Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:4097 - Rechtbank Amsterdam - 24 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:409724 juni 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2559

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2025 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. V. Ouwersloot en mr. P. Boes).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam 2] , te [locatie 1] .

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eisers tegen de door de burgemeester verleende evenementenvergunning voor het meerdaagse [evenement] evenement in het gebouw van [locatie 2] van [datum] 2023. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
1.1. De zaak is met partijen besproken op een zitting op 13 mei 2025. Namens eisers waren aanwezig: [eisers] , de heer [naam 3] en de heer [naam 4] , bijgestaan door hun gemachtigde. Verder was op de zitting de heer [naam 2] , exploitant van [locatie 2] , aanwezig. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De burgemeester heeft op 18 september 2023 de vergunning verleend voor het houden van het meerdaagse evenement tijdens [evenement] in [locatie 2] . Het evenement heeft plaatsgevonden op [datum] 2023. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning. Met het bestreden besluit op bezwaar van
2 april 2023 heeft de burgemeester de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Procesbelang
  1. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eisers toekomt, moet ambtshalve worden beoordeeld of dit beroep ontvankelijk is. De rechtbank ziet zich in dit kader voor de vraag gesteld of eisers nog procesbelang hebben bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of de burgemeester de vergunning in 2023 had mogen verlenen.
3.1. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat diegene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor diegene van feitelijke betekenis is. In beginsel bestaat er geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel als een evenement al heeft plaatsgevonden. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als aannemelijk is dat nieuwe besluiten over soortgelijke situaties volgen en een evenement bijvoorbeeld jaarlijks plaatsvindt. Het inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid van de verleende vergunning kan dan namelijk worden betrokken bij de toekomstige beoordeling van de aanvraag voor een (nieuwe) vergunning. Verder kan het hebben van schade meeslepen bij de vraag of er procesbelang is.
3.2. In dit geval staat niet ter discussie dat het evenement jaarlijks terugkeert. Inmiddels heeft de editie in 2024 ook al plaatsgevonden. Tegen deze vergunning, afgegeven op
16 september 2024, hebben eisers eveneens bezwaar gemaakt. Ten tijde van de behandeling van dit beroep, was de procedure tegen de vergunning van 2024 in de bezwaarfase. Ook is een aanvraag ingediend door vergunninghouder voor een vergunning voor de editie 2025, op deze aanvraag heeft de burgemeester nog niet beslist.
3.3 Nu de nieuwe vergunning van 2024 inmiddels is afgegeven, vervalt in beginsel het procesbelang bij de beoordeling van de vergunning uit 2023. Deze beoordeling is namelijk, door de nieuwe besluitvorming, niet meer relevant voor een toekomstige vergunning, omdat die al is beoordeeld. Deze hoofdregel kent echter uitzonderingen. De hoogste bestuursrechter heeft namelijk overwogen, dat als wordt opgekomen tegen een serie van vergunningen, er niet altijd op voorhand alleen procesbelang kan bestaan bij een beoordeling van de meest recente vergunning. Een eerdere vergunning kan immers dermate inhoudelijk afwijken van een latere vergunning, dat een oordeel over de rechtmatigheid van die vergunning nog steeds relevant kan zijn voor toekomstige aanvragen en de toetsing daarvan.[1]
3.4. In dit geval komt de rechtbank tot het oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van de vergunning uit 2023, gelet op het bestaan van de nieuwe vergunning uit 2024, waar eisers eveneens tegen zijn opgekomen. Hiervoor is relevant dat, zoals op de zitting is vastgesteld, de vergunningen uit 2023 en 2024 grotendeels gelijkluidend zijn en niet op essentiële punten verschillen. Verder is, nadat dit expliciet is besproken met partijen, de rechtbank niet gebleken dat sprake is van schade. De rechtbank erkent dat de behandeling van het beroep tegen de verlening van de evenementenvergunning voor het event in 2023 pas na een lange duur op de zitting heeft plaatsgevonden en dat dit mede te wijten is aan de handelwijze van verweerder en de rechtbank. De rechtbank begrijpt dat dit onbevredigend is, maar deze omstandigheid levert geen procesbelang voor eisers op.
3.5. Zoals ter zitting is besproken, zou de inhoudelijke discussie kunnen worden voortgezet in het kader van de lopende bezwaar - en eventuele beroepsprocedure tegen de vergunning voor 2024, of in de komende zienswijze procedure in het kader van de nieuwe aanvraag voor 2025, of in eventuele voorlopige voorzieningenprocedures. In een eventuele nieuwe beroepsprocedure tegen de vergunning voor 2024 bestaat ook de mogelijkheid voor eisers om versneld beroep aan te vragen bij de rechtbank om te voorkomen dat het procesbelang weer vervalt op het moment dat de vergunning voor het event in 2025 wordt toegekend. Tot slot is besproken dat eisers gebruik kunnen maken van professionele juridische hulp.
Conclusie
  1. Gelet op het ontbreken van procesbelang, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank niet toe komt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep en de overige ontvankelijkheidskwesties zoals bijvoorbeeld de tijdigheid van de ingediende beroepschriften van een deel van eisers, de (niet) belanghebbendheid van een deel van eisers en de vraag of de exploitant een afgeleid belang heeft, gelet op zijn contractuele verhouding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, rechter, in aanwezigheid van mr.J.L. van Egmond, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
ECLI:NL:RVS:2023:959. - - - ## Voetnoten
ECLI:NL:RVS:2023:959.