Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:3391 - Rechtbank Amsterdam - 27 mei 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:339127 mei 2025

Uitspraak inhoud

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/480
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
  1. Deze uitspraak gaat over intrekking en terugvordering van eiseres haar bijstandsuitkering omdat eiseres voldoende inkomsten uit vermogen had. Eiseres is het niet eens met die beslissing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.

Procesverloop

  1. Eiseres ontvangt sinds 10 mei 2005 een bijstandsuitkering van het college. Het college heeft op 11 juli 2023 een schriftelijke anonieme melding ontvangen. Hierin wordt gesteld dat eiseres ongeveer [bedrag 1] heeft gewonnen met de [loterij] in 2011 en geld heeft overgemaakt naar het bankrekeningnummer van haar vader in Tunesië.
2.1. Met het besluit van 5 juni 2024 is eiseres haar bijstandsuitkering ingetrokken en teruggevorderd. De reden hiervoor is dat het college de bijstandsuitkering in de periode van 1 januari 2011 tot en met 23 februari 2017 heeft herzien, omdat eiseres voldoende inkomsten uit vermogen had. Uit onderzoek is gebleken dat eiseres de [loterij] op
[datum] 2011 heeft gewonnen en het college hierover niet heeft geïnformeerd. Eiseres moet hierdoor € 103.270,18 terugbetalen aan het college.
2.2. Met het bestreden besluit van 16 december 2024 is het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college ziet gedeeltelijk van de terugvordering af en het nieuwe terugvorderingsbedrag wordt € 25.751,60.
2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Mocht het college eiseres haar bijstandsuitkering intrekken en terugvorderen?
  1. Eiseres voert aan dat zij alle verzochte en benodigde informatie heeft verstrekt. Eiseres heeft recht en belang bij behoudt van haar uitkering zonder terugvordering. Louter op basis van een anonieme tipgever en de verklaring van eiseres worden er bedragen teruggevorderd. Er is geen formeel stuk op basis waarvan de gemeente haar berekeningen en vermoedens kan onderbouwen. Het college heeft onvoldoende onderzocht of er sprake is van de aanwezigheid van middelen van bestaan.
3.1. Intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Deze bewijslast brengt in dit geval mee dat het college aannemelijk moet maken dat en in welk opzicht eiseres in de hier te beoordelen periode, die loopt van 1 januari 2011 tot en met 23 februari 2017, haar inlichtingenverplichting zoals neergelegd in artikel 17 van de Participatiewet (Pw) heeft geschonden.
3.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het college slechts op basis van een anonieme tipgever en de verklaringen van eiseres haar bijstandsuitkering heeft ingetrokken en bedragen terugvordert. Het college heeft naar aanleiding van de schriftelijke anonieme melding een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van eiseres haar bijstandsuitkering. In dit kader heeft het college eiseres uitgenodigd voor een gesprek. In dit gesprek heeft eiseres verklaard dat zij in 2011 geld gewonnen heeft met de [loterij] . Op basis van deze verklaring is het dossier overgedragen aan de sociale recherche om een onderzoek in te stellen. De sociale rechercheur heeft informatie opgevraagd bij de ING-bank en de [loterij] . Daarnaast heeft de sociale rechercheur getuigen gehoord en eiseres wederom verhoord tijdens een gesprek. Ook in dit gesprek heeft eiseres toegegeven geld te hebben gewonnen met de [loterij] . De [loterij] heeft op 1 december 2023 bevestigd dat eiseres in 2011 de [prijs] heeft gewonnen met twee loten. Eiseres ontving per lot [bedrag 2] - minus de kansspelbelasting. In totaal is aan eiseres een bedrag van [bedrag 3] uitgekeerd. Eiseres heeft niet gemeld bij het college dat zij geld heeft gewonnen met [loterij] in 2011. Doordat eiseres dit niet eerder zelf bij het college heeft gemeld heeft zij haar inlichtingenverplichting geschonden. Eiseres heeft pas verklaard dat zij geld met de [loterij] had gewonnen nadat een onderzoek was ingesteld naar de rechtmatigheid van haar bijstandsuitkering. Dit kan eiseres worden tegengeworpen. Het college heeft de bijstandsuitkering van eiseres dan ook mogen intrekken.
3.3. Wat betreft het terugvorderingsbedrag overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de terugvordering het gevolg is van het schenden van de inlichtingenverplichting. Eiseres heeft een geldbedrag gewonnen van [bedrag 3] . Met het besluit van 5 juni 2024 vorderde het college eerst een bedrag van € 103.270,18 terug van eiseres. In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat eiseres redelijkerwijs kon beschikken over een bedrag van [bedrag 4] maar niet over het resterende bedrag van
[bedrag 5] . Voor laatstgenoemd bedrag had eiseres goud gekocht. Na een inbraak in haar woning werd dit goud ontvreemd waardoor het volgens het college aannemelijk is geworden dat zij hier niet meer over kon beschikken. Na toepassing van de interingsformule resteert vervolgens een terugvorderingsbedrag van € 25.751,60. Op deze wijze heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd hoe het terugvorderingsbedrag is opgebouwd. Het is de rechtbank niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Is er sprake van verjaring?
  1. Verder voert eiseres aan dat de eventuele terugvordering is verjaard.
4.1. Nu in de Pw niet geregeld is binnen welke termijn een intrekkings - of terugvorderingsbesluit moet worden genomen, moet voor de verjaring van een terugvorderingsbesluit aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit is vaste rechtspraak.[1] Op grond van artikel 3:309 van het BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand begint dus de dag nadat de bijstandverlenende instantie bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan duidelijk is dat bijstand zal moeten worden teruggevorderd. De bekendheid, vereist voor het aanvangen van de vijfjaarstermijn, dient subjectief te worden opgevat als een daadwerkelijke bekendheid. Het redelijkerwijs kenbaar zijn is dus niet voldoende. Degene die zich op verjaring beroept moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat de schuldeiser daadwerkelijk bekend was met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger.[2]
4.2. Het college is pas door de anonieme melding op 11 juli 2023 op de hoogte gesteld van het gewonnen geldbedrag met de [loterij] . Naar aanleiding hiervan is het college op 9 oktober 2023 een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van eiseres haar bijstandsuitkering. Dit betekent dat het college op zijn vroegst op 11 juli 2023 bekend is geworden met het gewonnen geldbedrag door eiseres. Op het moment dat het terugvorderingsbesluit is genomen op 5 juni 2023 waren er nog geen vijf jaren verstreken. De rechtbank is van oordeel dat de terugvordering nog niet was verjaard.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2385 en de uitspraak van de Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2354.
Vergelijk de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, onder meer de uitspraak van 28 november 2003, ECLI:HR:2003:AK3696. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2385 en de uitspraak van de Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2354.
Vergelijk de vaste rechtspraak van de Hoge Raad, onder meer de uitspraak van 28 november 2003, ECLI:HR:2003:AK3696.