Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:9090 - Rechtbank Amsterdam - 13 januari 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2023:9090•13 januari 2023•Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald
Uitspraak inhoud
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2268
(gemachtigde: mr. L.R.M. van den Brink),
en
(gemachtigde: mr. H.D. Hosper).
Procesverloop
Met het primaire besluit van 12 april 2021 heeft het college de aan eiseres in 2008 en 2009 verleende bouwvergunningen gedeeltelijk ingetrokken. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 17 maart 2022 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door haar directeur [naam 1] . Tevens zijn verschenen architect [naam 2] en makelaar beheerder [naam 3] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
- Aan eiseres zijn op 14 augustus 2008 en 22 oktober 2009 bouwvergunningen (eerste en tweede fase) verleend (verder: omgevingsvergunningen) voor het renoveren van een bestaand bedrijfsgebouw en het oprichten van een (nieuw) bedrijfsgebouw op het adres [adres] in Amsterdam.
- Met een brief van 19 januari 2021 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt de omgevingsvergunningen in te trekken. Hierbij is aan eiseres de gelegenheid gegeven een zienswijze in te brengen. Op 28 januari 2021 heeft eiseres met een e-mail haar zienswijze gegeven.
- Met het primaire besluit heeft het college de omgevingsvergunningen gedeeltelijk ingetrokken. In het besluit heeft het college opgenomen dat een toezichthouder op 3 september 2020 heeft vastgesteld dat aan de eerste fase van de verleende vergunningen, het renoveren van het bestaande bedrijfsgebouw, is voldaan maar dat de tweede fase tot op heden niet is uitgevoerd. Over de intrekking heeft het college verder overwogen: "Dat betekent dat u de activiteit(en) niet meer mag uitvoeren waarvoor u de vergunningen heeft gekregen. De eerste fase van de verleende omgevingsvergunningen zijn al uitgevoerd. De intrekking is alleen bedoeld voor het oprichten van een bedrijfsgebouw op het adres [adres] ." Het college heeft zich bij de intrekking gebaseerd op artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
[1] .
- De bezwaarschriftencommissie (de commissie) heeft het college geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. De commissie heeft overwogen dat het nieuwe gebouw nog niet is gebouwd en dat het college in beginsel bevoegd was de omgevingsvergunning in te trekken. Met het nalaten eiseres te verzoeken nadere, onderbouwende stukken te overleggen, heeft het college ten onrechte niet in de belangenafweging meegenomen dat de bouwwerkzaamheden binnen (zeer) afzienbare termijn zouden aanvangen. Het primaire besluit is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbereid en het bezwaar is gegrond, aldus de commissie. De commissie heeft voorts geconcludeerd dat het college geen wezenlijk andere ruimtelijke inrichting van het projectgebied wenst dan met de ingetrokken vergunningen is vergund. Het college heeft verder niet inzichtelijk gemaakt welke energie - en/of duurzaamheidswinst valt te halen door intrekking van de vergunningen. Er is daarom geen aanleiding voor het advies het intrekkingsbesluit in stand te laten, aldus de commissie.
- Met het bestreden besluit heeft het college, in afwijking van het advies van de commissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college onderschrijft het standpunt van de commissie dat het bevoegd is de vergunningen in te trekken. Van strijd met artikel 3:2 van de Awb is volgens het college geen sprake. In het verleden is eerder geprobeerd de omgevingsvergunningen in te trekken. Eiseres kent dus de procedure en weet dat het haar verantwoordelijkheid is om alle benodigde stukken direct aan te leveren om het voorgenomen besluit af te wenden. Het project is voorgelegd aan de Omgevingsdienst die het plan heeft beoordeeld op het gebied van thermische isolatie en energiezuinigheid. Op grond van dit oordeel kan volgens het college geconcludeerd worden dat de vergunningen niet voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Er is geen bevoegdheid nadere voorwaarden aan de reeds verleende vergunningen te verbinden, aldus het college.
- Eiseres voert in beroep, samengevat, aan dat zij tijdig en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij (alsnog) binnen korte termijn (verder) van de omgevingsvergunningen gebruik zal maken. Zij heeft toegelicht dat zij dit al tijdens de zienswijzeprocedure aannemelijk heeft gemaakt en dat zij een en ander tijdens de bezwaarprocedure nader heeft onderbouwd met stukken en andere informatie. Eiseres voert verder aan dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt een zwaarder wegend belang te hebben bij intrekking van de vergunningen dan eiseres heeft bij behoud van de vergunningen. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat zij met een aantal marginale wijzigingen alsnog kan voldoen aan de huidige energie - en duurzaamheidseisen.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank stelt vast dat intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid van het college is. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Volgens vaste rechtspraak moeten bij toepassing van deze bevoegdheid alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.
[2]
- De rechtbank stelt verder vast dat de intrekking van de vergunningen enkel ziet op het oprichten van het (nieuwe) bedrijfsgebouw achter het gerenoveerde, bestaande bedrijfsgebouw. Niet in geschil is dat het college in beginsel bevoegd was om de vergunningen van eiseres in te trekken aangezien, onbetwist, feitelijk al even geen bouwwerkzaamheden werden uitgevoerd met betrekking tot de oprichting van dat bedrijfsgebouw. Wel in geschil is of het college in redelijkheid van die bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft mogen maken.
- Volgens eiseres zou op korte termijn met de feitelijke (bouw)werkzaamheden worden gestart. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres verschillende stukken overgelegd. Daaruit volgt dat eiseres op 30 december 2019 een aannemingsovereenkomst heeft gesloten met de nieuwe aannemer [bedrijf] en dat op 1 maart 2021 de eerste termijnbetaling aan de aannemer is voldaan. Verder blijkt uit de door eiseres ingebrachte stukken dat er op 27 januari 2020, 15 en 29 januari 2021, 12 februari 2021 en 12 en 26 maart 2021 bouwvergaderingen hebben plaatsgevonden, dat op 10 maart 2021 de damwanden zijn ingekocht en dat op 6 april 2021 een definitieve bouwplanning is opgesteld door de aannemer. Uit de bouwplanning volgt dat bouwwerkzaamheden zijn voorzien in het tweede kwartaal van 2021, te beginnen met het aanbrengen van de damwanden. Tot slot volgt uit de ingebrachte stukken dat de stadsdeelregisseur van [locatie] op 26 maart 2021 de bouwplaatsinrichting en het bouwveiligheidsplan heeft goedgekeurd.
- Uit het onder 9 opgesomde en de overwegingen van de commissie hierover kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat binnen afzienbare tijd en al vóór dat het college op 12 april 2021 besloot de omgevingsvergunningen in te trekken, met de (feitelijke) bouwwerkzaamheden zou worden gestart. De rechtbank wijst in dit verband nog op rechtspraak waarin is overwogen dat de omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning (wel) aannemelijk weet te maken dat hij daarvan [een bouw/omgevingsvergunning, rechtbank] alsnog binnen korte termijn gebruik zal maken, een belang vormt dat dient te worden betrokken bij de beslissing en de afweging om tot intrekking van een omgevingsvergunning over te gaan.
[3]
- Naast het hiervoor genoemde belang, heeft eiseres ook een groot financieel belang om (onverkort) van de vergunningen gebruik te kunnen maken. Eiseres heeft immers de eerste factuur aan [bedrijf] al betaald, leges - en architectkosten voldaan, meerdere materialen ingekocht en eiseres betaalt rente over de financiering bij [bank] .
- Het belang van het college bij intrekking van de vergunningen is gelegen in de omstandigheid dat voldaan moet worden aan de energie - en duurzaamheidsvereisten van het Bouwbesluit 2012. De bouwplannen van eiseres voldoen hier volgens het college niet aan.
- De rechtbank overweegt dat eiseres ook juist een energiezuinig pand wil realiseren. Dit is ook vastgesteld door de commissie. Tijdens de hoorzitting bij het college is onder meer afgesproken dat het college binnen twee weken aan eiseres inzichtelijk zou maken aan welke eisen eiseres zou moeten voldoen. Het college heeft er vervolgens van afgezien eiseres nader te informeren. Desondanks heeft eiseres initiatief getoond door in beroep (ook) een deskundige in te schakelen en heeft zij met aangepaste bouwtekeningen en een zogenoemde "Beng berekening" onderbouwd dat aan de duurzaamheidsvereisten van het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan. Het college heeft zich bereid getoond een oplossing te zoeken met betrekking tot de verduurzaming van het bedrijfsgebouw en heeft het aangepaste bouwplan aan de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving voorgelegd. Die afdeling heeft laten weten dat het bouwplan niet meer past in de oude vergunningen omdat het uitgaat van een vergroting van het aantal bouwlagen. De gemachtigde van het college heeft op zitting toegegeven dat daarmee is miskend dat het college zelf in 2010 een vergunning aan eiseres heeft verleend voor een extra bouwlaag.
- De rechtbank is van oordeel dat eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij binnen korte termijn zou beginnen met de (feitelijke) bouwwerkzaamheden. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college het (financiële) belang van eiseres om van de vergunningen gebruik te kunnen maken zwaarder had moeten laten wegen dan het belang van het college bij intrekking van de vergunningen, te meer nu het belang van het college (een bedrijfspand dat voldoet aan de energie - en duurzaamheidseisen van het Bouwbesluit 2012) ook door eiseres wordt nagestreefd. Gelet op al het voorgaande heeft het college in redelijkheid dan ook geen gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de vergunningen in te trekken.
- Eiseres had nog aangekondigd eventueel een verzoek om schadevergoeding in te dienen en later nog een schadebegroting in de procedure te brengen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat naar aanleiding van de uitkomst in deze procedure eventueel een verzoek om schadevergoeding zal worden ingediend. Een dergelijk verzoek ligt in deze procedure dus niet voor.
- Het beroep van eiseres is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om het primaire besluit te herroepen omdat hieraan dezelfde gebreken kleven als aan het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt verder dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
- De rechtbank veroordeelt het college tot slot in de door eiseres gemaakte kosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.348, - (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 837, - en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Adam, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Dit artikel luidt: het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1399.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3583. - - - ## Voetnoten