Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4174 - Rechtbank Amsterdam - 18 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:417418 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 24/5296
(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en
(gemachtigde: mr. U. Tasdelen).

Procesverloop

2.1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 mei 2023 afgewezen. Met het besluit van
6 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De rechtbank heeft met de uitspraak van 25 juni 2024[1] dit beroep gegrond verklaard en verweerder verzocht om een nieuw besluit te nemen. Met de herziene beslissing op bezwaar van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) is verweerder, onder wijziging van de wettelijke grondslag, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de dochter van eiseres, de gemachtigde van eiseres, T. Koc als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank stelt vast dat, anders dan in het primaire besluit, in het bestreden besluit niet door verweerder wordt tegengeworpen dat eiseres verwijtbaar heeft gehandeld (de e-grond).[2] Bespreking van deze weigeringsgrond blijft daarom achterwege. De rechtbank zal hierna de weigeringsgrond bespreken die wel wordt tegengeworpen (de b-grond)[3], alsmede de overige beroepsronden van eiseres.
Sociale en medische gronden voor urgentie (de b-grond)
4.1. Niet in geschil is tussen partijen dat geen sprake is van dakloosheid omdat eiseres met haar dochter in de noodopvang verblijft. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder op sociale of medische gronden een urgentieverklaring had moeten verlenen. Eiseres stelt dat zij psychische problemen heeft gekregen door het verleden met haar ex-partner en door de lange periode van onzekerheid over de huisvesting in de noodopvang. Zij heeft haar psychische klachten onderbouwd met een verwijsbrief naar een psycholoog. Deze verwijsbrief zat niet in het dossier maar was bij verweerder bekend vanuit een vorige procedure. Op zitting heeft eiseres de verwijsbrief opnieuw overgelegd. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat in het bestreden besluit beoordeeld is of eiseres voldoet aan de medische voorwaarden voor urgentieverlening en dat deze toets minder streng is dan de toets op grond van de e-grond, die toegepast is in de eerste procedure. Verweerder heeft echter ook aangevoerd dat de verwijsbrief naar de psycholoog onvoldoende is om nader onderzoek te laten doen door een GGD-arts. De rechtbank onderschrijft deze conclusie van verweerder. In de verwijsbrief wordt namelijk enkel een vermoedelijke diagnose gesteld en staat vermeld dat eiseres gesprekken wil. Uit de verwijsbrief blijkt geen verband tussen de psychische problematiek en het huisvestingsprobleem. Ook is niet bekend of er een behandeltraject heeft plaatsgevonden bij de psycholoog en of dat er sprake is van een verbetering bij eiseres. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een levensontwrichtende situatie op basis van medische gronden in combinatie met het verblijf van eiseres in de noodopvang.
4.2. In het kader van de sociale gronden voor verlening van een urgentieverklaring voert eiseres aan dat zij in Hoofddorp werkt, dat haar dochter behoefte heeft aan continuïteit in haar school en netwerk bij de kerk in Amsterdam en dat zij al een lange tijd in de noodopvang verblijven. Daarnaast is volgens eiseres sprake van een bijzondere situatie dat zij met haar dochter ten onrechte de Europese Unie moest verlaten doordat de Staat haar verblijfsrecht ten onrechte niet erkende. Dit is later onrechtmatig gebleken waardoor zij ernstig in hun belangen zijn geschaad en nimmer de kans hebben gehad zich te huisvesten in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat deze elementen, in onderlinge samenhang en in combinatie met de medische informatie, onvoldoende zijn om aan te nemen dat sprake is van een levensontwrichtende situatie.
4.3. Daarnaast heeft verweerder zich naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 25 juni 2024 verdiept in de vraag of er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 10.2, derde lid, van de Nadere regels. De relatiebreuk met de vader van de dochter van eiseres speelt immers een rol bij het huisvestingsprobleem dat eiseres heeft. Verweerder heeft in het bestreden besluit zowel op basis van de oude als de geldende regelgeving gemotiveerd waarom het huisvestingsprobleem door de relatiebreuk niet valt binnen de criteria voor verlening sociale urgentie. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de opdracht van de rechtbank.
Hardheidsclausule
5.1. Op grond van artikel 2.10.11 van de Hvv kan een woningzoekende, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, alsnog in aanmerking komen voor een urgentieverklaring indien de weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. Op grond van paragraaf 24 van de Nadere regels dient de aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek met bewijsstukken aan te tonen dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is niet voldoende.
5.2. De rechtbank begrijpt dat eiseres belang heeft bij een eigen en vaste verblijfplaats, ook gezien het verleden van eiseres en haar dochter. Toch is de rechtbank van oordeel dat verweerder haar niet op grond van de hardheidsclausule urgentie hoeft te verlenen. Met urgentie krijgt iemand voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Urgentie is de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden voldoet. Om die reden, en tevens gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past verweerder de hardheidsclausule zeer terughoudend en alleen bij zeer uitzonderlijke, zeer schrijnende, situaties toe.
5.3. De situatie van eiseres kan niet worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. Verweerder heeft bij deze beoordeling alle relevante omstandigheden meegenomen. De rechtbank erkent dat de situatie van eiseres moeilijk is, maar eiseres heeft niet met medische stukken aangetoond dat er sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Eiseres stelt dat zij psychische problemen heeft, maar uit de overgelegde verwijsbrief blijkt niet wat de definitieve diagnose is, welk behandeltraject zij volgt en hoe haar psychische problemen zich verhouden tot het ervaren huisvestingsprobleem. Verweerder heeft eveneens in de beoordeling meegenomen dat eiseres gebonden is aan haar netwerken binnen de kerk en dat zij graag wil dat haar dochter op dezelfde school blijft. Dit tezamen maakt echter niet dat sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat dit de toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.
Zorgvuldigheid en hoorplicht
6.1. Eiseres voert aan dat de uitspraak van de rechtbank niet is nageleefd door verweerder en het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Volgens eiseres heeft verweerder niet alle omstandigheden betrokken bij het bestreden besluit, zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat eiseres ten onrechte met haar dochter de Europese Unie heeft (moeten) verlaten en pas later naar Nederland is teruggekomen. Sindsdien zijn zij zes jaar dakloos in Amsterdam. Eiseres heeft psychische klachten en is hiervoor in behandeling. Ook is gebleken dat de dochter van eiseres na jarenlange dakloosheid een zeer sterke behoefte heeft aan continuïteit in haar school en netwerk: de kerk. Zij heeft nog nimmer een eigen plek gekend. Dit is schadelijk voor haar ontwikkeling. Eiseres is bovendien werkzaam in de regio. Verweerder betrekt dit alles niet bij de beoordeling en voert geen nader onderzoek uit, aldus eiseres. Daarnaast voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van horen, in strijd met artikel 7:2 en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met name nu verweerder de opdracht had om nader onderzoek te doen, was dit uit het oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk.
6.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Alle door eiseres aangevoerde omstandigheden en aanvullende problemen, maar ook de overwegingen van de rechtbank zijn door verweerder betrokken en meegenomen in de beoordeling. Verweerder komt echter tot de conclusie dat deze omstandigheden onvoldoende grond vormen voor toewijzing van de aanvraag.
6.3. Wat betreft de hoorplicht is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze niet heeft geschonden. Eiseres is door verweerder gehoord naar aanleiding van haar bezwaar vóór de eerste beslissing op bezwaar. Voorafgaand aan het bestreden besluit heeft verweerder eiseres opnieuw gelegenheid geboden om aanvullende informatie te verstrekken en stukken over te leggen, eiseres is door verweerder immers per e-mail gevraagd om nadere relevante informatie. Eiseres heeft vervolgens geen nieuwe informatie of stukken overgelegd ter onderbouwing van haar aanvullende problemen en hoe deze problemen zich verhouden tot het ervaren huisvestingsprobleem. Nu niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die, na de vorige hoorzitting, voor het bestreden besluit van belang hadden kunnen zijn, had een nieuwe hoorzitting in dit kader dan ook niet kunnen leiden tot een ander oordeel.
Evenredigheid
7.1. In het kader van de evenredigheid heeft verweerder, zoals de rechtbank heeft opgedragen, getoetst aan het criterium zoals genoemd in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 maart 2024[4], waarbij verweerder alle bovengenoemde omstandigheden van eiseres heeft betrokken bij de beoordeling. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat onder aan de streep niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van het bestreden besluit onredelijk bezwarend zijn voor eiseres.
7.2. De omstandigheid dat verweerder pas in het verweerschrift en op de zitting een nadere toelichting heeft gegeven over de evenredigheid maakt dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit dat later is hersteld. De rechtbank passeert dit motiveringsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is gebleken dat eiseres en haar dochter hierdoor zijn benadeeld.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat de rechtbank artikel 6:22 van de Awb toepast, heeft eiseres wel recht op vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eiseres krijgt ook het griffierecht vergoed.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187, - aan eiseres te vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3838.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv).
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv.
ECLI:NL:CBB:2024:190. - - - ## Voetnoten
Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3838.
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder e, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv).
Artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hvv.
ECLI:NL:CBB:2024:190.