Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:3986 - Rechtbank Amsterdam - 13 juni 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:3986•13 juni 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/1678
en
**het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,**verweerder (hierna: het college)
(gemachtigde: [gemachtigde]).
- Deze uitspraak gaat over het wegslepen van de auto van eiser door het college, omdat hij geparkeerd stond op een vergunninghouderplaats. De kosten voor het wegslepen worden verhaald op eiser. Eiser is het niet eens met het wegslepen van zijn voertuig en dat hij de kosten moet betalen. Hij voert aan dat de signalering van de borden niet duidelijk was, er geen dringende reden was om zijn voertuig met (spoedeisend) bestuursdwang weg te slepen, het wegslepen niet proportioneel is en geen rekening is gehouden met de draagkracht van eiser. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het voertuig van eiser mocht wegslepen en de kosten op eiser mocht verhalen.
Procesverloop
- Met het primaire besluit van 26 oktober 2023 heeft het college met toepassing van bestuursdwang de auto van eiser laten wegslepen omdat hij geparkeerd stond op een vergunninghouderplaats. De vergunninghouderplaats is bestemd voor deelvoertuigen van autodeelorganisatie Greenwheels.
2.1. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 1 februari 2024 is eiser telefonisch gehoord. Met het bestreden besluit van 7 februari 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en bij het primaire besluit gebleven.
2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de broer van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Is sprake van een te summier verslag van de hoorzitting?
- Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het verslag van de hoorzitting te summier is. In het verslag is niet alles opgenomen wat tijdens de telefonische hoorzitting is besproken. Het college had met een volledig verslag van de hoorzitting een heroverweging kunnen maken en met een ander besluit kunnen komen.
- De rechtbank overweegt dat volgens artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen een verslag wordt gemaakt. Volgens vaste rechtspraak moet dit een schriftelijk verslag zijn maar hoeft het verslag geen letterlijke weergave van het horen te bevatten.
[1]
4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met het verslag niet voldaan aan de eis van artikel 7:7 van de Awb. Al hoewel het verslag geen woordelijke weergave hoeft te zijn van wat tijdens het horen gezegd is, mag van een verslag wel worden verwacht dat het een zakelijke weergave geeft van wat besproken is. Hieraan voldoet het zeer summiere verslag van het telefonisch horen niet. Zo geeft het verslag alleen drie bezwaargronden weer die eiser naar voren heeft gebracht en niet wat de eventuele reactie van het college hierop is geweest. Wat er verder tijdens het hoorgesprek is voorgevallen is niet vermeld, ook niet dat namens eiser is aangegeven dat hij niet de sleepbon heeft ontvangen. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een gebrek.
4.2. Eiser is door dit gebrek echter niet in zijn belangen geschaad. In het bestreden besluit is het college wel ingegaan op alle punten in zijn bezwaarschrift. Daarnaast heeft hij voor het overige alles in beroep naar voren kunnen brengen. Er bestaat daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Mocht het college de auto van eiser wegslepen?
- Eiser voert aan dat het wegslepen van zijn auto niet noodzakelijk en proportioneel was. Spoedeisende bestuursdwang is het zwaarste middel en van een bestuursorgaan mag een grote mate van zorgvuldigheid worden verwacht. De auto van eiser stond voor korte tijd geparkeerd en vormde een gevaar voor de verkeersveiligheid. Ook werd door de auto niet de doorstroming van het verkeer belemmerd. In de omgeving waren op dat moment voldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor deelauto's van Greenwheels. Het belang van eiser is niet afgewogen tegen de belangen van de gebruikers van Greenwheels.
- Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen, bijvoorbeeld wanneer handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
[2] Dit wordt de handhavingsplicht genoemd.
6.1. De rechtbank stelt vast dat sprake was van een overtreding. De auto van eiser stond geparkeerd op een parkeerplaats voor de vergunninghouder Greenwheels, terwijl voor de auto van eiser geen vergunning voor die parkeerplaats gold. Eiser had zijn auto dan ook geparkeerd in strijd met artikel 24, eerste lid, sub g, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV).[3] Het college was daarom op grond van artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) in beginsel bevoegd om met bestuursdwang op te treden en had een handhavingsplicht.
6.2. Bij de beoordeling van de vraag of het wegslepen noodzakelijk is, dienen de omstandigheden van het geval betrokken te worden.[4] Het enkele feit dat op een aangewezen plaats wordt geparkeerd, is in beginsel onvoldoende om het wegslepen van het de auto te rechtvaardigen. De aard en het gebruik van het weggedeelte, in dit geval een parkeerplaats, kunnen wel met zich meebrengen dat op voorhand de noodzaak tot het wegslepen bestaat. Daar was in dit geval sprake van. De gemeente acht het van belang dat bestuurders van deelauto's op de aangewezen plekken altijd kunnen parkeren en dat op die manier in het algemeen belang het gebruik van deelauto's wordt gestimuleerd. Het parkeren van de auto van eiser op de aangewezen parkeerplaats doet afbreuk aan het met het parkeerverbod na te streven doel. De rechtbank vindt dat niet onredelijk. Ook wanneer er op dat moment geen dringende vraag was naar een parkeerplaats voor deelauto's en voldoende andere vrije parkeerplaatsen waren, dan nog bestond de mogelijkheid dat het parkeren van een deelauto kon worden belemmerd door de geparkeerde auto van eiser. Dat eiser maar voor een korte periode zijn auto had geparkeerd en er geen sprake was van een gevaarlijke situatie, maakt dat niet anders. Uit de jurisprudentie blijkt dat er bijvoorbeeld geen sprake is van noodzaak, wanneer een auto die is geparkeerd op een parkeerplaats voor opladen niet is aangesloten omdat op dat moment het oplaadpunt in storing was.[5] Van een dergelijke situatie was geen sprake, omdat de parkeerplaats waar eiser heeft geparkeerd op dat moment geschikt was om te gebruiken door deelauto's. De rechtbank is daarom van oordeel dat het wegslepen van de auto noodzakelijk was.
6.3. De rechtbank overweegt dat het handhavend optreden door middel van het wegslepen van een auto voor een burger een ingrijpende maatregel is. Het vrijhouden van de parkeerplaats voor deelauto's kon enkel worden bereikt door het wegslepen van de auto van eiser en niet door een lichter handhavingsmiddel zoals het opleggen van een boete. Eiser was immers niet aanwezig om zelf zijn auto te verplaatsen. Uit de jurisprudentie blijkt dat het wegslepen van een auto bijvoorbeeld niet proportioneel is wanneer een auto staat geparkeerd op een weggedeelte wat dient te worden vrijgehouden voor de markt, maar het weggedeelte al maanden niet meer wordt gebruikt voor de markt.[6] Daar was in dit geval geen sprake van, omdat de parkeerplaats wordt gebruikt voor deelauto's. Naar het oordeel van de rechtbank was het wegslepen van de auto van eiser dan ook proportioneel.
Mocht het college de kosten van het wegslepen van de auto op eiser verhalen?
- Eiser voert aan dat de situatie onduidelijk was. Bij het parkeren heeft hij zich op de hoogte gesteld van de situatie, maar er stond geen bord bij de parkeerplaats zelf. Op de foto's is te zien dat het bord niet haaks op de weg staat en laag is geplaatst, waardoor eiser het bord heeft gemist.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen gaan als regel uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal samen. Voor het maken van een uitzondering hierop kan aanleiding bestaan als de aangeschrevene geen verwijt valt te maken over de ontstane situatie en als bij het ongedaan maken van de strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat moet worden geoordeeld dat kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene moeten komen. Ook andere, bijzondere omstandigheden kunnen het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van het kostenverhaal.
[7]
8.1. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verkeerssituatie – anders dan eiser heeft aangevoerd – voldoende duidelijk was. Uit de foto's uit het dossier blijkt dat het verkeersbord zo goed als haaks ten opzichte van de wegas en aan de voorkant voor de parkeerplaats waar eiser geparkeerd stond was geplaatst. Het gereserveerde parkeervak bevindt zich direct na het verkeersbord (bezien vanuit de geldende rijrichting). In de regel gelden verkeersborden voor het gebied ná het bord, bezien vanuit de richting van waaruit het bord zichtbaar is (de rijrichting). Dat de verkeerssituatie nog duidelijker had gekund door bijvoorbeeld een wit kruis of het verkeersbord helemaal haaks plaatsen én dat er situaties zijn waarin het verkeersbord aan de voet van de parkeerplaats bij de kade wordt geplaatst, leidt niet tot de conclusie dat de situatie niet voldoende duidelijk was. Dat betekent dat de overgelegde foto's dus niet leiden tot de conclusie dat de verkeersituatie onvoldoende duidelijk was. Van eiser mocht daarbij worden verwacht dat hij, in ieder geval na het parkeren, de verkeerssituatie goed had bekeken en zich bij twijfel over de parkeersituatie nader had geïnformeerd.[8] Eiser had bijvoorbeeld kunnen onderzoeken welke verkeersborden in de omgeving van de parkeerplaats staan. De omstandigheid dat eiser het verkeersbord kennelijk over het hoofd heeft gezien, dient voor zijn risico te komen.
8.2. Daarnaast is niet gebleken van andere, bijzondere omstandigheden die maken dat het college had moeten afzien van het verhalen van de kosten voor bestuursdwang. onredelijk is. Uit de jurisprudentie blijkt dat bijvoorbeeld sprake is van bijzondere omstandigheden wanneer een verloskundige bij het parkeren op weg is naar een spoedgeval en uit de omstandigheden blijkt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt voor de ontstane situatie.[9]
8.3. Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft mogen besluiten om de kosten van het wegslepen van de auto te verhalen op eiser.
Heeft het college de kosten moeten matigen?
- Eiser voert aan dat hij moeite heeft om de financiële gevolgen van de bestuursdwang te dragen. De betaalde € 373, - is voor eiser een groot bedrag dat hij niet kan missen. Het is eiser onduidelijk in welke gevallen wel rekening wordt gehouden met zijn draagkracht. Het college heeft ook niet om een nadere onderbouwing van zijn draagkracht gevraagd.
- De Afdeling heeft in vaste rechtspraak overwogen dat het bestuursorgaan, in dit geval het college, bij een besluit omtrent kostenverhaal in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder.
[10] De draagkracht van de overtreder kan namelijk meestal pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie om over de draagkracht van de overtreder een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding, als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de te verhalen kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daarvoor zulke informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verhaalde kosten zou hebben.
10.1. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid alle kosten bij eiser in rekening mocht brengen. Eiser heeft dezelfde dag de kosten voor het wegslepen van de auto betaald. Daarnaast heeft hij in bezwaar en in beroep nagelaten informatie te verstrekken die inzicht gegeven in zijn financiële situatie en de gevolgen van de betaalde verhaalde kosten. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat evident is dat hij gezien zijn financiële draagkracht niet in staat was om de kosten van bestuursdwang (volledig) te betalen. Ook wanneer een overtreder veel schulden heeft, maakt dat nog niet dat aannemelijk is dat de overtreder de kosten niet kan voldoen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het college . Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden, omdat het college een te summier verslag heeft gemaakt van de hoorzitting. Daarmee heeft het college artikel 7:7 van de Awb geschonden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187, - aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.E. Swinkels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:679 en van 17 november 2011, ECLI:NL:RVS:2021:2570.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2896.
Op grond van artikel 24, eerste lid, sub g, van het RVV mag een bestuurder zijn auto niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1694.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 24 april 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:3234.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 28 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7490.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3643.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4116 en de uitspraak van deze rechtbank van 27 november 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7187.
Zie de uitspraak van deze rechtbank van 23 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8873.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:996 en 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1318. - - - ## Voetnoten