Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:3049 - Rechtbank Amsterdam - 9 april 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:3049•9 april 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3581
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Tweede Kamer der Staten-Generaal, verweerder
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van verweerder op eisers verzoek om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo).
- Bij besluit van 1 februari 2024 heeft verweerder het Woo-verzoek afgewezen.
- Partijen hebben ingestemd met direct beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft in die procedure op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. C.A. Gelijnse.
- Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak AMS 24/1631, maar de zaken zijn na de behandeling ter zitting weer gesplitst.
Wat aan deze procedure voorafging
Achtergrond
- Op 28 september 2022 hebben het Presidium en de Griffier van de Tweede Kamer gezamenlijk besloten tot het instellen van een extern onafhankelijk feitenonderzoek naar [functie] [naam] naar aanleiding van twee ontvangen anonieme brieven. In deze brieven werd melding gedaan van concrete en duidelijke signalen dat voor ambtenaren werkzaam bij verweerder (mogelijk) sprake is (geweest) van een zeer onveilige werkomgeving. Dit feitenonderzoek is uitgevoerd door onafhankelijk onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] .
6.1. Op 31 oktober 2023 is een samenvatting van het door [onderzoeksbureau] opgestelde rapport (het Rapport) integraal toegestuurd aan de leden van de Tweede Kamer. Deze samenvatting is hierdoor openbaar. Het rapport zelf is vertrouwelijk en niet door verweerder openbaar gemaakt.
Woo-verzoek
- Eiser heeft op 19 december 2023 een Woo-verzoek ingediend bij verweerder tot toezending van een kopie van dit rapport. Verweerder heeft dit met haar besluit van 1 februari 2024 integraal geweigerd.
7.1. Eiser heeft hier op 14 februari 2024 bezwaar tegen gemaakt. Vervolgens heeft eiser op 3 maart 2024 akkoord gegeven op een rechtstreeks beroep bij de rechtbank. Verweerder heeft vervolgens op 6 maart 2024 het bezwaarschrift van eiser doorgestuurd naar de rechtbank als zijnde een rechtstreeks beroep.[1]
7.2. Op 17 mei 2024 heeft eiser toestemming gegeven om onderhavige zaak gezamenlijk op zitting te behandelen met de zaak AMS 24/1631.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de minister op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Verweerder heeft openbaarmaking van het Rapport integraal geweigerd op grond van (a) de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de bij het feitenonderzoek betrokken personen
[2] en (b) het goed functioneren van de Tweede Kamer[3] , meer specifiek het goed functioneren van de Tweede Kamer als werkgever. Hierbij is volgens verweerder ook van belang dat verweerder voordat het Rapport is opgesteld aan de gesprekpartners van het onderzoek de expliciete toezegging heeft gedaan dat het Rapport niet (voor eenieder) openbaar zal worden gemaakt.
- De rechtbank heeft kennisgenomen van het volledige Rapport en is van oordeel dat verweerder het Rapport niet zonder nadere motivering integraal had mogen weigeren. Het beroep is daarmee gegrond. De rechtbank zal hieronder per weigeringsgrond toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Persoonlijke levenssfeer
- Met betrekking tot de herleidbaarheid naar personen, is de rechtbank van oordeel dat de hoofdstukken 2 en 3 van het Rapport zodanig concreet zijn dat de inhoud van het Rapport herleidbaar is naar specifieke situaties en daardoor ook mogelijk naar de daarbij betrokken zijnde personen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de Tweede Kamer een (relatief) klein overheidsorgaan is, waar zo'n 700 mensen intensief met elkaar samenwerken. Ondanks dat het Rapport geen namen bevat, is het aannemelijk dat derden op basis van de beschreven situaties zonder onevenredige inspanning kunnen achterhalen wie bij deze situaties betrokken waren of wie aan het feitenonderzoek hebben deelgenomen.
11.1. De door eiser aangevoerde stelling dat de herleidbaarheid niet bestaat of kan worden verminderd door middel van bijvoorbeeld het weglakken van data of locaties volgt de rechtbank niet. Het Rapport is dusdanig concreet, waardoor zelfs als deze onderdelen zouden worden gelakt, ze alsnog naar de betrokken gesprekspartner zouden kunnen leiden.
11.2. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Verweerder mocht op deze grond dus de openbaarmaking van de hoofdstukken 2 en 3 van het Rapport weigeren. Dit geldt echter niet voor hoofdstuk 1 van het Rapport, nu hierin geen situaties staan beschreven die tot de persoon herleidbaar zijn en daarmee persoonsgegevens bevatten.
Functioneren van de Tweede Kamer als werkgever
- Het Rapport is daarnaast integraal geweigerd op de grond dat het functioneren van de Tweede Kamer als werkgever in het geding zou komen. Verweerder stelt dat als het Rapport openbaar wordt gemaakt, in de toekomst gedupeerden van een mogelijk onveilige (sociale) werkomgeving huiveriger zullen zijn om mee te werken aan een onderzoek. Verweerder heeft namelijk vooraf aan de gesprekspartners toegezegd dat het Rapport niet openbaar zal worden gemaakt, wat zij mogelijk hebben betrokken bij hun beslissing deel te nemen aan het onderzoek.
12.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze weigeringsgrond voor de hoofdstukken 2 en 3 van het Rapport in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd. Bovendien mocht openbaarmaking van deze hoofdstukken zoals hiervoor beschreven ook al geweigerd worden op basis van artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo.
12.2. Voor wat betreft hoofdstuk 1, waar onder meer de onderzoeksopzet en het plan van aanpak van het Rapport uiteen is gezet, is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van dit hoofdstuk van het Rapport daadwerkelijk het vertrouwen van de gesprekspartners schendt. De informatie in dat hoofdstuk is immers vooral feitelijk en planmatig van aard. Hierdoor is niet aannemelijk dat bij openbaarmaking van dit specifieke hoofdstuk het goed functioneren van de Tweede Kamer als werkgever in het geding komt. Het vertrouwen van de gesprekspartners valt te koppelen aan de door hen gedane uitspraken en de situatieschetsen, maar ziet niet op de onderzoeksopzet van het Rapport. De toegepaste weigeringsgronden kunnen de weigering tot openbaarmaking van hoofdstuk 1 van het Rapport dus niet dragen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen in stand te laten. Het is aan verweerder om de stukken nader te beoordelen en te motiveren, waarin verweerder bovenstaande in ogenschouw dient te nemen.
- De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken. Deze termijn gaat lopen nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
- Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht vergoeden. Er is geen sprake van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzitter, en mr. L.Z. Achouak el Idrissi, en mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 7:1a, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 5.1, tweede lid, onder e, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, onder i, van de Woo. - - - ## Voetnoten