Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4171 - Rechtbank Amsterdam - 20 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:417120 juni 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2289
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (hierna: het college)
( [gemachtigde verweerder] ).
  1. Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit waarin het doodlopende deel van de [adres 1] direct ten noorden van [adres 2] is aangewezen als parkeerverbodzone. Eiseres is het niet eens met het verkeersbesluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid het verkeersbesluit heeft genomen.

Procesverloop

2.1. Eiseres woont aan de [adres 3] in Amsterdam.
2.2. De gemeente heeft signalen ontvangen waarin schrijvers aangeven overlast te ervaren van geparkeerde auto's buiten de aangewezen parkeervakken op het doodlopende deel van de [adres 1] direct ten noorden van [adres 2] waardoor de doorgang wordt belemmerd en het in - en uitparkeren van en naar eigen terrein wordt bemoeilijkt.
2.3. Op 1 september 2023 is het verkeersbesluit in het Gemeenteblad bekendgemaakt. Het besluit houdt in dat alleen in de aangewezen parkeervakken mag worden geparkeerd. Het verkeersbesluit beoogt de veiligheid van de weg te verzekeren en weggebruikers en passagiers te beschermen, het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan, alsmede het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van verkeer. De mogelijke nadelige gevolgen zijn volgens het college niet onevenredig in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, namelijk het verbeteren van de verkeersveiligheid.
2.4. Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij het verkeersbesluit gebleven.
2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift.
2.6. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door R.J. Hennekes en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Belanghebbendheid van eiseres
3.1. De rechtbank is ambtshalve gehouden om te beoordelen of eiseres belanghebbende is bij het verkeersbesluit. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
3.2. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken en beroep instellen bij de bestuursrechter.
3.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)[1] is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken.[2] Hier is slechts sprake van als een persoon een bijzonder, individueel belang heeft bij het verkeersbesluit dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers.[3]
3.4. Eiseres heeft op zitting aangevoerd dat zij wel moet worden aangemerkt als belanghebbende omdat zij niet voor haar deur kan parkeren. Het college refereert aan het oordeel van de rechtbank.
3.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres worden aangemerkt als belanghebbende bij het verkeersbesluit. Het door eiseres gestelde belang om vrijelijk te mogen parkeren in de straat voor haar woning acht de rechtbank voldoende om te oordelen dat eiseres een bijzonder, individueel belang heeft, waar zij zich in voldoende mate onderscheidt van willekeurige andere weggebruikers. Het verkeersbesluit is enkel genomen vanwege de problematiek voor eiseres haar deur. Het parkeerverbod raakt daarmee voornamelijk haar situatie. Dit te meer nu het om een doodlopende straat gaat.
Onzorgvuldige besluitvorming
Wederhoor
4.1. Eiseres voert aan dat het college heeft nagelaten om wederhoor toe te passen bij de bewoners van de [adres 4] en [adres 3] .
4.2. De rechtbank stelt voorop dat er geen vereiste is om bij de totstandkoming van een verkeersbesluit iedere mogelijke belanghebbende te horen. Wel zijn er regels die bepalen dat besluiten publieke bekend moeten worden gemaakt, zodat (mogelijke) belanghebbende de kans krijgen om bezwaar te maken. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het verkeersbesluit. Haar bezwaren zijn in de heroverweging door het college meegenomen en ze is gehoord op een hoorzitting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee voldoende gelegenheid geboden aan eiseres om haar bezwaren kenbaar te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bekendmaking gemeenteblad
5.1. Eiseres voert aan dat het parkeerverbod in het gemeenteblad is gepubliceerd, terwijl zij in andere situaties per brief door de gemeente wordt geïnformeerd over verkeersveranderingen. In deze situatie heeft het college deze manier van communicatie ten aanzien van de bewoners niet toegepast, terwijl dit veel effectiever zou zijn geweest. Vrijwel niemand leest het gemeenteblad volgens eiseres.
5.2. De rechtbank overweegt als volgt. Het verkeersbesluit is niet tot één of meer belanghebbenden gericht, maar heeft een algemene strekking. Volgens artikel 3:42 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 26 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het verkeer (Babw), geschiedt bekendmaking in dat geval conform de in artikel 5 onderscheidenlijk 6 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze. Artikel 6 van de Bekendmakingswet geeft aan dat het besluit bekend wordt gemaakt middels publicatie in het door het college uitgegeven publicatieblad (het gemeenteblad). De rechtbank is daarom van oordeel dat het besluit op de juiste wijze door het college bekend is gemaakt in het gemeenteblad. Hoewel eiseres kan worden gevolgd dat het gemeenteblad niet door veel burgers wordt gelezen, is het daarom mogelijk om via meldingen op de hoogte te worden gebracht van bekendmakingen rondom een adres.[4] Wat hier ook van zij, duidelijk is dat eiseres op de hoogte is geraakt van het besluit en tijdig bezwaar heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorverslag
6.1. Eiseres stelt dat diverse aangevoerde argumenten van haar niet in het verslag van de hoorzitting staan vermeld. Hierdoor is de adviescommissie niet volledig op de hoogte gesteld van hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting Op de zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat de volgende argumenten onder andere niet in het verslag of het bestreden besluit staan vermeld: privéprobleem in plaats van gemeenteprobleem, de informatievoorziening is slecht verlopen, er heeft geen wederhoor plaatsgevonden bij [adres 4] en [adres 3] en de aangereikte oplossingen.
6.2. De rechtbank overweegt dat het verslag geen woordelijke weergave hoeft te zijn van wat tijdens het horen gezegd is. Van een verslag mag wel worden verwacht dat het een zakelijke weergave geeft van wat besproken is. Hieraan voldoet het verslag van de hoorzitting wel. Zo staat in het verslag dat de buurman van eiseres een melding heeft gemaakt bij de gemeente. De aangereikte oplossingen staan niet in het verslag genoemd, maar die zijn niet relevant voor de beoordeling van het verkeersverbod op zichzelf. De kern van het betoog van eiseres staat in het verslag en het bestreden besluit vermeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontmoediging klagers
7.1. Volgens eiseres heeft de gemeente tenminste twee personen ontmoedigd om bezwaar te maken. Ambtenaren zouden volgens eiseres nooit mogen ontmoedigen om bezwaar te maken, zij zouden zich in deze situaties positief of neutraal moeten opstellen.
7.2. De rechtbank is van oordeel dat het ontmoedigen van klagers buiten de omvang van dit geding valt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college in redelijkheid het verkeersbesluit genomen?
8.1. Eiseres voert aan dat het verkeersbesluit is genomen vanwege een individueel probleem van de overbuurman op [huisnummer] , die meent dat hij door de geparkeerde auto's buiten de vakken niet goed zijn oprit kan in - en uitrijden. Dit zou niet moeten worden opgelost via een verkeersbesluit. Er is dagelijks een tekort aan parkeerplaatsen is. De nieuwe situatie gaat parkeerstress en onvrede tussen buren opleveren. Het college heeft later ook de verkeersveiligheid ten aanzien van fietsers aan het besluit ten grondslag gelegd. Eiseres heeft nog nooit een fietsongeluk meegemaakt. Daarnaast is het fietspad 2.10 meter breed. De weg laat 2.70 meter over na aftrek van een geparkeerde auto. Als een fietser veilig over het fietspad van de gemeente kan rijden, is er nog meer ruimte dan wanneer fietsers de [adres 1] op fietsen. Eiseres ziet het probleem niet.
8.2. De rechtbank overweegt dat het bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan het bestuursorgaan om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit dan ook terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.[5]
8.3. De vraag die bij de rechtbank derhalve ter toetsing voorligt is of het college in redelijkheid het verkeersbesluit heeft kunnen nemen en of dat besluit is genomen met het oog op de in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WvW 1994) genoemde belangen.
8.4. De rechtbank stelt vast dat het college de belangen van de WvW 1994, waar zij zich op beroepen, onvoldoende heeft gemotiveerd. Ter zitting heeft het college erkend dat het verkeersbesluit is genomen om het geschil tussen de buren op nummer [adres 4] en [adres 3] jegens de overbuurman op [huisnummer] op te lossen, omdat de buren er zelf niet zijn uitgekomen. Het verkeersbesluit ziet dus de facto alleen op het laatste (doodlopende) stukje van de [adres 1] . Het belang van de verkeersveiligheid voor fietsers is niet onderbouwd. Op zitting heeft de gemachtigde van het college erop gewezen dat er een gevaarlijke situatie ontstaat, omdat de auto's die op de weg voor de nummers [adres 4] en [adres 3] geparkeerd staan, ervoor zorgen dat de fietsers er niet veilig langs kunnen. Uit de overgelegde foto's blijkt voorgaande niet en het college heeft ook geen andere stukken overgelegd ter onderbouwing. Dat er een akkoord is gegeven op het voorgenomen verkeersbesluit door het team Verkeer van de politie maakt dit niet anders, omdat ook hierin geen enkele inhoudelijk overweging is opgenomen. Bovendien is onbetwist aangevoerd dat het overgebleven weggedeelte op de [adres 1] breder is (2.70 meter) dan het fietspad waar de fietsers vandaan komen (vanaf [adres 5] ; 2.10 meter) en dat fietsers dus voldoende ruimte hebben om langs de geparkeerde auto's te kunnen fietsen. Ook het in - en uitrijden, de doorstroom en het in stand houden van de bruikbaarheid van de weg zijn niet onderbouwd. Tijdens de zitting heeft het college immers erkend dat er geen klachten over andere in - en uitritten, de doorstroom en het passeren van het doorgaande verkeer in de rest van de straat zijn. Nu het laatste stukje voor de nummers [adres 4] en [adres 3] het einde van een doodlopende straat betreft, kan de rechtbank niet volgen waarom het verkeersbesluit nodig is voor de doorstroom en het passeren van doorgaand verkeer.
8.5. Voorgaande betekent dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en daarmee ook ondeugdelijk is gemotiveerd. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat het verkeersbesluit tot op heden niet is uitgevoerd. Eiseres kan haar auto nog altijd voor de deur parkeren. Er wordt ook niet gehandhaafd en lijkt het erop dat er geen sprake meer is van een geschil tussen de buren. Op zitting is naar voren gekomen dat de overbuurman, volgens eiseres, zijn auto nu parkeert in een aangewezen parkeervak.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings - en zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college een beoordelingsmarge heeft en de gelegenheid krijgt om dit nader te motiveren.
9.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
9.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 1 maart 2024; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187, - aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van C..Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597.
Uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0789; uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506 en uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541.
Uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1316.
Via overheid.nl.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2650. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597.
Uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0789; uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506 en uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541.
Uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1316.
Via overheid.nl.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ2650.