Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4168 - Rechtbank Amsterdam - 18 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4168•18 juni 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7700
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. Remmelts).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 13 november 2024.
Eiser heeft op 30 mei 2024 beroep ingesteld. Op verzoek van verweerder heeft de rechtbank dat beroepschrift doorgezonden[1] aan verweerder, omdat eiser niet eerst een bezwaarschrift heeft ingediend. Verweerder heeft hierna het beroepschrift beschouwd als een bezwaarschrift. Vervolgens heeft verweerder eiser tweemaal verzocht om te verduidelijken tegen welke beslissing hij bezwaar maakt. Met een besluit van 13 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet duidelijk is geworden tegen welk besluit eisers bezwaarschrift is gericht. Met een brief die op 19 december 2024 is ontvangen, heeft eiser tegen het besluit van 13 november 2024 beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2025. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien dit het geval is, kan de rechtbank niet op de inhoudelijke beroepsgronden van eiser ingaan.
- In artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Awb staat dat een bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit bevat waartegen het gericht is. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan een bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard als een beschrijving van het besluit waartegen het gericht is ontbreekt. Het niet-ontvankelijk verklaren van een bezwaar betekent dat er niet inhoudelijk naar gekeken wordt. Een indiener van het bezwaar moet wel eerst de mogelijkheid hebben gehad om alsnog duidelijk te maken tegen welk besluit bezwaar wordt gemaakt.
- Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 2 juni 2024 vermeld dat hij het niet eens is met een beslissing van verweerder van 30 mei 2024. Daarbij heeft eiser vermeld dat deze beslissing bekend is onder het kenmerk 'dossier [nummer] '. Eiser heeft in het bezwaarschrift toegelicht dat hij het niet eens is met het opgelegde loonbeslag door verweerder. Eiser heeft verder een loonspecificatie van de maand juni 2024 bij het bezwaarschrift overgelegd waaruit blijkt dat loonbeslag is gelegd op zijn salaris. Uit deze loonspecificatie volgt ook dat dit loonbeslag is opgelegd door [naam] Gerechtsdeurwaarders vanwege 'Dossier: [nummer] /OVH'. Eiser vraagt verweerder om het ten onrechte betaalde loonbeslag terug te storten.
- Met een brief van 25 september 2024 heeft verweerder aan eiser bericht dat het onduidelijk is tegen welke beslissing hij bezwaar maakt. Verweerder heeft daarbij eiser verzocht om binnen drie weken het kenmerk van de beslissing te sturen. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd. Met een brief van 17 oktober 2024 heeft verweerder aangegeven dat hij een kopie van de beslissing van 30 mei 2024 nodig heeft om het bezwaarschrift van eiser af te handelen. Verweerder heeft eiser nogmaals drie weken de gelegenheid gegeven om te verduidelijken tegen welk besluit zijn bezwaar is gericht. Verweerder heeft verder aangegeven dat als eiser de informatie niet op tijd opstuurt hij het bezwaarschrift afhandelt op basis van de aanwezige informatie. Ook op deze brief heeft eiser niet gereageerd.
- De rechtbank stelt vast dat eiser, ook nadat verweerder twee keer een termijn heeft gesteld voor het herstellen van het verzuim, heeft nagelaten binnen die termijnen duidelijk te maken tegen welk besluit zijn bezwaarschrift is gericht. Verweerder heeft terecht om die verduidelijking verzocht, omdat uit de inhoud van het bezwaarschrift niet duidelijk blijkt tegen welk besluit eisers bezwaar is gericht. Voor zover eiser bezwaar bedoelde te maken tegen het loonbeslag die staat vermeld op zijn loonspecificatie van de maand juni 2024, is dit op grond van de Awb niet mogelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dus terecht het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat onduidelijk is geworden tegen welk besluit eiser bezwaar heeft gemaakt.
- De rechtbank merkt ten overvloede op dat haar op de zitting duidelijk is geworden dat eiser een groot gevoel van onrecht ervaart. Het is voor eiser onder meer onduidelijk hoe het loonbeslag is ontstaan en hoe lang hij nog moet terugbetalen. Verweerder heeft toegezegd dat eiser een overzicht van al zijn schulden zal ontvangen. Hieruit kan eiser afleiden welke schulden hij bij verweerder nog heeft. Om verder meer juridische informatie te krijgen over zijn rechtspositie kan eiser overwegen om zich verder te laten informeren door bijvoorbeeld het Juridisch Loket of een beroepsmatig rechtsbijstandsverlener.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2025.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). - - - ## Voetnoten