Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:10571 - Rechtbank Amsterdam - 31 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:1057131 december 2025

Uitspraak inhoud

Parketnummer: 13-242410-25
Datum uitspraak: 31 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 27 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 augustus 2025 door het Kantongerecht (*Amtsgericht)*Kleve, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [gebooorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna 'de opgeëiste persoon'.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.J. Nierop, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel met het oog op voorarrest uitgevaardigd door het Kantongerecht (Amtsgericht) Kleve op 25 oktober 2023, met dossiernummer 10 Gs 1853/23 (305 Js 426/21).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.[3]

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.[4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Staatsanwältin bij de Staatsanwaltschaft Kleve heeft op 31 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
"Er wordt verzekerd dat de vervolgde persoon, [de opgeëiste persoon] , in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland in aansluiting aan de Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 voor de verdere tenuitvoerlegging van de straaf[sic] naar de Nederlanden terug zal worden gebracht."
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar de zaak van een andere cliënt van de raadsman – op het standpunt gesteld dat onvoldoende vertrouwd kan worden op de terugkeergarantie nu deze effectiviteit mist, gelet op de lange duur van de feitelijke strafoverdracht door Duitsland. De overlevering moet daarom worden geweigerd, dan wel moet de uitvaardigende justitiële autoriteit om nadere informatie worden gevraagd over hoe snel zij aan de terugkeergarantie gevolg kan geven.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de terugkeergarantie.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de op 31 oktober 2025 verstrekte terugkeergarantie voldoende is. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet ervan uit worden gegaan dat wanneer een terugkeergarantie wordt afgegeven deze ook wordt nagekomen. De door de raadsman aangehaalde zaak en daarover door hem verstrekte informatie maakt dit niet anders, alleen al omdat in die zaak de Duitse autoriteiten meewerken aan de overdracht van de straf aan Nederland. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

6 Schorsingsverzoek

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om na uitspraak de overleveringsdetentie te schorsen, omdat gelet op de openstaande strafzaken van de opgeëiste persoon in Nederland, sprake is van een langdurig beletsel voor de feitelijke overlevering, terwijl het vluchtgevaar nihil is.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek van de raadsman, nu schorsing na uitspraak slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van de overleveringsdetentie tot aan de feitelijke overlevering af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Kantongerecht (*Amtsgericht)*Kleve, Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
WIJST AFhet verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie tot aan het moment van feitelijke overlevering.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d'arrêt européen à l'encontre d'un ressortissant d'un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. - - - ## Voetnoten
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d'arrêt européen à l'encontre d'un ressortissant d'un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.