaam is. Conform vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad)[1] betreft de beoordeling van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen een inschatting van de kansen op verbetering van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Duurzaamheid op grond van de Wajong wordt aangenomen in een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet meer kunnen ontwikkelen. Gelet op de wetsgeschiedenis is hiervan sprake als een betrokkene geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en herstel is uitgesloten. Als het UWV stelt dat duurzaamheid ontbreekt, hoeft het UWV niet te onderbouwen dat een betrokkene in de toekomst zal beschikken over arbeidsvermogen. Het UWV moet in zo'n geval wel aannemelijk maken dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich in de toekomst op een dusdanige wijze kunnen ontwikkelen dat niet uitgesloten is dat op termijn arbeidsvermogen zal kunnen ontstaan. Daarbij zijn van belang de bij betrokkene bestaande mogelijkheden tot verbetering van belastbaarheid, verdere ontwikkeling en toename van bekwaamheden. Anders dan bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kan in een situatie waarbij op lange termijn slechts een geringe kans op herstel bestaat, voor de toepassing van de Wajong (vooralsnog) geen duurzaamheid worden aangenomen.
  1. Betrokkene kan alsnog binnen vijf jaar én door dezelfde ziekteoorzaak als jonggehandicapte worden aangemerkt.
Het oordeel van de rechtbank
  1. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen recht heeft op een Wajong-uitkering en neemt daarbij het hierboven weergegeven juridische kader als uitgangspunt.
  1. Volgens vaste rechtspraak[2] van de Raad volgt de bestuursrechter in beginsel het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige, als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Het is immers bij uitstek de taak van de deskundige om bij verschil van inzicht tussen partijen over de medische beperkingen een beslissend advies te geven.
Arbeidsvermogen
  1. Psychiater [naam 1] merkt op dat eiser op de eerste peildatum ( [geboortedatum] 2015) door zijn angststoornis alle middelbare opleidingen had afgebroken en ten tijde van de tweede peildatum ( [geboortedatum] 2020) weliswaar zijn VMBO-t diploma had gehaald dankzij individuele thuiswerkbegeleiding, maar dat vervolgopleidingen of leer/werkplekken niet haalbaar waren gebleken. Kort daarna in december 2020 is eiser bij [naam werkplek 1] begonnen waar hij al snel uitviel ondanks de eenvoudige werkzaamheden en intensieve begeleiding. Ten aanzien van het arbeidsvermogen van eiser merkt psychiater [naam 1] op dat eiser taken kon uitvoeren ter voorbereiding van VMBO-T examen en tot op zekere hoogte bij [naam werkplek 1] . Eiser kon zich concentreren, maar werd gehinderd door zijn hoge spanningsniveau. Dat eiser tenminste vier uur per dag belastbaar is, is niet gebleken in de perioden bij [naam werkplek 2] en bij [naam werkplek 1] . Met betrekking tot basale werknemersvaardigheden kan eiser instructies van de werkgever begrijpen, onthouden en – in principe – uitvoeren. Echter het nakomen van afspraken is niet gelukt bij [naam werkplek 1] , ook niet met intensieve begeleiding. Verzekeringsarts [verzekeringsarts] stelt dat het twijfelachtig is of eiser beschikte over basale werknemersvaardigheden, bijvoorbeeld het nakomen van afspraken, gezien de ervaring bij [naam werkplek 1] (kort) na de 23ste verjaardag van eiser. Het aanwezig zijn van arbeidsvermogen op beide data in geding is daarmee twijfelachtig.
  1. Naar aanleiding van de rapporten van de deskundigen oordeelt de rechtbank dat het niet aannemelijk is geworden dat eiser beschikte over arbeidsvermogen op beide data in geding.
Duurzaamheid
  1. Psychiater [naam 1] stelt ten aanzien van beide data in geding als diagnoses sociale angststoornis en gegeneraliseerde angststoornis. Hij stelt dat angststoornissen onbehandeld vaak een chronisch verloop hebben. Er zijn bewezen werkzame behandelingen, maar het effect ervan is gemiddeld genomen beperkt en een aanzienlijke minderheid van de patiënten verbetert niet na behandeling. Er zijn (in de wetenschap) factoren beschreven die een chronisch verloop kunnen voorspellen, sommige daarvan zijn bij eiser aanwezig, zoals ernst en duur van de klachten en familiaire aanleg. Anderzijds zijn er geen aanwijzingen dat vroeg jeugdtrauma, de sterkste voorspeller van een chronisch verloop, bij eiser aanwezig is. Daarnaast stelt psychiater [naam 1] dat eiser mogelijk onderbehandeld is voor wat betreft evidence-based psychotherapie. Zo is een bewezen effectieve behandeling van angststoornis cognitieve gedragstherapie (CGT). De individuele dagbehandeling van eiser kende ook CGT elementen, maar die behandeling is vroegtijdig afgebroken. Psychiater [naam 1] noemt ook farmacotherapie als mogelijke behandeling en noemt een aantal middelen dat wel eens wordt voorgeschreven bij sociale angststoornis, die eiser nog niet heeft gebruikt. Vier andere antidepressiva hebben niet het gewenste effect gehad. Psychiater [naam 1] concludeert dat hij de kans op substantiële verbetering bij eiser klein acht, maar op termijn niet helemaal uitgesloten. Ook volgens zijn behandelend psychiater [naam 2] (brief van 5 september 2022) is er sprake is van zeer ernstige psychiatrische problematiek met daarmee samenhangende ernstige beperkingen in het functioneren en is de verwachting dat het een zeer langdurig traject zal worden met kleine stappen vooruit.
  1. Verzekeringsarts [verzekeringsarts] verklaart dat zij naar aanleiding van het psychiatrische deskundigenrapport contact heeft opgenomen met psychiater [naam 1] . In de mailwisseling schrijft psychiater [naam 1][3] dat een kleine meerderheid van de patiënten met een angststoornis substantieel verbetert en dat voor de angststoornis cognitieve gedragstherapie en farmacotherapie evindence-based behandelingen zijn. De zogenaamde response rate voor beide therapieën is ongeveer 55%, waarbij de response rate meestal gedefinieerd wordt als duidelijke tot heel duidelijke verbetering. Bij 45% - een aanzienlijke minderheid - is er dus geen of althans geen duidelijke verbetering. Psychiater [naam 1] meldt verder dat de angststoornis onderbehandeld is, omdat eiser relatief weinig individuele cognitieve gedragstherapie gericht op de angststoornis heeft gehad. Verzekeringsarts [verzekeringsarts] vraagt daarop naar het mogelijke resultaat van adequate behandeling. Psychiater [naam 1] geeft aan dat dat speculatief is, maar dat een goed resultaat zou kunnen zijn dat de angsten van eiser hanteerbaar worden en hij in sociaal opzicht beter zou kunnen functioneren, in plaats van de huidige situatie met inadequate coping door vermijdingsgedrag en cannabisgebruik, waarbij het angstniveau desondanks hoog blijft. Verzekeringsarts [verzekeringsarts] concludeert dat als er wordt uitgegaan van het feit dat er geen arbeidsvermogen was, dat dit niet duurzaam is omdat met een adequate behandeling verbetering in ieder geval niet uitgesloten kan worden. Nader onderzoek op dit punt door een arbeidsdeskundige acht verzekeringsarts [verzekeringsarts] niet nodig.
  1. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding om het oordeel van de deskundigen te volgen. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat met een adequate behandeling verbetering op (langere) termijn niet is uitgesloten. Daarmee is geen sprake van duurzaamheid in de zin van de Wet Wajong en wordt niet voldaan aan de vereisten voor toekenning van een Wajong-uitkering. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het dossier naar voren komt dat eiser veel last heeft van zijn klachten en dat deze hem ernstig belemmeren. Ook is duidelijk dat een het gaat om een langer behandeltraject met kleine stappen vooruit. De Wet Wajong kent echter een zeer strenge toets bij de beoordeling van duurzaamheid, zoals ook is weergegeven onder 5. Deze strenge toets wordt in dit geval niet gehaald. Dit betekent dat verweerder de Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen.
  1. Voor zover eiser aanvoert dat aangenomen moet worden dat sprake is van duurzaamheid omdat hij ondertussen per 1 mei 2023 een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)-uitkering heeft toegekend gekregen, waarmee verweerder feitelijk heeft aangenomen dat wel sprake is van duurzaamheid, volgt de rechtbank eiser niet. De Wet WIA kent namelijk een ander beoordelingskader met betrekking tot de duurzaamheid[4]. Bovendien ziet de duurzaamheidsbeoordeling in het kader van de Wet WIA op een andere datum in geding.
Motiveringsgebrek
  1. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, omdat de beoordeling van de duurzaamheid door de verzekeringsarts bezwaar en beroep met name was gericht op de depressieve episode en niet op de angststoornis van eiser, terwijl de depressieve stoornis is ontwikkeld na de 23e verjaardag van eiser. De rechtbank ziet hiervoor ook een bevestiging in het rapport van [verzekeringsarts] . Zij meent dat de overweging van de verzekeringsarts over de duurzaamheid ziet op de depressieve stoornis van na het 23e levensjaar, terwijl ter beoordeling voorligt of een eventueel ontbreken van arbeidsvermogen (op 18e of 23e levensjaar) als gevolg van de angststoornis als duurzaam beschouwd kan worden. Het is echter niet aannemelijk dat eiser hierdoor is benadeeld, nu de rechtbank twee deskundigen heeft ingeschakeld en dit voor eiser niet tot een andere uitkomst heeft geleid. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. De rechtbank ziet daarom aanleiding het gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Conclusie
  1. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd een Wajong-uitkering toe te kennen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
  1. Gelet op wat onder 18 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 50, - vergoedt. Om dezelfde reden veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na het deskundigenrapport, met een waarde per punt van
€ 907, - en wegingsfactor 1). Verder wordt verweerder veroordeeld tot een forfaitaire vergoeding van de kosten met betrekking tot het medisch advies van 18 november 2022 van de door eiser ingeschakelde verzekeringsarts [naam 3] en arbeidsdeskundige [naam 4] . Uitgaande van 15,50 uur (conform de urenspecificatie) tegen het (forfaitaire) uurtarief van € 142,75 exclusief omzetbelasting bedragen de te vergoeden kosten € 2.212,63. Op grond van artikel 15 van het Besluit tarieven in strafzaken wordt dit bedrag verhoogd met de omzetbelasting van 21% die daarover is verschuldigd zodat de vergoeding in totaal
€ 2.677,28 inclusief omzetbelasting bedraagt. Het totale bedrag aan voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bedraagt dan € 4.944,78.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1946).
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2471 en van 13 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:255.
Een correcte samenvatting van de mailwisseling is weergegeven op pagina 8 van het rapport.
Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2471. - - - ## Voetnoten
Bijvoorbeeld de uitspraak van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1946).
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2471 en van 13 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:255.
Een correcte samenvatting van de mailwisseling is weergegeven op pagina 8 van het rapport.
Zie de uitspraak van de Raad van 23 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2471.