Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:3531 - Rechtbank Amsterdam - 2 juni 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:35312 juni 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/4835
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,**verweerder.
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het schadeverzoek van eiser.
1.1. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.2. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2.1. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.
2.2. Hieronder is de motivering van de beslissing vermeld.

Beoordeling

3.1. Op 22 november 2021 is de auto van eiser weggesleept. Hiertegen heeft eiser bezwaar en beroep ingesteld. Zijn beroep is in de uitspraak van deze rechtbank van 30 maart 2023 (zaaknummer AMS 22/1999) gedeeltelijk gegrond gegaan. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was om de auto van eiser weg te slepen, maar dat verweerder gedeeltelijk had moeten afzien van het verhalen van de kosten op eiser. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen, in die zin dat verweerder slechts de helft van de kosten van de toegepaste bestuursdwang op eiser mocht verhalen, te weten € 186,50. Het hoger beroep van eiser tegen deze uitspraak is in een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 april 2024 ongegrond verklaard (zaaknummer 202302308/1/A2).
3.2. Op 20 augustus 2024 heeft eiser een schadeverzoek ingediend bij verweerder. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Eiser meent dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem. Zijn schade bestaat uit de helft van de kosten voor het wegslepen van zijn auto en de griffierechten die hij heeft moeten betalen voor de procedure bij de Afdeling.
4.1 De rechtbank overweegt dat onherroepelijk is beslist dat verweerder bevoegd was om de auto weg te slepen. Ook is onherroepelijk beslist op het kostenverhaal en kwamen de griffierechten in hoger beroep niet voor vergoeding in aanmerking omdat het hoger beroep van eiser ongegrond is gegaan. Op de zitting stelt eiser dat de schade niet het gevolg is van het wegslepen van de auto, maar van het nalaten van de ambtenaar ter plaatste. De ambtenaar heeft het bord niet verwijderd terwijl het duidelijk was dat het bord daar niet hoorde. Als de ambtenaar niet had nagelaten om het verkeersbord te verwijderen, had eiser nooit hoeven procederen en zou hij dus ook nooit deze schade hebben geleden.
4.2. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of zij bevoegd is om op dit schadeverzoek te beslissen. Op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van a) een onrechtmatig besluit, b) een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit, c) het niet tijdig nemen van een besluit of d) een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn. Dit artikel bakent de kring van verzoekgerechtigden af van de verzoekschriftprocedure waarmee bij de bestuursrechter schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen kan worden gevorderd. Het artikel bevat een connexiteitseis die inhoudt dat de verzoekschriftprocedure niet geldt voor schade die het gevolg is van een besluit waartegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
4.3. De rechtbank is van oordeel dat het nalaten van een ambtenaar om een bord weg te halen dat door een ander is verplaatst en daardoor op een verkeerde plek staat, niet kan worden gekwalificeerd als een besluit[1] in de zin van de Awb. Tegen deze gedraging staat geen bezwaar en beroep open bij de bestuursrechter. Ook valt deze gedragingen niet in de overige categorieën zoals genoemd in artikel 8:88 van de Awb. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd om over het schadeverzoek te oordelen. Als eiser van mening is dat de ambtenaar een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd door het verkeersbord niet te verwijderen, en hij daardoor schade heeft geleden, is het aan de civiele rechter om hierover te oordelen.

Conclusie en gevolgen

  1. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet behandelen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
  1. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2025 door

mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 1:3 van de Awb. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:3 van de Awb.