Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:8503 - Rechtbank Amsterdam - 25 oktober 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2023:850325 oktober 2023

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 22/5134

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,

en

[eiser] , te Amsterdam, eiser,

hierna te noemen: eisers
en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Doets).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aanpassing van de vergoeding van de toevoeging [nummer] .
1.1. Bij besluit van 2 juli 2021 heeft verweerder een vergoeding van zes punten toegekend voor de toevoeging. Na twee verzoeken om herziening van eiseres heeft verweerder bij besluiten van 30 september 2021 en 19 november 2021 een vergoeding van in totaal twaalf punten toegekend.
1.2. Bij besluit van 6 mei 2022 heeft verweerder deze vergoeding aangepast omdat op de zitting van 5 maart 2021 volgens verweerder geen sprake was van een inhoudelijke behandeling. Bij het bestreden besluit van 13 september 2022 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt in deze zaak de aanpassing van de vergoeding van de toevoeging [nummer] waarbij de zittingstoeslag van eiseres voor de zitting van 5 maart 2021 is verwijderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
  1. De rechtbank verklaart het beroep van eiser niet ontvankelijk en het beroep van eiseres ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van eiser
  1. Eiseres heeft aangevoerd dat eiser belanghebbende is in deze procedure. Zij heeft op zitting gesteld dat het van belang is dat ook zittingen zoals die van 5 maart 2021 vergoed worden, omdat anders in het vervolg advocaten niet naar dergelijke zittingen zullen gaan en hun cliënten daarvoor zullen verwijzen naar de strafrechtwinkel. Dit zal volgens eiseres een negatieve invloed hebben op rechtszoekenden in het algemeen en daarmee dus ook op eiser.
4.1. De rechtbank volgt dit standpunt van eiseres niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling[1] volgt dat bij een besluit inzake vergoeding enkel de toegevoegde rechtsbijstandverlener belanghebbende is.[2] Hierin is bepaald dat de aanvraag tot vaststelling van de vergoeding wordt ingediend door de rechtsbijstandverlener. Het besluit op een dergelijke aanvraag betreft uitsluitend het belang van de rechtsbijstandverlener en slechts hij is hierbij belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb[3]. Daarnaast stelt de rechtbank ook vast dat de werkzaamheden voor eiser al zijn verricht door eiseres en dat de vraag of eiseres hiervoor vergoed wordt dus geen financiële of andere gevolgen heeft op eiser, waardoor eiser dus geen direct belang heeft bij deze procedure. De vraag of de afwijzing eventueel een negatieve invloed kan hebben op rechtszoekenden in het algemeen doet daar niets aan af. Het beroep van eiser is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep van eiseres
Inhoudelijke behandeling van de zitting
  1. Eiseres voert aan dat de motivering op grond waarvan verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is geweest van een inhoudelijke zitting op 5 maart 2021 tekort schiet. Eiseres miskent niet dat op grond van artikel 18 van de Bvr[4] geen sprake is van een inhoudelijke zitting, als de zitting wordt aangehouden omdat de verdachte niet is aangevoerd. Eiseres meent echter dat in dit geval afgeweken had moeten worden van het beleid. Op de zitting van 5 maart 2021 is weliswaar geconstateerd dat eiser niet is aangevoerd, maar vervolgens zijn alle betrokken partijen (het Openbaar Ministerie, de Jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming, de Jeugdreclassering en de moeder van eiser) uitgebreid aan het woord gekomen om zich uit te laten over de wenselijkheid van de aanhouding en de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser is namelijk een zeer jeugdige verdachte, die al geruime tijd in voorlopige hechtenis zat. Uit het feit dat vervolgens binnen vijf dagen aan nadere zitting is gepland, blijkt volgens eiseres dat er wel degelijk sprake is geweest van een inhoudelijk zitting. Om deze reden heeft verweerder volgens eiseres ten onrechte de zittingstoeslag verwijderd.
5.1. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de zitting van 5 maart 2021 niet aan te merken is als een inhoudelijke zitting. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat de persoonlijke omstandigheden van eiser op de zitting besproken zijn. Dit blijkt namelijk niet uit het overgelegde proces-verbaal van de zitting. Daarin staat namelijk het volgende: "De voorzitter deelt mede dat verdachte niet is aangevoerd en dat de zitting derhalve geen
doorgang kan vinden. Vervolgens deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 10 maart 2021 te 14:15 uur." Hieruit blijkt dus niet dat sprake was van een inhoudelijke behandeling en dat het bestreden besluit om die reden een motiveringsgebrek bevat.
Het verzoek om aanhouding
  1. Eiseres heeft op de zitting een verzoek om aanhouding gedaan om de aantekeningen van de zitting van 5 maart 2021 op te vragen bij de griffier ter onderbouwing van het standpunt dat er wel degelijk een inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden.
6.1. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van eiseres af. De rechtbank constateert dat het primaire besluit dateert van 6 mei 2022 en het bestreden besluit van 13 september 2022. Vanaf het primaire besluit is het geschilpunt geweest of de zitting van 5 maart 2021 aangemerkt moet worden als een inhoudelijke zitting. Eiseres is dus al vanaf die datum in de gelegenheid geweest om met stukken te komen om haar standpunt te onderbouwen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het aanhoudingsverzoek te honoreren.
Gelijkheidsbeginsel
  1. Op de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat er een schending is van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres stelt dat een vergelijkbare situatie zich eerder heeft voorgedaan[5]. In die zaak was er sprake van een zitting die is aangehouden wegens het niet verschijnen van een cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van 13 september 2021. In die zaak heeft verweerder beoordeeld dat een zitting die is aangehouden in verband met het niet verschijnen van de verdachte, maar waar wel de persoonlijke omstandigheden zijn besproken aangemerkt moet worden als een inhoudelijke zitting.[6] Ondanks dat sprake is van een geheel vergelijkbare situatie, is verweerder tot een ander oordeel gekomen.
7.1. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen. Er is namelijk geen sprake van gelijke gevallen. Uit het proces-verbaal van die zaak blijkt namelijk dat wel een inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden, terwijl dat niet uit het proces-verbaal van de zitting van eiseres volgt.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep van eiser is niet ontvankelijk, omdat hij geen belanghebbende is bij deze procedure. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dat betekent dat verweerder één keer een zittingstoeslag in mindering mocht brengen voor de zitting van 5 maart 2021. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk; en, - verklaart het beroep van eiseres ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1970.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.
In de zaak met toevoegingsnummer 4OV1003.
Parketnummers: 13/039571-20, 13/262585-19 en 13/177880-20. - - - ## Voetnoten
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1970.
Algemene wet bestuursrecht.
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.
In de zaak met toevoegingsnummer 4OV1003.
Parketnummers: 13/039571-20, 13/262585-19 en 13/177880-20.