Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:3388 - Rechtbank Amsterdam - 27 mei 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:3388•27 mei 2025
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/109
(gemachtigde: mr. A.C.R. Molenaar),
en
(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
- Deze uitspraak gaat over de intrekking en beëindiging van eisers hun bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft overwogen dat het recht op een bijstandsuitkering niet kan worden vastgesteld omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de bijstandsuitkering van eisers mocht intrekken en beëindigen.
Procesverloop
- Met het besluit van 27 juni 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres vanaf 22 juni 2024 opgeschort omdat eiser niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd, namelijk zijn taxipas en de rittenlijsten over de periode vanaf 1 januari 2024. Met het besluit van 15 juli 2023 heeft het college besloten de bijstandsuitkering van eisers per 22 juni 2024 in te trekken en te beëindigen omdat het recht op een bijstandsuitkering niet kan worden vastgesteld en eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.
2.1. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de intrekking en beëindiging van de bijstandsuitkering gebleven.
2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond van de zaak
- Eiser is een 40-jarige man en woont samen met eiseres. Tot 1 januari 2024 was eiser parttime werkzaam bij [bedrijf 1] . Eisers ontvangen periodiek een bijstandsuitkering naar de norm voor een echtpaar.
3.1. Het college heeft geconstateerd dat eiser zich na 1 januari 2024 nog steeds vervoerde met de auto waarmee hij daarvoor beroepsmatig werkzaam was als taxichauffeur. Het gaat om een witte [auto] met kenteken [kenteken] . Ook is in de periode van 19 maart 2024 tot en met 11 mei 2024 vastgesteld dat eiser meerdere boetes heeft ontvangen tijdens het gebruik van deze auto.
3.2. Het college heeft eiser meermaals verzocht zijn rittenlijsten en de taxipas aan te leveren. Het college heeft dit niet van eiser ontvangen. Het college heeft vastgesteld dat er vanaf 9 februari 2023 een [bedrijf 2] genaamd [naam] op naam van eiser staat. Tussen 30 april 2024 en 29 mei 2024 hebben er verschillende waarnemingen plaatsgevonden door medewerkers van het college. De witte [auto] , is op verschillende tijden en dagen, met en zonder klanten, aangetroffen voor de woning van eiser.
3.3. Op 29 mei 2024 heeft eiser de kopieën van de taxipas aangeleverd. Het college heeft eiser nog een kans geboden de gevraagde rittenlijst aan te leveren tijdens een gesprek. Tijdens dit gesprek heeft het college de waarnemingen kenbaar gemaakt aan eiser. Eiser heeft verklaard niet te weten van wie de auto is of van de boetes af te weten.
3.4. Op 9 juli 2024 vond er op verzoek van eiseres een gesprek plaats met medewerkers van het college. Tijdens dit gesprek heeft eiseres verklaard dat eiser in een witte auto rijdt en dat hij de auto leent of huurt en daarmee probeert te werken om zo later zelf een taxi auto te kunnen kopen.
Juridisch kader
- Intrekking en beëindiging van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandsverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandsverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
4.1. Schending van de inlichtingenverplichting[1] levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden.[2] Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.
Mocht het college de bijstandsuitkering intrekken en beëindigen?
- Uit het bestreden besluit volgt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden omdat hij ondanks herhaalde verzoeken van het college de rittenlijsten over de periode vanaf 1 januari 2024 niet heeft overgelegd. Ook volgt uit het bestreden besluit dat het college het standpunt heeft ingenomen dat er voldoende aanwijzingen zijn dat eiser op geld waardeerbare arbeid verricht, namelijk als taxichauffeur.
5.1. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Eiser kon niet voldoen aan de verplichting van het college om de rittenlijsten aan te leveren omdat het college iets van eiser vraagt wat er niet is. Eiser heeft niet als taxichauffeur gereden in een andere auto die niet van hem is. Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij de auto als vriendendienst mocht lenen van zijn oude werkgever. Eiser leende de auto voor persoonlijk gebruik voor een paar uurtjes per dag om onder andere zijn kinderen weg te kunnen brengen. Daarnaast heeft eiser de gegevens van de omzetbelasting 2023 en het eerste kwartaal 2024 aangeleverd bij het college. Hieruit blijkt dat eiser geen omzetbelasting verplichte inkomsten heeft gehad
5.2. Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de bedoeling waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Hierbij is niet alleen van belang het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.[3] Het gaat er dus om of eiser activiteiten heeft verricht als taxichauffeur waar normaliter een beloning tegenover staat of die hij daarvoor redelijkerwijs kan bedingen.[4]
5.3. De rechtbank overweegt dat in het rapport van 6 augustus 2024 staat dat handhavingsmedewerkers op verschillende momenten hebben waargenomen dat eiser is gezien in de witte [auto] , met en zonder klanten. Daarnaast volgt uit het rapport dat eiser meerdere malen in persoon is aangehouden/staande gehouden met dit voertuig en een boete opgelegd heeft gekregen. Eiser is op 2 februari 2024 aangehouden door de politie omdat hij als bestuurder een rit onder diensttijd niet had opgevoerd. Op 29 juli 2024 vond er op verzoek van eiseres een gesprek plaats met medewerkers van het college. Zij heeft verklaard dat eiser in een witte auto rijdt en dat hij de auto leent of huurt en daarmee probeer te werken om zo later een taxi auto te kunnen kopen. De rechtbank volgt eisers verder niet in hun standpunt dat de verklaring van eiseres niet meegenomen had mogen worden in het onderzoek van het college omdat zij niet is gewezen op het verschoningsrecht dat geldt onder echtelieden. Het gesprek heeft plaatsgevonden op verzoek van eiseres. De handhavingsmedewerker heeft verder de chauffeurskaart van eiser in de boordcomputer gezien van de [auto] . Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat eiser geen op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Eisers zijn hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De waarnemingen die zijn gedaan, de informatie over de aanhoudingen/staande houdingen en de verklaring van eiseres duiden er voldoende op dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden als taxichauffeur heeft verricht. Omdat bij het college onduidelijkheid bestond over de omvang en aard van de werkzaamheden van eiser als taxichauffeur is reden gezien om de rittenlijsten op te vragen. Eiser heeft deze onduidelijkheid niet kunnen wegnemen. Op zitting heeft eiser toegelicht dat hij de auto van zijn oud werkgever mocht lenen voor een paar uurtjes per dag voor persoonlijk gebruik. Eiser zou de auto lenen om zijn vrouw naar het ziekenhuis te brengen of de kinderen naar voetbal weg te brengen. Dit acht de rechtbank, gelet op de hiervoor genoemde informatie, niet aannemelijk. Eiser heeft ook niet aannemelijk kunnen maken dat er recht op bijstand zou hebben bestaan als de inlichtingenplicht wel was nagekomen. Ook zonder het aanleveren van de rittenlijsten blijft het voor de rechtbank aannemelijk dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Het college heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
5.4. De rechtbank constateert dat eiser tijdens de bezwaarfase de aangiftes omzetbelasting 2023 en 2024 heeft aangeleverd bij het college. Het bestreden besluit dateert van 27 november 2024. Het college heeft deze gegevens niet meegewogen in zijn besluitvorming, terwijl het college dit wel had moeten doen in het kader van de heroverweging. Het bestreden besluit bevat daarom een gebrek. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met de toelichting van het college op zitting is namelijk niet aannemelijk geworden dat eisers door dit gebrek zijn benadeeld. De rechtbank volgt het college in zijn standpunt dat de aangiftes van de omzetbelasting alleen maar aantonen dat er geen legale werkzaamheden zijn verricht. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.3 is voldoende aannemelijk dat eiser op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht die hij had moeten melden bij het college. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.
5.5. Het standpunt van eiser dat hij niet in staat was om (fulltime) te werken in de periode vanaf 1 januari 2024 gelet op het medisch belastbaarheidsonderzoek van 17 februari 2020, volgt de rechtbank niet. Uit dit stuk komt naar voren dat er geen sprake is van een medische urenbeperking, maar er wel twijfels zijn of eiser nog wel fulltime kan werken. De verzekeringsarts adviseert om het werk geleidelijk op te bouwen, te beginnen met twee maal per week, twee uur werken per dag. Uit dit stuk volgt niet dat eiser niet in staat was om te werken in de periode vanaf 1 januari 2024. Eiser heeft op zitting ook bevestigd dat hij eerder twee uur per dag kon werken.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Het college moet wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Dit omdat er sprake is van een gebrek in de bezwaarfase en artikel 6:22 van de Awb is toegepast. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 53, - aan eisers moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17 van de PW.
Artikel 54, derde lid, van de PW.
Gelet op artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646. - - - ## Voetnoten