Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4169 - Rechtbank Amsterdam - 20 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4169•20 juni 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/507
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. Remmelts).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de verrekening van de aan haar eerder toegekende tegemoetkoming scholieren met haar studiefinanciering.
Met het primaire besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres nog een resterend bedrag van € 565,40 te veel tegemoetkoming voor scholieren heeft ontvangen. Verweerder heeft daarbij besloten om dit bedrag in termijnen te verrekenen met eiseres haar studiefinanciering. Met het bestreden besluit van 10 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar moeder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De totstandkoming van de besluiten
- Eiseres heeft op 14 november 2022 een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming voor scholieren. Verweerder heeft vanaf januari 2023 een tegemoetkoming aan eiseres toegekend bestaande uit een basistoelage en een aanvullende tegemoetkoming voor de schoolkosten. De Belastingdienst heeft aan verweerder doorgegeven dat het toetsingsinkomen van de ouders van eiseres is gewijzigd en hoger is dan verweerder oorspronkelijk rekening mee heeft gehouden. Verweerder heeft vervolgens met een besluit van 1 april 2024 vastgesteld dat eiseres een bedrag van € 772,40 te veel tegemoetkoming heeft ontvangen en dat zij dit bedrag moet terugbetalen. Volgens verweerder heeft zij namelijk ten onrechte voor meerdere maanden een aanvullende tegemoetkoming voor de schoolkosten ontvangen. Een deel van het te veel betaalde bedrag is hierna verrekend met eiseres haar toekomstige tegemoetkomingen voor scholieren.
- Met het primaire besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres nog een overgebleven bedrag van € 565,40 te veel aan tegemoetkoming voor scholieren heeft ontvangen. Verweerder heeft daarom besloten om dit resterende bedrag te verrekenen met eiseres haar studiefinanciering. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank stelt voorop dat verweerder met het besluit van 1 april 2024 heeft vastgesteld dat eiseres een bedrag van € 772,40 te veel tegemoetkoming heeft ontvangen en dat zij dit bedrag moet terugbetalen. Eiseres is het niet eens met deze herziening. Partijen verschillen daarbij onder meer van mening of eiseres mocht vertrouwen op de rekentool op de website van verweerder en of de informatie van de rekentool juist of onjuist is. De rechtbank overweegt dat eiseres deze argumenten in het kader van een bezwaarprocedure tegen het besluit van 1 april 2024 had kunnen aanvoeren. Tegen dit besluit heeft zij echter geen bezwaar gemaakt en dit besluit is dan ook in rechte vast komen staan. De rechtbank dient dan ook uit te gaan van de juistheid van de herziening en terugvordering van de tegemoetkoming voor scholieren. De beroepsgronden van eiseres tegen de onjuistheid van deze herziening zal de rechtbank daarom onbesproken laten.
- Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege moverende redenen (nog) geen bezwaarschrift heeft ingediend, maakt dit het voorgaande niet anders. Het is eerst aan verweerder, en niet aan de rechtbank, om te beoordelen of een eventueel alsnog ingediend bezwaarschrift tijdig is ingediend of dat eiseres een verschoonbare reden heeft voor het te laat indienen van een bezwaarschrift. Zoals hiervoor is overwogen, dient de rechtbank op dit moment uit te gaan van de juistheid van de herziening en terugvordering.
- De rechtbank kan in dit geschil dus alleen oordelen over de vraag of verweerder terecht het resterende deel van de te veel ontvangen tegemoetkoming voor scholieren heeft verrekend met eiseres haar studiefinanciering.
- Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres nog een resterend bedrag van € 565,40 moest betalen. Verweerder is volgens de wet verplicht indien uit een beschikking tot herziening blijkt dat teveel tegemoetkoming voor scholieren is uitbetaald, dit te verrekenen met toekomstige tegemoetkomingen voor scholieren.
[1] Indien een resterend bedrag overblijft wordt dit bedrag terugbetaald of verrekend met een eventuele studiefinanciering.[2] Anders dan de herziening van de tegemoetkoming voor scholieren, vloeit de verrekening daarvan dwingend voort uit de wet. Dit betekent dat voor een belangenafweging geen ruimte is. Dit is enkel anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn verdisconteerd. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat eiseres door de verrekening van een bedrag van € 565,40 in een financieel nadeligere positie is gekomen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden waardoor de toepassing van dit wettelijk voorschrift tot een onevenwichtige uitkomst leidt. Verweerder heeft dan ook het resterende bedrag moeten verrekenen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit volgt uit artikel 3.1. van de Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, in samenhang met artikel 7.1., eerste lid van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Dit volgt uit artikel 7.4., derde lid van de Wet studiefinanciering 2000. - - - ## Voetnoten