Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:3834 - Rechtbank Amsterdam - 26 mei 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:3834•26 mei 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3141
(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en
**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,**verweerder
( [gemachtigde verweerder] ).
Procesverloop
- Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor noopopvang. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 mei 2025 afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de regiobindingseis. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster een spoedeisend belang bij een beslissing op haar verzoek, omdat zij door de besluitvorming van verweerder dakloos dreigt te worden. Zij kan niet meer terecht bij de kennis bij wie zij nu op de bank slaapt en voelt zich daar ook niet veilig. Zij is hoogzwanger (uitgerekend medio juni) en ervaart veel stress doordat zij geen stabiele huisvesting heeft. Zij heeft verder ook geen sociaal netwerk waar zij in terecht kan.
- Verzoekster heeft ook een aanvraag voor opvang gedaan op grond van de Wet maatschappelijke opvang 2015. Een screening staat gepland op 6 juni 2025. Er zijn aanknopingspunten dat verzoekster niet zelfredzaam is. Dit is onderbouwd met een brief van straatalliantie en een medisch maatschappelijk werker van de pluspoli van het OLVG locatie West. Die overweegt dat verzoekster tot de specifieke doelgroep van kwetsbare zwangeren behoort en dat er zeer dringend hulp nodig is voor verzoekster en haar ongeboren kind. Op de zitting heeft verweerder gelet op deze aanknopingspunten het standpunt ingenomen dat zij bereid zijn om opvang te verlenen aan verzoekster. De gemachtigde van verweerder zal contact opnemen met de GGD zodat zij daar kan worden gescreend en beslist kan worden welke opvang voor verzoekster en haar nu nog ongeboren kind geschikt is.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verweerder per direct geschikte opvang biedt aan verzoekster.
- De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekster ook een vergoeding krijgt van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoekster per direct wordt toegelaten tot de (nood)opvang tot zes weken na de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53, - aan verzoekster moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: