Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:5461 - Rechtbank Amsterdam - 24 augustus 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2023:546124 augustus 2023

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/153193-23
Datum uitspraak: 24 augustus 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 26 juni 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).[1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2023 door de rechtbank in Sønderborg, Denemarken, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Denemarken) op [geboortedatum] 1994,
zonder vaste woon - of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in PI [plaats detentie] ,
hierna 'de opgeëiste persoon'.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 10 augustus 2023 in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.J. van Dam, advocaat in Gouda, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.[2]

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij burger van Bosnië-Herzegovina is.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 17 februari 2023 van de rechtbank in Sønderborg (K01-1092/2023).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Deens recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.[3]
3.1 Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet voldoet aan het vereiste van artikel 2, tweede lid onder e, OLW. De feitomschrijving is te summier om vast te kunnen stellen waarvoor de overlevering wordt verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, OLW is voldaan. Het EAB vermeldt een omschrijving van het feit, de datum waarop dit zou zijn begaan, de hoeveelheid verdovende middelen die zouden zijn ingevoerd en de rol die de opgeëiste persoon bij dit feit zou hebben gehad. Dat is voldoende informatie om het verzoek tot overlevering te kunnen beoordelen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB aan de genoemde eisen voldoet. Uit de feitomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht dat hij een medeverdachte op 28 mei 2022 drie kilogram cocaïne Denemarken heeft laten invoeren. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsvrouw.

4 Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Denemarken een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit, anders dan de OLW vereist, niet tijdens het verhoor ter zitting aangetoond.
De onschuldbewering leidt alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.[4]

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechtbank in Sønderborg (Denemarken) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. J. van Zijl en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. I. van Heusden, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 augustus 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340. - - - ## Voetnoten
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.