Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4196 - Rechtbank Amsterdam - 18 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4196•18 juni 2025
Uitspraak inhoud
proces-verbaal
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/770376 / KG ZA 25-423 VVV/MAH
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 18 juni 2025
in de zaak van
[de vader],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie bij dagvaarding van 10 juni 2025,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. M. Erkens te Den Haag,
tegen
[de moeder],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. B.E.C. de Jong te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de vader en de moeder worden genoemd.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank ter behandeling van een vordering in kort geding.
Tegenwoordig zijn mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, en mr. M.A.H. Verburgh, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen partijen met hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) was [naam] aanwezig.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 juni 2025 heeft de vader de dagvaarding toegelicht en de moeder haar tegenvordering (eis in reconventie). Partijen hebben over en weer verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. De Raad heeft advies gegeven. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 19 juni 2025 aan partijen wordt afgegeven.
2 2. De mondelinge uitspraak
2.1. Het gaat hier om een geschil omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag over een minderjarige. Op grond van artikel 1:253a Burgerlijk Wetboek neemt de rechter in dergelijke gevallen een beslissing die in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Dat is het kader.
2.2. Partijen zijn de ouders van de 8-jarige [minderjarige] . Zij hebben gezamenlijk gezag op grond van een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2020, waarin ook een zorgregeling is vastgesteld. De moeder heeft de omgang in mei 2025 gestopt. Aanleiding was dat [minderjarige] een wondje aan zijn vinger had toen hij na vakantie met de vader terugkwam bij de moeder. Dat wondje kwam doordat [minderjarige] zich had gesneden aan een mes dat lag onder de mat achterin de auto van vader. De moeder is naar de huisarts geweest, die 5 juni 2025 een melding bij Veilig Thuis heeft gedaan, waarbij de huisarts heeft vermeld dat "De situatie escaleert doordat moeder de omgangsregeling heeft stopgezet en vader zoon wel van school probeert op te halen volgens schema en wat ook zo hoort." Inmiddels heeft de moeder ook aangifte gedaan bij de politie. De vader heeft erkend dat het een stommiteit van hem was om het mes in de auto te hebben liggen.
2.3. De vader vordert (na verbetering ter zitting van kleine redactionele punten):
a. te bepalen dat hij en [minderjarige] , op grond van de zorgregeling, vakantie met elkaar hebben vanaf vrijdag 11 juli 2025 uit school tot en met vrijdag 1 augustus 2025 15:00 uur,
b. hem vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te reizen naar [bestemming] en terug naar Nederland en in [bestemming] te verblijven voor een buitenlandse vakantie in de periode van 11 juli 2025 tot en met 1 augustus 2025,
c. de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling uit de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2020, alsmede tot nakoming van de
verdeling van de zomervakantie 2025 in die beschikking, op straffe van dwangsommen,
d. de moeder te veroordelen tot afgifte van het reisdocument /paspoort van [minderjarige] , uiterlijk drie dagen voor vertrek, op straffe van een dwangsom.
2.4. De moeder vordert in reconventie:
de vader tijdelijk het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, in afwachting van instructies vanuit Veilig Thuis en/of vanuit een Raadsonderzoek.
2.5. De Raad heeft ter zitting aangegeven, kort gezegd, geen onveilige situatie te zien die opschorting van de omgang nodig maakt of een belemmering voor de vakantie zou vormen. Daarnaast heeft de Raad benadrukt dat voor [minderjarige] continuïteit en voorspelbaarheid belangrijk zijn. Hij moet weten waar hij aan toe is. Het probleem lijkt te liggen in een langdurig visieverschil tussen de ouders op de opvoeding.
2.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit het dossier en de verklaringen op de zitting blijkt dat de ouders verschil van inzicht hebben over de opvoeding, waarbij de moeder zeer bezorgd is en vaak aangeeft geen vertrouwen te hebben in de opvoeding door de vader. Voor die zorg en dat wantrouwen is geen steun te vinden in de onderzoeken die hebben plaatsgevonden. Ook het incident met het mes is niet van zodanige ernst, mede gezien de uitleg en de erkenning van vader, dat gesproken kan worden van onveiligheid voor [minderjarige] . Het lijkt meer een storm in een glas water. Voor [minderjarige] is het van belang dat hij regelmatig contact heeft met beide ouders en dat de omgang met zijn ouders niet belast wordt door het wantrouwen van de ene ouder jegens de andere. Duidelijk is dat het wantrouwen van moeder over de opvoedingscapaciteiten van de vader de goede communicatie tussen de ouders belemmert. [minderjarige] moet niet betrokken worden in een strijd tussen de ouders. Het is natuurlijk dat ouders ieder een enigszins andere invulling geven aan de opvoeding. Het zou helpen als de moeder dat leert te accepteren en vertrouwen te hebben in de vader van het kind. De vader heeft verklaard dat de regelmatige gesprekken bij het OKT indertijd hielpen de communicatie beter te laten verlopen. De voorzieningenrechter geeft partijen mee dat het, als zij er niet zelf uitkomen, met name in het belang van [minderjarige] nuttig kan zijn indien de ouders samen proberen hun communicatie te verbeteren met ondersteuning van bijvoorbeeld het OKT.
2.7. Het is dus in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk wordt hervat. De eis in reconventie is dan ook niet toewijsbaar en de desbetreffende eisen in conventie wel.
2.8. Tegen de vakantie in [bestemming] is door de moeder geen ander bezwaar ingebracht dan haar vrees dat [minderjarige] bij vader onveilig zou zijn. Omdat voor die vrees geen grond bestaat, zal de vervangende toestemming worden verleend zoals gevorderd. Daarbij zal de vader ook het paspoort van [minderjarige] nodig hebben, dus ook de vordering tot afgifte daarvan wordt toegewezen.
2.9. De moeder heeft ter zitting uitdrukkelijk toegezegd dat ze de zorgregeling en eventuele overige veroordelingen zal naleven indien dat de uitspraak is. Ervan uitgaande dat zij die toezegging zal nakomen, zal de voorzieningenrechter de relatie tussen partijen niet extra belasten door dwangsommen op te leggen.
2.10. Dat betekent dat de vorderingen in conventie zullen worden toegewezen (uitvoerbaar bij voorraad) met uitzondering van de dwangsommen, en dat de vordering in reconventie wordt afgewezen. Zowel in conventie als reconventie zullen de proceskosten worden gecompenseerd.
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
3.1. bepaalt dat de vader en [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , op grond van de zorgregeling, vakantie met elkaar hebben vanaf vrijdag 11 juli 2025 uit school tot en met vrijdag 1 augustus 2025 15:00 uur,
3.2. verleent de vader vervangende toestemming (in de plaats komend van de toestemming van de moeder) om met hun kind [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] , te reizen naar [bestemming] en terug naar Nederland en in [bestemming] te verblijven voor een vakantie in de periode van 11 juli 2025 tot en met 1 augustus 2025,
3.3. veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorgregeling die is vastgesteld bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2020, met inbegrip van de daarin bepaalde verdeling van de zomervakantie 2025,
3.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
3.5. weigert de gevraagde voorziening,
3.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
Type: MAH
Coll: