Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4194 - Rechtbank Amsterdam - 20 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:419420 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1892
(gemachtigde: mr. G.W. Mettendaf),
en
( [gemachtigde verweerder] ).
  1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

  1. Het college heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 15 november 2023 afgewezen omdat het college ervan uitgaat dat eiser een gezamenlijke huishouding voert. Eiser en mevrouw [naam] hebben dezelfde woning als hoofdverblijf en hebben samen twee kinderen. Met het bestreden besluit van 14 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht het college de aanvraag van eiser afwijzen?
  1. Eiser voert aan dat hij een bijstandsuitkering heeft aangevraagd als familie en niet als alleenstaande. Het inkomen van Mevrouw [naam] is onvoldoende om als gezin van rond te kunnen komen, waardoor zij samen recht hebben op bijstand. Als het college zorgvuldiger onderzoek had gedaan dan zou dit duidelijk geworden zijn, volgens eiser. Het besluit is dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en niet deugdelijk gemotiveerd.
3.1. De rechtbank overweegt als volgt. Er is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden als betrokkenen het feitelijk hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zich een van de situaties genoemd in artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet voordoet.
3.2. Eiser heeft bij zijn aanvraag om een bijstandsuitkering verklaard dat hij samenwoont met 1 of meer medebewoners, maar dat deze medebewoners niet zijn partner en kinderen zijn. Uit onderzoek van het college is echter gebleken dat de medebewoner van eiser, mevrouw [naam] , de partner van eiser is en de moeder is van zijn twee kinderen. Eiser en mevrouw [naam] hebben samen hun hoofdverblijf met hun twee kinderen op het adres [adres] in Amsterdam. Het college heeft naar aanleiding van eisers aanvraag telefonisch contact met hem opgenomen. Eiser verklaarde aan de telefoon dat hij als alleenstaande een bijstandsuitkering aanvraagt. Eiser verklaarde geen relatie te hebben met mevrouw [naam] , maar dat zij wel woont op hetzelfde adres. Hieruit heeft het college opgemaakt dat eiser de intentie had om voor hem alleen een bijstandsuitkering aan te vragen en niet voor een gezin, terwijl eiser feitelijk in gezinsverband samenleeft. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen zelfstandig rechtssubject van bijstand is en geen recht heeft op een bijstandsuitkering als alleenstaande. Er is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding en het college mocht de aanvraag van eiser voor een bijstandsuitkering als alleenstaande afwijzen.
Is het genomen besluit evenredig?
  1. Verder voert eiser aan dat hij bijzonder zwaar is getroffen door het bestreden besluit. Eiser kon hierdoor niet meer volledig in zijn primaire levensbehoeften voorzien en de huur en zorgverzekering betalen. Het belang van eiser en zijn kinderen weegt in dit geval zwaarder dan het belang van het college bij de afwijzing van de aanvraag.
4.1. De rechtbank stelt vast dat alhoewel er geen recht was op een bijstandsuitkering als alleenstaande, het college eiser in het besluit van 15 november 2023 en in het bestreden besluit erop heeft gewezen dat hij een gezinsuitkering kan aanvragen. Eiser heeft op 21 december 2023 samen met mevrouw [naam] een gezinsuitkering aangevraagd en met opgave van mevrouw [naam] haar inkomsten. Met het besluit van 16 januari 2023 is aan eiser vanaf 21 december 2023 een gezinsuitkering toegekend. De rechtbank is van oordeel dat het college niet onevenredig heeft gehandeld door eisers aanvraag af te wijzen.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025.
de rechter is buiten staat
    *om te tekenen*
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.