Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2024:8929 - Rechtbank Amsterdam - 14 juni 2024

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2024:892914 juni 2024

Uitspraak inhoud

vonnis
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/750975 / KG ZA 24-415 MdV/MB
Vonnis in kort geding van 14 juni 2024(bij vervroeging)
in de zaak van
de stichting
STICHTING HERSTEL OOSTERPARK,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres bij dagvaarding van 24 mei 2024,
advocaat mr. A.J.F. de Jager te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. A. Berends te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de Stichting en de Gemeente worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 7 juni 2024 heeft de Stichting de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De Gemeente heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren aanwezig: - aan de kant van de Stichting: prof. dr. J. de Boer (hoogleraar milieuchemie en toxicologie), [naam 1] (voorzitter) en mr. De Jager; - aan de kant van de Gemeente: [naam 2] en [naam 3] (Omgevingsdienst),
[naam 4] (GGD), [naam 5] (stadsdeelbestuur), [naam 6] (adviseur bodem) en mr. Berends.
Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. De Stichting is opgericht in 2016 en heeft (voor zover van belang) de navolgende statutaire doelstelling:
het beschermen, bevorderen en onderzoeken van de gezondheid van de bezoekers van het Oosterpark en het onderzoeken en eventueel vaststellen van gezondheidsproblemen bij bezoekers van het Oosterpark (…)
2.2. De Gemeente heeft vanaf 2012 herinrichtingswerkzaamheden uitgevoerd in het Oosterpark te Amsterdam (hierna ook: het park). In 2019 heeft de Stichting een zwartboek gepresenteerd over deze herinrichtingswerkzaamheden. Hoofdstuk 3.10 van het zwartboek gaat over de 'bodemverontreiniging in het Oosterpark.'
2.3. In 2012, 2015 en 2017 zijn rapporten opgesteld naar aanleiding van bodemonderzoek in het park.
2.4. De Stichting heeft aangedrongen op een uitvoeriger onderzoek naar de gesteldheid van de bodem in het park.
2.5. Op 4 december 2019 is in opdracht van de Stichting onderzoek uitgevoerd door IDDS Milieu B.V. (IDDS) op tien verschillende plaatsen in het park. Daaruit is gebleken dat op één plek het gemeten loodgehalte in de bodem 440 mg/kg.ds bedroeg en op twee plaatsen bijna 100 mg/kg.
2.6. Bij e-mail van 18 december 2019 heeft de Gemeente aan de Stichting documentatie over de bodemgesteldheid van het park toegezonden (een advies van de GGD van 5 december 2019 naar aanleiding van een onderzoek naar de loodgehaltes op speelplaatsen en een advies van de Omgevingsdienst Noordzeekanaal). De conclusie van de GGD is dat de contactlaag van de bodem niet tot nauwelijks verontreinigd is en dat er geen reden is tot het nemen van vervolgmaatregelen.
2.7. De Stichting heeft de Gemeente rapporten voorgelegd van J. Schreuder, Toxicoloog ERT, senior specialist milieu en adviseur van de Nederlandse Vereniging Toxicologie. Deze heeft bij brief van 24 januari 2020 aan de Stichting nader onderzoek geadviseerd.
2.8. Op 13 februari 2020 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de Gemeente en de Stichting. Naar aanleiding daarvan heeft de Gemeente bij brief van 27 februari 2020 haar standpunt uiteengezet en toegelicht dat de bezoekers van het Oosterpark in haar ogen geen gevaar of gezondheidsrisico's lopen en dat de Gemeente daarom geen aanleiding ziet om, na de onderzoeken die hebben plaatsgevonden, nader onderzoek te laten doen. De Gemeente haalt in haar brief adviezen aan van de GGD en de Omgevingsdienst, die ook tot die conclusie zijn gekomen. De Gemeente licht dat in deze brief onder meer als volgt toe:
De GGD concludeert in haar advies:
Op grond van de (vele) beschikbare onderzoeken is de conclusie dat de toplaag van een groot deel van de bodem van het Oosterpark schoon is en een loodgehalte heeft dat ligt op het niveau van de streefwaarde van 100 mg/kg. De openbare speelplekken van kinderen zijn alle drie schoon. Op een beperkt aantal plaatsen is een verontreiniging gevonden tussen 100 en 390 mg/kg. Deze plekken zijn geen vaste speelplekken van kinderen en over het algemeen bedekt met gras. Er is een plek gevonden met een gehalte van 440 mg/kg. Dat is een enkele plek in een niet voor spelen bestemd grasperk waarvan de bovenste 20 centimeter gemiddeld schoon is. De conclusie is dan ook dat in het gehele Oosterpark kinderen kunnen spelen en mensen kunnen recreëren zonder risico op gezondheidsschade door bodemverontreiniging.
De Omgevingsdienst concludeert op haar beurt in haar advies:
De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied ziet (…) geen gezondheidsrisico's voor bezoekers (met name kinderen) van het Oosterpark door de aanwezigheid van lood in de bodem, zoals weergegeven in de dagvaarding en de bijbehorende producties. De toplaag van het park is slechts licht verontreinigd met lood. De gemiddelde waarde schommelt rond de 100 mg/kg. Bij deze waarden zijn er geen gezondheidsrisico's te verwachten. Dit blijkt uit bodemonderzoeken die in de laatste 8 jaar zijn uitgevoerd. Het gemiddelde gehalte ligt ruim onder de grenswaarde van 800 mg/kg voor lood, die de gemeente gebruikt als maximale waarde waarbij gezondheidsrisico's voor bezoekers kunnen optreden in een stadspark als het Oosterpark, ofwel een locatie met de bodemfunctie 'groen met natuurwaarden'. Daarnaast is de contactlaag van de drie openbare kinderspeelplaatsen in het Oosterpark in november 2019 door de gemeente apart onderzocht op lood. De contactlaag is de bovenste 20 centimeter van de bodem waarmee een kind direct in aanraking kan komen bij het spelen. Uit het kinderspeelplaatsonderzoek blijkt dat het loodgehalte in de contactlaag onder de
grenswaarde van 370 mg/kg uit de Nota Bodembeheer Amsterdam ligt voor de functie 'plaatsen waar kinderen spelen'. Onder dit gehalte zijn er geen gezondheidsrisico's voor kinderen. In de diepere ondergrond van het park komen op enkele plaatsen hogere loodgehalten voor, deze bevinden zich echter op een diepte waar geen contactmogelijkheden zijn en dat het park dus zonder gezondheidsrisico gebruikt kan worden.
2.9. IDDS heeft op 18 september 2020 een milieukundig bodemonderzoek opgeleverd. De conclusies daaruit zijn dat geen sprake is van onaanvaardbare humane risico's, wel van ecologische risico's.
2.10. In een brief aan het College van B&W van 27 juni 2023 schrijft de Kinderombudsman uit eigen beweging onderzoek te hebben gedaan naar het in de bodem van het Oosterpark aanwezige lood en de mogelijke risico's daarvan voor spelende kinderen. Haar bevindingen luiden, voor zover hier van belang, als volgt.
In grote lijnen geldt dat het risico dat een kind langdurig speelt op plekken in het Oosterpark
waar gevaarlijk veel lood in de grond zit niet bijzonder groot is. Ik acht het voorts van belang dat het Oosterpark daarin bovendien niet gevaarlijker is dan andere stadsparken in Amsterdam. Lood in de bodem komt in Amsterdam wijdverspreid voor. Om die reden heeft de gemeente reeds een bijzondere aanpak voor lood in de bodem, met speciale aandacht voor speeltuinen, parken, moestuinen en eigen tuinen.
De gemeente voert momenteel een inventarisatie uit in de parken (inclusief het Oosterpark) om te bekijken of de loodwaarden structureel te hoog zijn en of de parken veilig gebruikt kunnen worden. In de reeds onderzochte parken zijn in de toplaag loodwaarden aangetroffen, vergelijkbaar met die in het Oosterpark. De conclusie van de GGD daarover is dat er weliswaar op enkele monsterplekken hogere concentraties lood zijn aangetroffen, maar dat het niet aannemelijk is dat kinderen precies daar verblijven gedurende de volledige tijd die zij in het park doorbrengen. Daarom acht de GGD de gemiddelde concentratie een betere waarde om de risico's voor kinderen mee te bepalen. De conclusie van de GGD is dan ook op basis van de nu bekende metingen in de onderzochte parken dat
kinderen in die parken veilig kunnen spelen zonder significant risico op gezondheidsschade.
Datzelfde geldt voor het Oosterpark. Op meerdere plekken in het park is een gevaarlijke (>100 mg/kg) loodwaarde in de toplaag aangetroffen, maar het risico dat een kind langdurig op zo'n plek speelt op zo'n manier dat er grond op handen/nagels komt, waardoor oraal een gevaarlijke hoeveelheid lood binnen kan komen, is aanzienlijk kleiner. En daarmee in mijn ogen een aanvaardbaar risico. Ik beveel wel aan om bij meetpunt 1000 in het Oosterpark, dat in de buurt van het pierenbad ligt, te bekijken of de aanwezige grasmat toereikend is om het lood in de grond te houden en niet makkelijk tussen de nagels van spelende kinderen kan komen.
De Kinderombudsman beveelt de Gemeente aan om (opnieuw) aandacht te besteden aan de voorlichting van ouders van (jonge) kinderen over het algemeen in Amsterdam aanwezige lood in de bodem en aan de te nemen voorzorgsmaatregelen om te voorkomen dat kinderen daardoor oraal lood binnenkrijgen bij het buitenspelen (zoals: alleen graven in officiële zandbakken, niet de natuur, regelmatig handen te wassen en de nagels kort houden).
2.11. In opdracht van de Gemeente heeft RSK Netherlands, een onafhankelijk adviesbureau (aanvullend) bodemonderzoek gedaan in het Oosterpark. Daarvan is op 25 augustus 2023 een rapport opgemaakt. De conclusie luidt als volgt:
2.12. Bij brief van 31 mei 2024 heeft de Gemeente, naar aanleiding van brieven van de Stichting van 16 februari, 15 maart en 26 maart 2024, aan de Stichting meegedeeld bij haar standpunt te blijven dat er geen aanleiding is om opnieuw nader parkbreed onderzoek te laten verrichten in het park, noch voor het afzetten van delen van het Oosterpark of het plaatsen van waarschuwingsborden, zoals door de Stichting verzocht, dan wel voor betaling van een vergoeding voor door de Stichting gemaakte kosten. In deze brief staat onder meer:
Naast toetsing aan de loodnormen, gaat de gemeente aanvullend na of de gevonden loodwaarden (ook onder de normgrenzen) tot gezondheidseffecten zouden kunnen leiden. Dit doet de gemeente tegenwoordig met behulp van de Module diffuus loodvan het RIVM. Het onderzoek dat uw Stichting heeft laten uitvoeren door IDDS heeft dat ook gedaan en komt tot dezelfde conclusie: in het Oosterpark zijn geen humane gezondheidsrisico's aanwezig. Met de Module diffuus lood wordt specifiek naar gezondheidsrisico's van jonge kinderen gekeken door het beoordelen van aandachtsgebieden. Dit zijn plaatsen met loodverontreiniging waar kinderen intensief spelen. Met de module kan voor aandachtsgebieden de blootstelling en een indicatie van de reductie aan IQ-punten worden bepaald. Volgens de module wordt per relevant deel (in dit geval de ligweide) het gemiddelde bepaald van de genomen grondmonsters. Deze module is in het onderzoek lood in grond van RSK van augustus 2023 gebruikt.
In dit onderzoek van RSK is ingezoomd op de plekken, buiten de ingerichte speelplaatsen, waar veel gerecreëerd wordt door kinderen. Dit zijn de ligweiden in het park. Het onderzoeksgebied is vastgesteld in samenspraak met de beheerder van het park. Op basis van een inspectie gedurende een warme dag van de adviseurs bodem die het onderzoek begeleiden, is het onderzoeksgebied uitgebreid. In het RSK onderzoek zijn vier aandachtsgebieden benoemd (vier ligweiden). Uit de risicobeoordeling met de Module diffuus lood kwam naar voren dat de reductie aan IQ­punten voor kinderen aanvaardbaar is bij een bezoekfrequentie van zowel 1 maal per week als 2 maal per week. Tevens is rekening gehouden met de opmerking van de kinderombudsman over het aangetroffen lood in een grasveld op enige afstand van het Pierenbad (meetpunt 1000) (…).
2.13. Bij brief van 5 juni 2024 aan de advocaat van de Stichting heeft De Boer nogmaals de risico's van hoge loodgehalten, vooral voor jonge kinderen, op een rijtje gezet. In deze brief staat dat volgens de GGD bij matige (meer dan 100 mg/kg) of bij onvoldoende (tussen 390 en 540 mg/kg) kwaliteit van de bodem in een speelplaats aan gemeenten wordt gevraagd om de blootstelling te verminderen op een natuurlijk moment, bijvoorbeeld tijdens het onderhoud aan zo'n speelplaats. De Boer concludeert dat de Gemeente dat advies moet opvolgen, en in de tussentijd waarschuwingsborden zou moeten plaatsen.

3 Het geschil

3.1. De Stichting vordert primair, naar de voorzieningenrechter begrijpt:
I. dat de Gemeente wordt geboden om binnen 30 dagen, of een andere door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, opdracht te geven tot het verrichten van een onafhankelijk parkbreed onderzoek, waarin meer in het bijzonder onderzoek zal worden gedaan naar en aanbevelingen zullen worden gedaan over het waarborgen van de veiligheid voor kinderen specifiek tegen loodvergiftiging op speelplaatsen in het park en de conclusies van dit onderzoek ommegaand na voltooiing daarvan met de Stichting te delen;
II. om binnen zeven dagen nadat het onderzoek beschikbaar is gesteld, te beginnen met de uitvoering van de daarin opgenomen aanbevelingen en die binnen bekwame tijd af te ronden;
III. de Gemeente te gebieden om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis of binnen een andere door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, passende (tijdelijke) maatregelen te nemen om de plaatsen waar kinderen spelen in het park af te schermen tot het moment waarop de veiligheid van kinderen blijkens de onder I bedoelde rapportage dan wel doordat de daarin opgenomen aanbevelingen zijn opgevolgd, is gegarandeerd.
Subsidiair vordert de Stichting om een of meer (andere voorzieningen) te treffen die de voorzieningenrechter geboden acht. Dit alles met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.
3.2. De Gemeente voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. Partijen zijn het over een paar zaken eens. Ten eerste dat bezoekers en met name kinderen geen onaanvaardbare gezondheidsrisico's moeten lopen in het park, of in welk park dan ook. Ten tweede zijn zij het erover eens dat de drie officiële kinderspeelplaatsen in het park 'schoon' zijn, dat wil zeggen dat het loodgehalte in de bodem daar lager is dan 100 mg/kg.
4.2. De Stichting is verontrust over het loodgehalte op andere plekken in de bodem van het park, met name over de risico's die dat zou opleveren voor spelende kinderen en vordert daarom dat de Gemeente opnieuw onderzoek moet doen en in de tussentijd bepaalde plekken in het park, met name de 'ligweides', ook wel 'speelweides' genoemd, moet afschermen en/of waarschuwingsborden moet plaatsen voor risico's op loodvergiftiging. De Gemeente wijst de vorderingen van de hand, onder meer omdat volgens haar de reeds verrichte onderzoeken uitwijzen dat het loodgehalte in de bodem binnen de daarvoor geldende grenzen blijft, en dat voor het afschermen van delen van het park en het plaatsen van waarschuwingsborden dus geen aanleiding bestaat, integendeel omdat dat mogelijk onnodige onrust zou veroorzaken.
4.3. Over de vraag welke loodwaarden in de bodem al dan niet acceptabel zijn verschillen partijen van mening. De Gemeente heeft verwezen naar de Circulaire Bodembescherming. Daarin is vermeld dat sanering moet plaatsvinden, indien de loodwaarden 530 mg/kg bedragen of meer. In dat geval is sprake van ernstige bodemverontreiniging. De Gemeente voert aan dat zij in de Nota Bodembeheer bij de bodemfunctie "wonen met tuin" en "plaatsen waar kinderen spelen" een lagere grenswaarde hanteert, namelijk 370 mg/kg. Uit de meest recente onderzoeken in het park blijkt dat de onderzochte plekken – ook op de ligweides – wat betreft de bovengrond in geen enkel geval boven die waarden uitkomen, maar in het algemeen tussen de 100/200 mg/kg liggen. Voor zover op een enkele plek in de ondergrond plaatselijk de interventiewaarde voor lood (van 530 mg/kg) wordt overschreden, betreft dat een immobiele verontreiniging in een diepere bodemlaag. De Stichting betwist dat op zichzelf niet, maar volgens haar is alleen een loodwaarde van maximaal 100mg/kg aanvaardbaar. Boven deze waarden is volgens de Stichting al sprake van onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Deze stelling wordt echter niet ondersteund door de inmiddels, hiervoor bij de feiten weergegeven, verrichte onafhankelijke onderzoeken, ook niet door IDDS dat zij zelf heeft ingeschakeld, noch komt deze tot uiting in de normen die momenteel worden gehanteerd door de overheid. Ook de GGD, de dienst die bij uitstek gezondheidsrisico's in de gaten houdt, is van oordeel dat kinderen veilig in het park kunnen spelen, zich daarbij baserend op de normen van het RIVM, zo is ter zitting nog uitdrukkelijk bevestigd.
4.4. Anders dan de Stichting heeft bepleit, is er dus geen grond aanwezig die de Gemeente verplicht tot het treffen van de door de Stichting gevorderde maatregelen.
De vorderingen van de Stichting worden daarom afgewezen.
4.5. Bij deze uitkomst behoeven de overige (formele) verweren van de Gemeente – zoals dat de Stichting niet ontvankelijk is, omdat zij niet representatief zou zijn, dat zij zich tot de bestuursrechter zou moeten wenden en dat een (spoedeisend) belang zou ontbreken – geen bespreking.
4.6. Als de in het ongelijk gestelde partij zal de Stichting worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2. veroordeelt de Stichting in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Gemeente begroot op:
– € 688,00 € 688,00 aan griffierecht,
– € 688,00 € 1.107,00 aan salaris advocaat
– € 688,00 € 178,00 aan nakosten,
– € 688,00 € 1.973,00 totaal,
te vermeerderen met € 92,00 en de kosten van betekening indien dit vonnis moet worden betekend,
5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.[1]
type: MB
coll: MvG - - - ## Voetnoten
type: MBcoll: MvG