Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4186 - Rechtbank Amsterdam - 22 mei 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:418622 mei 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 24/2410, 24/2411, 24/2412 en 24/2414

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaken tussen

**1. [eiseres] .,**uit [woonplaats 1] (Luxemburg), eiseres, (zaaknummer AMS 24/2410), en
**2. [eiser 1] ,**uit [woonplaats 2] , (zaaknummer AMS 24/2411),
**3. [eiser 2] ,**uit [woonplaats 2] , (zaaknummer AMS 24/2412),
**4. [eiser 3] ,**uit [woonplaats 3] , (zaaknummer AMS 24/2414),
Eisers worden hierna afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , en gezamenlijk eisers genoemd. [eiseres] . wordt hierna [eiseres] of eiseres genoemd.
(gemachtigde in alle zaken: mr. N. Rensen)
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigden: mrs. A. Marijnissen en [gemachtigde]).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers en eiseres tegen de besluiten van verweerder waarbij A1-verklaringen aan eisers zijn afgegeven.
Met de primaire besluiten van 13 en 14 december 2022 heeft verweerder A1-verklaringen afgegeven waarbij is verklaard dat op eisers in de periode van 18 april 2017 tot en met 4 november 2018 (de periode in geschil) de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Met de bestreden besluiten van 18 maart 2024 heeft verweerder de bezwaren van eisers en eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Aanwezig waren: [eiser 1] , [naam 1] (bestuurder van [eiseres] ), beiden bijgestaan door mr. N. Rensen en mr. M. de Decker. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De totstandkoming van de besluiten

1.1. [eiseres] is een Luxemburgse binnenvaartonderneming die toegelaten is tot het vervoer van goederen over de binnenwateren. In de periode in geschil exploiteerde [eiseres] onder meer het motortankschip [naam boot] (hierna: de [naam boot] ). De [naam boot] vervoert minerale oliën die bij raffinaderijen of onafhankelijke opslagbedrijven voor derden worden geladen en deze ladingen worden eveneens overgeslagen op zeeschepen. Het schip is veelal actief in het zogeheten ARA-gebied (Antwerpen-Rotterdam-Amsterdam), met daarbij bestemmingen zoals Gent, Terneuzen, Vlissingen en Zeebrugge. De [naam boot] heeft sinds 2014 een geldige Rijnvaartverklaring om over de Rijn te mogen varen. Eisers zijn vanaf 2016 werkzaam geweest op de [naam boot] . [eiser 3] heeft op de [naam boot] gewerkt tot en met 2018. [eiser 1] en [eiser 2] hebben tot en met 2019 gewerkt op de [naam boot] . Op de [naam boot] waren in die periode ook mensen werkzaam met andere nationaliteiten waaronder de Belgische en Roemeense nationaliteit.
1.2. Eisers hebben in eerste instantie voor de gehele periode dat zij op de [naam boot] hebben gewerkt een A1-verklaring verkregen vanuit Luxemburg. Naar aanleiding van een verzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uit België is verweerder begin 2021 een onderzoek gestart naar de feitelijke werksituatie van eisers. Dit onderzoek was uitsluitend gericht op de periode van 18 april 2017 tot en met 4 november 2018, omdat alleen over deze periode informatie beschikbaar is uit vaartijdenboeken van de [naam boot] .
1.3. Met de primaire besluiten heeft verweerder A1-verklaringen afgegeven waarbij is verklaard dat op eisers in de periode van 18 april 2017 tot en met 4 november 2018 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Daartoe is overwogen dat verweerder op 7 november 2022 van het Centre de Commun de la Sécurité Sociale in Luxemburg heeft vernomen dat de Luxemburgse wetgeving niet langer van toepassing is in deze periode. Verweerder heeft besloten dat eisers in de periode in geschil wel verzekerd zijn geweest in Nederland. In de periode daarvoor en daarna is op eisers nog altijd de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing. De andere bemanningsleden die niet de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn nog steeds onveranderd voor de periode in geding in Luxemburg verzekerd.
1.4. Met de bestreden besluiten van 18 maart 2024 heeft verweerder de bezwaren van eisers en eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Volgens verweerder vallen eisers niet onder de personele werkingssfeer van de Rijnvarendenovereenkomst[1]. Eisers zijn niet aan te merken als Rijnvarende, omdat de [naam boot] in de periode in geschil niet op de conventionele Rijn heeft gevaren. Verder verrichtten eisers in die periode voor het overgrote gedeelte werkzaamheden in de haven van Antwerpen, de North Sea Port (Vlissingen, Terneuzen en Gent) en de haven van Zeebrugge. Omdat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is, moet de toepasselijke wetgeving worden vastgesteld aan de hand van de aanwijsregels uit de Verordening (EG) nr. 883/2004 (de Basisverordening). Nu eisers in de periode in geschil in Nederland woonden en voor een substantieel gedeelte in Nederland werkten, is volgens verweerder in die periode de Nederlandse wetgeving op hen van toepassing.

Beoordeling door de rechtbank

2.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht aan eisers A1-verklaringen heeft afgegeven. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers en eiseres.
2.2. Voor de beoordeling van deze beroepen is allereerst van belang dat op grond van artikel 16 van de Basisverordening een aantal EU-lidstaten de Rijnvarendenovereenkomst heeft gesloten. De Rijnvarendenovereenkomst voorziet in een specifieke aanwijsregel als uitzondering op de Basisverordening. Zo wordt op grond van artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst de toepasselijke wetgeving bepaald door de vestigingsplaats van de exploitant van het schip. De ondertekenende landen hebben hiervoor gekozen omdat zij van mening zijn dat dit het best aansluit bij varend personeel. Het waarborgt dat alle bemanningsleden aan boord van een schip worden aangesloten bij hetzelfde nationale socialezekerheidsstelsel met hetzelfde premieregime. Daarnaast zorgt deze aanwijsregel voor minder onzekerheid ten aanzien van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving en draagt hij ertoe bij dat de toepasselijke socialezekerheidswetgeving niet meermaals per jaar wijzigt. Verder hoeft de ondernemer maar in één land premies af te dragen.
2.3. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening of de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is op eisers. Daarbij vinden eisers en eiseres ook dat verweerder geen onderzoek heeft mogen doen naar de situatie van eisers. Partijen zijn wel met elkaar eens dat als de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is, de wetgeving van Luxemburg op eisers van toepassing is. Daarnaast verschillen partijen van mening of eisers op grond van de Basisverordening onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving vallen.
Mocht verweerder onderzoek doen naar de toepasselijke wetgeving?
3.1. Eisers en eiseres stellen zich op het standpunt dat ondubbelzinnig blijkt dat in dit geval alleen Luxemburg mocht onderzoeken welke sociaalzekerheidswetgeving op eisers van toepassing is. Aangezien de [naam boot] beschikt over een geldige Rijnvaartverklaring bestaat namelijk het vermoeden dat eisers Rijnvarenden zijn. Uit de Rijnvarendenovereenkomst volgt dat de toepasselijke wetgeving wordt bepaald door de vestigingsplaats van de exploitant van het schip. Dat is in dit geval Luxemburg. Volgens eisers en eiseres had verweerder hiervan uit moeten gaan en mocht verweerder niet onderzoeken of dit vermoeden (on)juist is.
3.2. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad dat Nederland niet gebonden is aan een door de Luxemburgse autoriteiten gegeven Rijnvaartverklaring.[2] Verweerder stelt dat hij in beginsel wel ervan uitgaat dat een schip in de Rijnvaart wordt gebruikt als voor dat schip een Rijnvaartverklaring is afgegeven, maar dat in specifieke situaties onderzoek kan worden gedaan of een schip daadwerkelijk mede wordt gebruikt in de Rijnvaart. In dit geval heeft verweerder een verzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uit België gekregen om nader onderzoek te doen naar de wetgeving die van toepassing is op de Nederlandse bemanningsleden op de [naam boot] in de periode 18 april 2017 tot en met 4 november 2018. Er staat voor verweerder geen rechtsregel aan in de weg om in deze specifieke situatie onderzoek te doen. Verweerder mocht dan ook toetsen of het Nederlandse socialezekerheidsrecht op eisers van toepassing is. Daarbij is ook de vraag relevant of eisers kunnen worden aangemerkt als Rijnvarenden.
Vallen eisers onder de personele werkingssfeer van de Rijnvarendenovereenkomst?
4.1. De rechtbank stelt onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) vast dat op grond van artikel 1, onder a van de Rijnvarendenovereenkomst doorslaggevend is of een schip – mede – in de Rijnvaart wordt gebruikt en niet of de werknemer zijn beroepsarbeid aan boord van een schip in de beoordeelde periode ook (deels) verricht op de Rijn of een daarmee gelijkgestelde waterweg.[3]
4.2. Eisers en eiseres voeren aan dat verweerder een te enge interpretatie heeft gegeven aan het begrip 'mede in de Rijnvaart gebruikt'. Verweerder stelt namelijk dat alleen sprake is van Rijnvaart wanneer een boot op de conventionele Rijn heeft gevaren. De conventionele Rijn bestaat uitsluitend uit de Rijn, de Waal tot Gorinchem en de Lek tot Krimpen aan de Lek. Volgens eisers en eiseres moet voor de definitie van Rijnvaart aangesloten worden bij de Herziene Rijnvaartakte. Volgens eisers en eiseres moet het begrip Rijnvaart ruim worden uitgelegd en vallen de vaart op de Rijn en ook zijn uitmondingen van Bazel tot in de open zee hieronder.
4.3. De rechtbank stelt vast dat de Rijnvaartovereenkomst zelf geen definitie geeft van het begrip Rijnvaart. Anders dan verweerder heeft betoogd, heeft naar het oordeel van de rechtbank de Raad zich ook niet uitdrukkelijk uitgesproken over wat onder het begrip Rijnvaart valt. Uit de door verweerder genoemde uitspraak[4] volgt alleen dat een schip dat op de Rijn, Waal of Lek heeft gevaren in ieder geval mede in de Rijnvaart wordt gebruikt. De Raad heeft zich niet uitgesproken of ook andere wateren en/of uitmondingen onder het begrip 'mede in gebruik in de Rijnvaart' vallen. Op de zitting heeft verweerder ook niet concreet gemaakt dat de Raad of een andere rechterlijke instantie zich hierover uitdrukkelijk heeft uitgesproken. Dat bijvoorbeeld ook de uitmondingen van de Rijn onder de Rijnvaart vallen, zoals eisers aanvoeren, is dus in de rechtspraak niet uitgesloten.
4.4. De rechtbank overweegt dat, hoewel de Rijnvarendenovereenkomst en de Herziene Rijnvaartakte twee afzonderlijke verdragen zijn, een verband tussen beide verdragen wordt gelegd in artikel 1, onder a, van de Rijnvarendenovereenkomst. Daarin staat de eis dat het schip moet zijn voorzien van het certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Door dat verband kunnen naar het oordeel van de rechtbank voor de duiding van het begrip Rijnvaart in artikel 1, onder a, van de Rijnvarendenovereenkomst argumenten aan de Herziene Rijnvaartakte worden ontleend.[5] Uit de tekst van de artikelen 1, 2 en 3 van de Herziene Rijnvaartakte kan worden afgeleid dat het begrip Rijnvaart ruim moet worden opgevat. Artikel 1, eerste lid, van de Herziene Rijnvaartakte schrijft over de Rijn en 'zijn uitmondingen'. Onder 'uitmondingen' worden naar maatschappelijke opvattingen verstaan alle waterwegen die het water van de hoofdrivier naar de open zee afvoeren, zoals de Nieuwe Maas en de Gelderse IJssel. De rechtbank ziet steun voor deze uitleg in artikel 2, tweede lid, onder b van de Rijnvarendenovereenkomst. Daarin staat dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is op personen die hun beroepsarbeid aan boord van een schip uitoefenen dat uitsluitend of hoofdzakelijk in een binnen - of zeehaven wordt gebruikt. Aangezien de Rijnvarendenovereenkomst een bijzondere uitzonderingsgrond kent voor het gebruik van een schip in een zeehaven, acht de rechtbank het aannemelijk dat daarmee ook is bedoeld dat de uitmondingen van de Rijn en de daaraan gelegen Rotterdamse zeehaven onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen. Als de enge uitleg van verweerder zou worden gevolgd, is niet duidelijk op welke zeehaven artikel 2, tweede lid, onder b van de Rijnvarendenovereenkomst zou kunnen doelen en is deze bepaling zinledig. Anders dan het standpunt van verweerder, betreft Rijnvaart in de zin van de Rijnvarendenovereenkomst dus niet alleen de vaart op de Rijn in conventionele zin. De beroepsgrond slaagt.
4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat dat de [naam boot] blijkens de vaartijdenboeken in de periode in geschil in (de haven van) Rotterdam heeft gevaren. Ook is niet in geschil dat (de haven van) Rotterdam valt onder de Rijn en zijn uitmondingen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de [naam boot] in de periode in geschil mede in de Rijnvaart is gebruikt en dat eisers daardoor vallen onder de personele werkingssfeer van de Rijnvarendenovereenkomst.
Is de uitsluitingsgrond van artikel 2, tweede lid onder b, van de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing?
5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Rijnvarendenovereenkomst niet van toepassing is, omdat de [naam boot] een schip is dat hoofdzakelijk in (zee)havens wordt gebruikt. De [naam boot] wordt ingezet voor het vervoer van producten (brandstof of mineraalolie) tussen verschillende havens. Het vaargebied van de [naam boot] is voor het overgrote gedeelte beperkt tot de haven van Antwerpen, de North Sea Port (Vlissingen, Terneuzen en Gent) en de haven van Zeebrugge. Gezien het ruime geografische gebied dat deze havens bestrijken en de beperkte afstand tussen deze havens, stelt verweerder zich op het standpunt dat er in deze situatie sprake is van hoofdzakelijk gebruik in (zee)havens. Daarbij weegt ook mee dat de [naam boot] in deze havens wordt ingezet om aldaar zeeschepen te bunkeren. Het bunkeren van de zeeschepen in de verschillende (zee)havens is een belangrijk onderdeel van de werkzaamheden.
5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de [naam boot] hoofdzakelijk in een binnen - of zeehaven wordt gebruikt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Niet in geschil is dat de [naam boot] ook wordt ingezet om brandstoffen en mineralen te vervoeren in en naar verschillende havens. Op de zitting heeft [eiser 1] toegelicht dat met enige regelmaat ruime afstanden moesten worden gevaren om een andere haven te bereiken. De [naam boot] heeft in de periode in geschil meermaals ongeveer 100 kilometer per dag gevaren. De vaartijd bedraagt in dat geval ongeveer acht uur. Dit blijkt ook uit de door eisers en eiseres overgelegde vaartijdenboeken. Eisers en eiseres hebben daarnaast onweersproken gesteld dat de [naam boot] in de periode in geschil op 265 van de 562 dagen brandstoffen en mineralen heeft getransporteerd. Volgens eisers en eiseres wordt dan ook een groot deel van de werktijd besteed aan het varen tussen verschillende havens. Het gaat daarbij om grote afstanden voor een motortankschip, waarbij het transport van brandstoffen en mineralen een van de hoofdactiviteiten is. Eisers en eiseres hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat zij meerdere andere activiteiten buiten de (zee)havens uitvoeren. De algemene bewering van verweerder dat een belangrijk onderdeel van de activiteiten van de [naam boot] het bunkeren van zeeschepen is biedt onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat de [naam boot] hoofdzakelijk in een binnen - of zeehaven wordt gebruikt, gezien de gegevens in de vaartijdenboeken en toelichting van eisers en eiseres. De stelling van verweerder dat de [naam boot] , gezien het ruime geografische gebied dat vorenstaande havens bestrijken en de beperkte onderlinge afstand, hoofdzakelijk wordt gebruikt in (zee)havens, is onvoldoende concreet toegelicht. Verweerder heeft zich dan ook naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat de Rijnvarendenovereenkomst vanwege deze uitsluitingsgrond hoe dan ook niet van toepassing is. De beroepsgrond slaagt.
Slotsom
6.1. Gelet op het voorgaande is de Rijnvarendenovereenkomst op eisers van toepassing. Tussen partijen is verder niet in geschil dat als eisers onder de Rijnvarendenovereenkomst vallen de Luxemburgse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. De bestreden besluiten komen dan ook voor vernietiging in aanmerking en de overige beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking. De rechtbank vindt deze conclusie ook in overeenstemming met het doel en de strekking van de Rijnvarendenovereenkomst. Daarover merkt de rechtbank nog het volgende op.
6.2. De Rijnvarendenovereenkomst wil bewerkstelligen dat er steeds één verdragsstaat kan worden aangewezen die de verantwoordelijkheid neemt voor de sociale zekerheid van varend personeel dat een band heeft met een onderneming op het grondgebied van een verdragsstaat. Bij dit stelsel van exclusieve toedeling van verantwoordelijkheid past in beginsel niet een beperking die tot gevolg kan hebben dat een Rijnvarende gedurende de werkzaamheden op het grondgebied van een verdragsstaat aan boord van eenzelfde schip afwisselend onder verschillende wetgevingen valt, al naar gelang de wateren waarin dat schip zich bevindt.
6.3. De hiervoor genoemde onwenselijke situatie doet zich door de besluitvorming van verweerder in het geval van eisers wel voor. Eisers vallen namelijk hierdoor opeenvolgend onder de Luxemburgse, de Nederlandse en vervolgens wederom de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving. Ook is door de besluitvorming sprake van meer dan één toepasselijke socialezekerheidswetgeving op bemanningsleden op één schip als in de periode in geschil voor eisers de Nederlandse socialezekerheidswetgeving geldt en voor de bemanningsleden met een andere nationaliteit de Luxemburgse. Op de zitting heeft [eiser 1] de gevolgen van de besluiten in zijn geval toegelicht. Hij moet hierdoor meer dan € 25.000, - aan kinderbijslag terugbetalen aan de Luxemburgse instantie. Ook zijn opgebouwde pensioen in Luxemburg is ingetrokken. Aanvullend heeft [eiser 1] een naheffing van de Nederlandse belastingdienst ontvangen van meer dan € 7.000,-. Het doel van de Rijnvarendenovereenkomst was echter juist om situaties zoals die van eisers te voorkomen.

Conclusie en gevolgen

  1. De beroepen van eisers en eiseres zijn gegrond. Verweerder heeft ten onrechte aan eisers een A1-verklaring toegekend. De rechtbank zal de bestreden besluiten daarom vernietigen en ziet ook aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak voor de bestreden besluiten in de plaats treedt.
  1. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet verweerder aan eisers en eiseres het door hen betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank heeft alleen in de zaak AMS 24/2410 griffierecht geheven. Verweerder dient daarom € 371, - aan griffierecht te vergoeden.
9.1. Verweerder wordt ook veroordeeld in de kosten die eisers en eiseres in verband met de behandeling van beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Eisers en eiseres hebben in de bezwaarfase niet verzocht om een vergoeding voor de gemaakte proceskosten. Er dient derhalve voor de bezwaarfase geen proceskostenvergoeding toegekend te worden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bbp) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde wordt een vast bedrag per proceshandeling toegekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en was op de zitting bij de rechtbank aanwezig. Omdat de zaken een gemiddeld gewicht hebben, is op de waarde de factor 1,0 toegepast.
9.2. De rechtbank ziet verder aanleiding om de vier zaken aan te merken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. De rechtbank overweegt daartoe dat eisers en eiseres in deze zaken rechtsbijstand hebben gekregen van dezelfde gemachtigde. De werkzaamheden van deze gemachtigde zijn in deze zaken (nagenoeg) identiek. Zij heeft namelijk in alle zaken een gelijkluidend beroepschrift ingediend met nagenoeg dezelfde beroepsgronden. De zaken dienen daarom voor de toekenning van de proceskostenvergoeding te worden beschouwd als één zaak. Aangezien er vier samenhangende zaken zijn, wordt een factor 1,5 toegepast.
9.3. Het verzoek om vergoeding van de reiskosten is op zitting besproken. De gemachtigde van eisers en eiseres heeft toegelicht dat het gaat om de kosten die gemaakt zijn door de bestuurder van Kamari om aanwezig te zijn bij de zitting van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank veroordeelt verweerder tot een vergoeding van deze reiskosten tot een bedrag van € 223,44.[6]
9.4. Gelet op het voorgaande bedraagt de proceskostenvergoeding in totaal € 2.944,44.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, voorzitter, mr. K.S. Man en mr. E.M. Hansen-Löve, leden, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. U kunt ook hoger beroep instellen door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De Rijnvarendenovereenkomst is op 11 februari 2011 gesloten tussen de EU-lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland en met terugwerkende kracht tot 1 mei 2010 in werking getreden. Zie: Stcrt. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2011.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150, r.o. 3.1.2.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852.
Verweerder verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 4.4.3.5. van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852.
In dit verband volgt de rechtbank de conclusie van Advocaat-Generaal mr. C.W.M. Van Ballegooijen van 9 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2938.
Op de zitting heeft de bestuurder van [eiseres] aangegeven dat zij in de buurt woont van het bedrijf. De rechtbank gaat daarom uit van de afstand tussen het bedrijfsadres in [woonplaats 1] en de rechtbank Amsterdam. Dit komt neer op 399 kilometer. De berekening is dan ook als volgt: 399 x 2 x € 0,28. - - - ## Voetnoten
De Rijnvarendenovereenkomst is op 11 februari 2011 gesloten tussen de EU-lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland en met terugwerkende kracht tot 1 mei 2010 in werking getreden. Zie: Stcrt. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2011.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150, r.o. 3.1.2.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852.
Verweerder verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 4.4.3.5. van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:852.
In dit verband volgt de rechtbank de conclusie van Advocaat-Generaal mr. C.W.M. Van Ballegooijen van 9 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ2938.
Op de zitting heeft de bestuurder van [eiseres] aangegeven dat zij in de buurt woont van het bedrijf. De rechtbank gaat daarom uit van de afstand tussen het bedrijfsadres in [woonplaats 1] en de rechtbank Amsterdam. Dit komt neer op 399 kilometer. De berekening is dan ook als volgt: 399 x 2 x € 0,28.