Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2025:10754 - Rechtbank Amsterdam - 24 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2025:10754•24 december 2025
Uitspraak inhoud
Parketnummer: 13-258764-25
Datum uitspraak: 24 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 14 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 september 2025 door het Amtsgericht Oberhausen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] Moldavië op [geboortedag] 1991,
zonder vaste woon - of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieadres],
hierna 'de opgeëiste persoon'.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense en de Moldavische nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is op welke beslissing het EAB is gebaseerd en verzoekt de rechtbank hierover nadere vragen te stellen. In de aanvullende informatie van 13 november 2025 wordt namelijk gezegd dat het EAB is gebaseerd op het vonnis van 9 september 2025 terwijl in de aanvullende informatie van 27 november 2025 is vermeld dat het EAB is gebaseerd op het vonnis van 23 september 2022.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de grondslag van het EAB duidelijk is. Het EAB is gebaseerd op het vonnis van 23 september 2022. De voorwaardelijke opschorting is vervolgens bij beslissing van 27 mei 2025 herroepen, waarmee de straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB in rubriek b) als grondslag een vonnis van het 'Amtsgericht' Oberhausen van 23 september 2022 met dossiernummer 20 Ls 29/22 vermeldt. Verder blijkt uit het EAB dat bij beslissing van het 'Amtsgericht' Oberhausen van 27 mei 2025 de voorwaardelijke opschorting, zoals bevolen in het vonnis van 23 september 2022, is herroepen.
In de aanvullende informatie van 13 november 2025 wordt weliswaar een vonnis van
9 september 2025 genoemd, maar later wordt in de aanvullende informatie van 27 november 2025 bevestigd dat het EAB gebaseerd is op het vonnis van 23 september 2022. De rechtbank oordeelt dat in de aanvullende informatie van 13 november 2025 sprake is geweest van een kennelijke verschrijving en ziet daarom geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Daarvan resteert volgens het EAB nog twee jaar, verminderd met de voorlopige hechtenis van 24 mei 2022 tot 23 september 2022. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.[3]
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de omzettingsbeslissing van 27 mei 2025 getoetst moet worden aan artikel 12 OLW. Er is namelijk een mogelijkheid geweest om verweer te voeren en hoger beroep in te stellen, maar daar heeft de opgeëiste persoon geen gebruik van kunnen maken, omdat hij niet op de hoogte was van de zitting, aldus de raadsman. Nu de opgeëiste persoon niet wist van de omzettingsprocedure en daar ook niet aanwezig is geweest, zoals blijkt uit de aanvullende informatie van 4 december 2025, is de opgeëiste persoon in zijn verdedigingsrechten geschaad. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat nadere garanties moeten worden gevraagd of de opgeëiste persoon, na overlevering, het recht heeft om de omzettingsbeslissing opnieuw aan een rechtbank voor te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Alleen het vonnis van 23 september 2022 en het triggerende vonnis van 18 april 2024 moeten worden getoetst aan artikel 12 OLW. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon bij beide procedures in persoon aanwezig is geweest, waardoor artikel 12 OLW niet van toepassing is. De herroepingsbeslissing van 27 mei 2025 valt volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW en hoeft dus niet getoetst te worden.[4]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van het EAB vast dat de straf van het vonnis van 23 september 2022 met dossiernummer 20 Ls 29/22 aanvankelijk in voorwaardelijke vorm is opgelegd en dat de tenuitvoerlegging van de straf is opgeschort. Vervolgens is de opschorting opgeheven bij beslissing van het 'Amtsgericht' Oberhausen van 27 mei 2025 en is de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit de aanvullende informatie van 13 november 2025 blijkt dat de hierboven genoemde omzettingsbeslissing getriggerdis omdat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor een nieuw strafbaar feit bij het vonnis van 18 april 2024 van het Amtsgericht Oberhausen.
Uit het arrest van het HvJ EU van 23 maart 2023[5] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 27 mei 2025 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.[6] De rechtbank zal daarom het vonnis van
23 september 2022 met dossiernummer 20 Ls 29/22 en het vonnis van 18 april 2024 met dossiernummer 2a Ls 2020 Js 73532/23 toetsen aan artikel 12 OLW.
Ten aanzien van het vonnis van het Amtsgericht Oberhausen van
23 september 2022 met dossiernummer 20 Ls 29/22 vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet aan de orde.
Ten aanzien van het triggerende vonnis van het Amtsgericht Oberhausen van 18 april 2024 met dossiernummer 2a Ls 2020 Js 73532/23 blijkt uit de aanvullende informatie van
27 november 2025 en 4 december 2025 dat de opgeëiste persoon ook in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom ook ten aanzien van deze beslissing niet aan de orde.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De rechtbank ziet daarom ook geen reden om nadere garanties op te vragen en verwerpt het verweer van de raadsman.
5 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
Artikelen 57 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Oberhausen, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punten 53-54).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53. - - - ## Voetnoten