Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2024:8884 - Rechtbank Amsterdam - 11 december 2024
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2024:8884•11 december 2024
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2409
[eisers] , uit [woonplaats] , eisers
( [gemachtigde eisers] ),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G. Starreveld).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de beslissing van verweerder om met terugwerkende kracht AOW
[1] toe te kennen van 1 augustus 2022 tot en met 2 december 2022.
- Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R.E. Jonen, de waarnemer van de gemachtigde van eisers, en mr. J.G. Starreveld.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt allereerst of het beroep van eisers ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
- Degene die beroep instelt, moet daarbij de gronden van het beroep vermelden.
[2] Als het beroepschrift geen beroepsgronden vermeldt, kan de rechtbank, na eiser een herstelmogelijkheid te hebben geboden, het beroep niet-ontvankelijk verklaren.[3]
- Op 22 april 2024 is namens eisers beroep ingesteld. Daarbij zijn geen beroepsgronden vermeld. Met een brief van 29 april 2024 heeft de rechtbank om de beroepsgronden gevraagd en daarbij een termijn gesteld van vier weken. Volgens deze brief is slechts in uitzonderlijke gevallen uitstel van deze termijn mogelijk. Daartoe moet een schriftelijk verzoek worden ingediend, uiterlijk een week van de gestelde termijn. De rechtbank heeft daarbij gemeld dat, als aan dit verzoek om beroepsgronden niet wordt voldaan en ook geen verzoek wordt gedaan om uitstel, de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. In reactie hierop heeft de gemachtigde van eisers met een brief van 3 mei 2024 aangegeven geen beroepsgronden te zullen aanleveren. De gemachtigde heeft de rechtbank verzocht om de bezwaargronden als in het beroepschrift overgenomen te beschouwen.
- Namens eisers zijn geen beroepsgronden opgegeven. Er is met een verwijzing naar de bezwaargronden volstaan. Verweerder is echter in de beslissing op bezwaar van 20 maart 2024 al gemotiveerd ingegaan op de bezwaargronden. In beroep is, door alleen naar de bezwaargronden te verwijzen, niet gemotiveerd uiteengezet waarom het standpunt van verweerder en de motivering daarvan onjuist zijn. Daardoor blijft in het midden waarom eisers het oneens zijn met de beslissing die juist naar aanleiding van de bezwaargronden is genomen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen het griffierecht daarom niet terug. Zij krijgen ook geen proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.A. Olsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 6:6 Awb. - - - ## Voetnoten