Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:3389 - Rechtbank Amsterdam - 27 mei 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:3389•27 mei 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/340
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
Procesverloop
- Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor inrichtingskosten, namelijk € 2.269,07 voor een vloer en € 1.500,00 voor een bed. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 juli 2024 afgewezen omdat uit de door eiser geleverde stukken is gebleken dat een bedrag van € 1.750,00 is betaald door de Nederlandse Branche Polis voor de woninginrichting van de nieuwe woning.
2.1. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard omdat de aanvraag op verkeerde gronden is afgewezen. In bezwaar is echter alsnog gebleken dat eiser geen recht heeft op het restant bedrag van € 2.019,07. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2. Met het herziene bestreden besluit van 10 april 2025 heeft het college zijn beluit gewijzigd en is gebleken dat eiser recht heeft op een bedrag van € 369,00 voor het aanschaffen van een bed en een matras. Het beroep van eiser heeft van rechtswege mede betrekking op de herziene beslissing op bezwaar.[1]
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank van het bestreden besluit
- Met het herziene besluit heeft het college het bestreden besluit vervangen. Dit betekent dat sprake is van een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Awb. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. De rechtbank verklaart daarom het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk.
Beoordeling door de rechtbank van het herziene bestreden besluit
- In het herziene bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat er geen recht bestaat op bijzondere bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Uit de geleverde stukken is gebleken dat eiser op 18 juni 2024 een bedrag van € 1.750, - heeft ontvangen van de Nederlandse Branche Polis. De Nederlandse Branche Polis telt als een voorliggende voorziening. Eiser heeft dit bedrag besteed aan de aanschaf van laminaat en een ondervloer. Wat betreft het resterende bedrag van € 519,07 (€ 2.269,07 - € 1.750,-) voor de vloer komt eiser niet in aanmerking voor bijzondere bijstand volgens het college. De verhuizing van eiser was vrijwillig en voorzienbaar waardoor eiser geld had kunnen reserveren. Hierdoor komt het college niet toe aan de toets of het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden als een bijzondere omstandigheid moet worden aangemerkt. Wat betreft de aanvraag voor bijzondere bijstand voor een bed heeft het college uit coulance een bedrag van € 369,00 (bestaande uit € 205,00 voor een bed en € 164,00 voor een standaard matras) toegekend aan eiser op grond van de prijsrichtlijnen uit de Nibud-lijst 2025.
4.1. Eiser doet een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 21 november 2023[2] en voert aan dat hij onvoldoende reserveringsruimte had om de kosten van de verhuizing te bekostigen omdat hij sinds 2023 in de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WNSP) zit. Dit traject is bijna afgerond en eiser staat onder bewind. Onder deze omstandigheden moet het ontbreken van reserveringsruimte door schulden toch als een bijzondere omstandigheid aangemerkt worden.
Toetsingskader
- Het uitgangspunt van de Pwis dat een inkomen op bijstandsniveau voorziet in alle (periodieke en incidentele) voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, dat wil zeggen: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon.
5.1. Artikel 35, eerste lid, van de Pw bepaalt dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand, voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van verweerder niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm.
5.2. Op grond van vaste rechtspraak gaat het hier om kosten die, indien zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodieke dan wel incidentele algemene kosten van het bestaan.[3] Die kosten dienen in beginsel te worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de zich voordoende, noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan. De omstandigheid dat de betrokkene al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten, is een aspect dat in laatstgenoemd kader moet worden beoordeeld.
5.3. Volgens tot voor kort geldende rechtspraak[4] is het ontbreken van voldoende reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. De Raad heeft aanleiding gezien deze rechtspraak te nuanceren.
5.4. Uitgangspunt blijft evenwel dat het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid is in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. De reden hiervan is dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de kosten van afbetaling van schulden in het algemeen geen noodzakelijke bestaanskosten zijn. Die zijn namelijk, uitzonderingen daargelaten, niet ontstaan uit een gebrek aan het noodzakelijke, maar uit de besteding van de middelen, die geacht worden toereikend te zijn.
5.5. Anders dan voorheen is de Raad nu van oordeel dat onder bepaalde omstandigheden het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden wel een bijzondere omstandigheid kan zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. De reden hiervan is dat de wetgever met het in 4.3.2 verwoorde uitgangspunt met name het oog heeft gehad op schulden die zijn ontstaan door consumptieve overbesteding. De wetgever heeft daarnaast onderkend dat schulden ook een andere oorzaak kunnen hebben en ruimte gelaten om schulden onder bepaalde omstandigheden aan te merken als noodzakelijke bestaanskosten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat door onvoorzienbare omstandigheden het inkomen sterk daalt nadat de lening is afgesloten, waardoor de betrokkene niet meer aan de aflossingsverplichtingen kan voldoen. Het is dan ook niet de bedoeling geweest om bijstandverlening voor schulden onder alle omstandigheden uit te sluiten. In het verlengde hiervan kan onder bepaalde omstandigheden het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden een bijzondere omstandigheid zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw.[5]
5.6. In de eerste plaats moet de aanvrager aannemelijk maken dat hij als gevolg van afbetaling van schulden niet kon reserveren voor de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand heeft gevraagd. Als dat aannemelijk is, moet het college onderzoeken en beoordelen of dat een bijzondere omstandigheid oplevert in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Hierbij kunnen onder meer de aard en het ontstaan van de schulden een rol spelen.
Reserveringsruimte van eiser
- De rechtbank is van oordeel dat het college in het geval van eiser een onjuist toetsingskader hanteert. Het college stelt zich op het standpunt dat de verhuiskosten voor eiser voorzienbaar waren waardoor zij niet toekomt aan de beoordeling als bedoeld in de overwegingen 4.3.4 en 4.3.5 van de uitspraak van de Raad van 21 november 2023.
[6] De rechtbank leest deze uitspraak van de Raad zo dat het niet uitmaakt of de kosten van incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke bestaanskosten, zoals verhuiskosten, voorzienbaar waren of niet. In beginsel is het ontbreken van reserveringsruimte in verband met schulden geen bijzondere omstandigheid, maar onder bepaalde omstandigheden kan het ontbreken van reserveringsruimte wel een bijzondere omstandigheid vormen in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Hierbij kan onder meer de aard en het ontstaan van de schulden een rol spelen. Het college had in het geval van eiser moeten onderzoeken of de schulden van eiser een bijzondere omstandigheid vormen die tot de verlening van de gevraagde bijzondere bijstand moet leiden. In deze beoordeling moet het college meewegen dat eiser in de wettelijke schuldsanering zit. Het gevolg van de wettelijke schuldsanering kan namelijk zijn dat reserveren vooraf en achteraf niet mogelijk is geweest voor eiser.
6.1. Deze beroepsgrond slaagt dan ook. Eiser krijgt gelijk. Nu het beroep op dit punt al slaagt, kunnen de overige beroepsgronden daarom onbesproken blijven.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk.
- Het beroep voor zover dat is gericht tegen het herziene bestreden besluit is gegrond omdat het college een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. Dit betekent dat het college moet onderzoeken of de aard en het ontstaan van de schulden, die volgens eiser zijn reserveringsruimte beperkten, een bijzondere omstandigheid inhouden die tot de verlening van de gevraagde bijzondere bijstand moet leiden.
8.1. De rechtbank vernietigt het herziene bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
8.2. Het college moet het griffierecht aan eiser vergoeden en eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep niet ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit; - verklaart het beroep gegrond voor zover dat is gericht tegen het herziene bestreden besluit; - vernietigt het herziene bestreden besluit; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 53, - aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiser verwijst hiervoor naar verschillende uitspraken van de Raad, zie ECLI:NL:CRVB:2023:2263 en ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6701
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1152.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318.
Zie uitspraak van de Raad van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263.
Zie uitspraak van de Raad van 21 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2263. - - - ## Voetnoten