Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:4100 - Rechtbank Amsterdam - 17 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:4100•17 juni 2025•Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3140
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,**het college.
Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de aanvraag om een bewonersparkeervergunning in [regio] .
1.1. Verzoeker heeft op 25 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een tweede bewonersvergunning voor het kenteken [kenteken] op het adres [adres] .
1.2. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 27 februari 2025 afgewezen.
1.3. Op 17 maart 2025 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4. Het college heeft het besluit tot de invoer van betaald parkeren in [regio] per 7 april 2025 ingevoerd.
1.5. Op 22, 23 en 24 mei 2025 heeft verzoeker een naheffingsaanslag ontvangen voor onbetaald parkeren ter hoogte van het adres [adres] .
1.6. Op 21 mei 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Verzoeker heeft aan de zitting deelgenomen. Het college heeft zich op de dag van de zitting afgemeld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3.1. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker kan sinds de invoer van betaald parkeren in [regio] op 7 april niet meer voor zijn deur op straat parkeren. Hij verklaart geen alternatieve parkeermogelijkheid in de buurt te hebben. Hij parkeert nu alsnog op straat, en betaalt de parkleerkosten. Hij heeft al verschillende naheffingsaanslagen ontvangen. Hoe langer de situatie voortduurt, hoe verder het bedrag oploopt. De voorzieningenrechter is, na een summiere toets, van mening dat de zaak voldoende spoedeisend is.
Standpunt college
- Uit de reactie van het college van 4 juni 2025 blijkt dat de bewonersvergunning is afgewezen omdat verzoeker op zijn adres over een stallingsplaats beschikt. Hij heeft namelijk een oprit voor zijn deur waar hij zijn auto kan parkeren. Omdat er aan hem al een eerste bewonersvergunning is verleend en hij dus beschikt over een stallingsplaats, voldoet de aanvraag volgens het college niet aan de regels uit de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening Amsterdam 2021. Ter onderbouwing stelt het college dat uit de beelden die zij heeft overlegd, blijkt dat verzoeker zijn auto in het verleden ook op de oprit parkeerde. Dat verzoeker inmiddels een hek voor de oprit heeft geplaatst, maakt de situatie niet anders.
Standpunt verzoeker
- Anders dan het college beweert, voert verzoeker aan dat er geen sprake is van een stallingsplaats voor zijn deur. De oprit kwalificeert namelijk als voortuin. De voortuin van zijn buren, die identiek is, wordt ook niet gezien als oprit. Zij hebben wel een tweede bewonersvergunning gekregen. Inmiddels zit er een hek om de voortuin waardoor verzoeker de voortuin niet als oprit kan gebruiken. Hij verzoekt de voorzieningenrechter daarom om zijn situatie te behandelen als ware hij in het bezit van een tweede bewonersvergunning tot aan zes weken na de beslissing op bezwaar.
Oordeel van de rechtbank
6.1. De gronden die verzoeker heeft aangevoerd, namelijk het wel of niet beschikken over een stallingsplaats en het beroep op het gelijkheidsbeginsel, komen in de bezwaarfase aan de orde. Het is niet aan de voorzieningenrechter om nu op deze gronden te beslissen. De voorzieningenrechter geeft uitdrukkelijk geen oordeel over de kans van slagen van het bezwaarschrift. Toch ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen, en wel om de volgende reden.
6.2. Uit de stukken blijkt dat verzoeker na het indienen van het bezwaarschrift in de maanden maart, april en mei 2025 via e-mails en telefonisch veelvuldig contact met het college heeft geprobeerd te zoeken omdat hij bezorgd was over de invoering van betaald parkeren in zijn stadsdeel per 7 april 2025. Het college heeft hierop geen enkele reactie gegeven. Verzoeker heeft alleen begrepen dat het college bezig is met de behandeling van zijn bezwaarschrift. De voorzieningenrechter ziet in de e-mails van verzoeker de wanhoop en frustratie bij verzoeker naarmate de tijd vordert toenemen omdat het hem niet lukt om contact te krijgen met het college. Ten einde raad heeft verzoeker toen maar een verzoek tot een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Toen de behandeling van de voorlopige voorziening door de rechtbank op zitting van 10 juni 2025 werd geplaatst, heeft het college via de rechtbank kort per e-mail gereageerd op het verzoek. Volgens het college is er geen sprake van een spoedeisend belang en beschikt verzoeker over een stallingsplaats. Het college reageerde niet op de argumenten die verzoeker daartegen had aangevoerd. Het college is ook niet ingegaan op verzoekers argument dat de buren een vergelijkbare voortuin hebben en wél over een tweede bewonersvergunning beschikken.
6.3. De voorzieningenrechter overweegt dat de beoordeling over het feitelijk wel of niet beschikken over een stallingsplaats een individuele afweging is. In het besluit van 27 februari 2025 heeft het college niet toegelicht waarom zij van mening is dat verzoeker een stallingsplaats heeft. Op de vragen van verzoeker daarna, reageert het college niet. Zelfs als verzoeker op een gegeven moment naheffingsaanslagen krijgt, blijft een reactie van het college uit. Uit de korte schriftelijke reactie voor de zitting leidt de voorzieningenrechter af dat het college niet de oprit, maar de voortuin als stallingsplaats ziet. In de schriftelijke reactie gaat het college niet in op het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel.
6.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het op de weg van het college had gelegen om in ieder geval te reageren op e-mails van verzoeker, of vragen van verzoeker te beantwoorden over het afwijzen van zijn bewonersvergunning. Met name nu uit de e-mails blijkt dat een toenemende boosheid en wanhoop zich meester maakte van verzoeker. Door in elk geval te reageren kan het college een hoop ergernis wegnemen, en wellicht zelfs procedures voorkomen.
6.5. De voorzieningenrechter hoopte op de zitting in elk geval een gesprek tussen verzoeker en het college op gang te brengen. Het college heeft toen de keuze gemaakt om niet op de zitting te verschijnen en zich op de dag van de zitting af te melden. Verzoeker vond dit zeer teleurstellend nu hij al maanden in contact probeert te komen met het college.
Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat de afwijzing van de bewonersvergunning een besluit is met grote gevolgen voor hem en zijn gezin. Zowel hij als zijn echtgenote hebben voor hun werk een auto nodig. In zijn buurt is geen openbaar vervoer aanwezig of een parkeerplek waar hij, al dan niet tegen betaling, zijn auto kwijt kan.
6.6. Van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat zij een duidelijke uitleg geeft waarom een aanvraag wordt afgewezen. Zeker als het om een voor een burger specifieke situatie gaat, in dit geval de vraag of er al dan niet een stallingsplaats is. Daarnaast mag van een bestuursorgaan worden verwacht dat zij reageert indien een burger veelvuldig verzoekt om een toelichting en om contact. Het college heeft dit in het besluit, en daarna, niet gedaan. Tot slot heeft het college niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om op de zitting een toelichting te geven en in gesprek te gaan met verzoeker.
6.7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college hiermee niet een goede procedure heeft gevolgd. Daardoor handelde het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter wijst daarom een voorlopige voorziening toe. Dit betekent dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een bewonersvergunning voor zijn auto met het kenteken [kenteken] . Deze voorlopige voorziening strekt van de datum van het besluit van 27 februari 2025 tot aan zes weken na de beslissing op bezwaar.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker tot zes weken na de beslissing op bezwaar moet worden behandeld als ware hij in het bezit is van een bewonersvergunning voor zijn auto met het kenteken [kenteken] .
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: