Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:5335 - Rechtbank Amsterdam - 13 juli 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2023:533513 juli 2023

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/3867

[eiser] , uit Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. F. Spieker),
en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. K.W. Hau).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] [naam 2] uit Hoofddorp.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toewijzing van de aanvraag van de derde-partij (hierna: de moeder) om geslachtsnaamswijzing van hun dochter van [naam 1] naar [naam 2] .
1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2022 toegewezen. Met het bestreden besluit van 30 juni 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de toewijzing van de aanvraag gebleven.
1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en de moeder. Tevens is verschenen de partner van de moeder, [belanghebbende] .

Totstandkoming van het besluit

  1. Eiser en de moeder zijn de ouders van hun minderjarige dochter [naam kind] , geboren op [geboortedatum] 2014. De moeder heeft het gezag over [naam kind] . [naam kind] woont vanaf 26 september 2016 bij de moeder en haar partner [belanghebbende] De moeder heeft op
29 september 2021 een aanvraag ingediend om de geslachtsnaam van [naam kind] te veranderen van [naam 1] naar [naam 2] .
  1. Met het primaire besluit van 14 maart 2022 is de aanvraag toegewezen, omdat aan alle formele voorwaarden voor de geslachtsnaamswijziging is voldaan.
  1. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 30 juni 2022 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder hecht meer waarde aan de omstandigheid dat [naam kind] zich door de geslachtsnaamswijziging met de overige leden van het gezin zal kunnen identificeren dan aan het belang van eiser bij handhaving van de geslachtsnaam [naam 1] .

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt de toewijzing van de aanvraag om een geslachtsnaamswijziging. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
  1. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren*.* Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
  1. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat aan de formele voorwaarden uit artikel 3, eerste en tweede lid, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (het Besluit) is voldaan. Verder heeft eiser niet in gezinsverband met [naam kind] samengeleefd, zodat ook is voldaan aan het vereiste in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van het Besluit. Het toewijzen van het verzoek om geslachtsnaamswijziging is een bevoegdheid van de minister. Beoordeeld moet daarom worden of de minister in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Bij het nemen van een beslissing om van deze bevoegdheid gebruik te maken, moet de minister alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen in aanmerking nemen.
  1. In de Nota van Toelichting bij het Besluit zijn een aantal punten vermeld die bij de beoordeling van het belang van het kind bij geslachtsnaamswijziging moeten worden meegewogen, namelijk:
  1. Eiser voert aan dat de eenheid van het gezin niet doorslaggevend moet zijn. Verscheidenheid van geslachtsnamen in gezinssituaties is namelijk niet ongewoon in Nederland. Verweerder heeft daarnaast niet onderzocht op welke manier [naam kind] de naam
[naam 2] in de praktijk gebruikt. Dat de rol van eiser momenteel beperkt is in het leven van [naam kind] komt volgens eiser ook omdat de moeder het contact met [naam kind] zo beperkt mogelijk heeft geprobeerd te houden. Eiser zou graag een grotere rol willen spelen in het leven van [naam kind] . Het is bovendien onduidelijk of [naam kind] de naamswijziging accepteert.
  1. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak[1] volgt dat als niet of nauwelijks in gezinsverband met de minderjarige is samengeleefd, er, gelet op de bedoeling van de regeling zoals neergelegd in het Besluit, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, van uitgegaan wordt dat het in het belang van de minderjarige is dat deze de naam draagt van degene met wie zij een bestendige gezinssituatie heeft.
  1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de aanvraag om geslachtsnaamswijziging kunnen toewijzen en daarbij een zwaarder belang kunnen hechten aan de eenheid van het gezin waar [naam kind] deel van uitmaakt dan aan het belang van eiser bij het behoud van de huidige geslachtsnaam. Daarbij is van belang dat [naam kind] door de moeder is geïnformeerd over haar afkomst en zij dus weet dat eiser haar vader is. Daarnaast gebruikte [naam kind] de naam al in de praktijk. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het overgelegde zwemdiploma en een schoolrapport. Eiser heeft niet in gezinsverband samengeleefd met [naam kind] . Dat eiser graag een grotere rol zou spelen in het leven van [naam kind] , leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De geslachtsnaamswijziging hoeft namelijk geen gevolgen te hebben voor de omgangsregeling en het contact dat eiser momenteel wel met zijn dochter heeft. Verder zorgt de geslachtsnaamswijziging niet voor veranderingen in de familierechtelijke betrekkingen. De rechtbank is tot slot niet gebleken van aanwijzingen dat het dragen van de naam van het gezin waarmee [naam kind] een bestendige gezinssituatie heeft, niet in haar belang zou zijn. De uitspraken van de gerechtshoven Den Haag en Leeuwarden[2] waar eiser naar verwijst, zijn hier niet van toepassing, omdat daarin sprake is van een andere situatie en een ander toetsingskader.
  1. Eiser voert verder nog aan dat [naam kind] gehoord had moeten worden op grond van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Vanaf de leeftijd van twaalf jaar wordt een kind in staat geacht om zijn of haar mening te uiten.[3] Dit betekent echter niet dat een kind jonger dan twaalf jaar, zoals [naam kind] , zijn of haar mening helemaal niet kan uiten. Volgens eiser had de minister op passende wijze in gesprek moeten gaan met [naam kind] .
  1. Uit artikel 3, vierde lid, onder c, van het Besluit volgt dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder gevraagd moet worden of hij of zij instemt met de verzochte geslachtsnaamswijziging.
  1. [naam kind] is jonger dan twaalf jaar en hoeft dus niet om instemming gevraagd te worden op grond van het Besluit. Verweerder had [naam kind] weliswaar alsnog kunnen horen, maar verweerder heeft dit te belastend geacht gezien haar jonge leeftijd (zes jaar ten tijde van de aanvraag, zeven jaar ten tijde van de besluitvorming) en gezien de familierechtelijke procedures die spelen. De rechtbank kan het standpunt van verweerder hierin volgen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [naam kind] de geslachtsnaamswijziging nog ongedaan kan maken als zij meerderjarig is.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2722.
Zie gerechtshof Den Haag, 18 november 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5621 en gerechtshof Leeuwarden, 22 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1973.
Artikel 12, eerste en tweede lid, van het IVRK. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2722.
Zie gerechtshof Den Haag, 18 november 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5621 en gerechtshof Leeuwarden, 22 maart 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW1973.
Artikel 12, eerste en tweede lid, van het IVRK.