Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2024:1499 - Rechtbank Amsterdam - 20 maart 2024

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2024:149920 maart 2024

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 23/5286

[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres

en

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Van de Velde).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld op 11 september 2023, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 5 juli 2023.
1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.[1]
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
  1. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 5 juli 2023 op grond van de Wet open overheid (Woo). Hiermee verzoekt eiseres om alle documenten die bij [bedrijf] aanwezig zijn die betrekking hebben op een kostenraming gegeven voor het aanleggen van een eindberging. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn overschreden is. Eiseres heeft verweerder op 23 augustus 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en gegrond is.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
  1. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1 Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden kan de rechtbank een beslistermijn opleggen die langer is dan twee weken.
4.2 Verweerder stelt dat de besluitvorming is vertraagd door het hoge aantal verzoeken. Verder zijn er derden betrokken aan wie om een zienswijze moet worden gevraagd om tot een zorgvuldig besluit te komen. De beschikbare menskracht bij verweerder is beperkt. Tot slot geeft verweerder aan om uiterlijk op 23 oktober 2023 een besluit te nemen op het Woo-verzoek van eiseres.
4.3 De door verweerder genoemde termijn is inmiddels ruimschoots verstreken. Tot op heden is er nog geen besluit bekend bij de rechtbank. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden en dat verweerder nu uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen op het Woo-verzoek van eiseres.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
  1. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 50, - moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-. De rechtbank houdt bij het bepalen van de dwangsombedragen rekening met de samenhang van deze zaak met het beroep van eiseres in de zaak met zaaknummer 23/5287 tegen het Ministerie van Financiën.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1 Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank: - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 50, - moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van P.G. Ranck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. - - - ## Voetnoten
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.