Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:5010 - Rechtbank Amsterdam - 21 juli 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2023:5010•21 juli 2023
Formele relaties
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 22/519, 22/5526 en 22/5528
[eiser] , uit Amsterdam, eiser,
( [gem. eiser] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de vaststelling van de WOZ
[1] -waardes van zijn drie woningen op [naam gracht] in Amsterdam voor het belastingjaar 2021.
- Met een besluit van 28 februari 2021 heeft de heffingsambtenaar de waardes van de woningen vastgesteld op respectievelijk € 1.063.000,-, € 892.000, - en € 429.000,-. Met het bestreden besluit van 21 december 2021 op het bezwaar van eiser heeft de heffingsambtenaar de waardes van de woningen verlaagd naar respectievelijk € 1.012.000,-, € 865.000, - en € 418.000,-.
- De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] , namens de gemachtigde van eiser, en de heffingsambtenaar in de persoon van mr. H. Oderkerk, vergezeld door [naam] (taxateur).
Feiten
- De woningen van eiser bevinden zich in een historisch pand dat in 1899 is gebouwd. Het gaat om [adres 1] , een benedenwoning met een gebruiksoppervlakte van 135 m2 en een tuin van 4 m2, [adres 2] , een bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 109 m2 en een dakterras van 16 m2 en [adres 3] , een bovenwoning met een gebruiksoppervlakte van 47 m2 en een dakterras van 25 m2.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de WOZ-waardes van de woningen niet te hoog heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Eiser heeft op zitting zijn beroep voor de woning [adres 3] ingetrokken. Voor de andere woningen heeft eiser zijn beroep gehandhaafd.
- Op zitting heeft eiser aangevoerd dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening heeft gehouden met de gedateerde voorzieningen in de woningen. Tevens is door verweerder onvoldoende rekening gehouden met de matige isolatie. Volgens eiser had verweerder de kwaliteit en het onderhoud dan ook als 'matig' moeten kwalificeren. Eiser heeft de rechtbank verzocht om alleen een oordeel te geven over deze beroepsgronden. De overige beroepsgronden heeft eiser op zitting laten vallen.
- Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van eiser om zijn stelling aannemelijk te maken dat de voorzieningen in de woningen gedateerd zijn. De heffingsambtenaar heeft eiser onder meer op de hoorzitting verzocht om gegevens ter onderbouwing van de door hem voorgestane lagere waardes. Eiser heeft geen gegevens, zoals foto's, overgelegd waaruit de gedateerdheid van de woningen blijkt. Gelet hierop is de rechtbank al van oordeel dat de heffingsambtenaar mocht uitgaan van een gemiddeld voorzieningenniveau. Daar komt bij dat de heffingsambtenaar in het verweerschrift heeft berekend dat bij de waardering van [adres 2] rekening is gehouden met € 109.181, - aan investeringen om de woning op een gemiddeld niveau te brengen. De rechtbank stelt verder vast dat voor [adres 1] het gaat om een bedrag van € 124.650,-. De rechtbank is van oordeel dat deze bedragen ruim voldoende zijn om het door eiser gestelde verschil in kwaliteit en onderhoud tussen de woningen en de vergelijkingsobjecten te overbruggen. De woningen zijn vergeleken met vergelijkingsobjecten die omstreeks dezelfde periode zijn gebouwd. Het is aannemelijk dat het isolatieniveau bij de vergelijkingsobjecten gelijk is aan dat van eisers woningen. Een eventuele waardedrukkende invloed van het isolatieniveau kan daarom geacht worden in de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten en daarmee ook in de bepaalde waardes van de woningen te zijn verdisconteerd.
- Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de woningen niet te hoog zijn vastgesteld.
- Eiser heeft op zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
- Geschillen over de heffing van belastingen moeten binnen een redelijke termijn worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak geldt voor een uitspraak van de rechtbank dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als het totale tijdsverloop van de bezwaarfase en de berechting in eerste aanleg langer heeft geduurd dan twee jaren, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In dat laatste geval kan de rechtbank de duur van de redelijke termijn verlengen.
- Het bezwaarschrift is ingediend op 24 februari 2021 (aanvang redelijke termijn). De rechtbank had daarom uiterlijk op 24 februari 2023 uitspraak moeten doen. De rechtbank doet dit ruim vier maanden later. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn te verlengen. De heffingsambtenaar heeft ruim negen maanden over het bezwaar gedaan. De rechtbank heeft ongeveer een jaar en zes maanden over de uitspraak gedaan. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig toe te rekenen aan de heffingsambtenaar.
- Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De bestuursrechter kan dan overgaan tot veroordeling van de heffingsambtenaar tot vergoeding van deze schade.
- De rechtbank Midden-Nederland heeft op 21 december 2022
[2] een uitspraak gedaan waarin is overwogen dat het huidige systeem van forfaitair toekennen van schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn te grofmazig is, afgezet tegen het financiële belang in de zaak. De rechtbank is dat met de rechtbank Midden-Nederland eens en wil ook differentiatie toepassen. In deze zaak zijn de belangen alleen financieel van aard. Daarnaast gaat het om een eenmalige belastingaanslag voor één kalenderjaar en een waardebepaling die slechts op een tijdvak van één jaar ziet. De spanning en frustratie die de belastingplichtige ondervindt als gevolg van een procedure als deze acht de rechtbank anders dan die wordt ondervonden van een procedure over bijvoorbeeld een verblijfsvergunning of een uitkering. Het financieel belang in deze zaak is bovendien gering. In het algemeen heeft een verlaging van de WOZ-waarde in ieder geval gevolgen voor de hoogte van de aanslag onroerendezaakbelastingen en veelal ook voor de hoogte van het eigenwoningforfait en gaat het financieel belang over niet meer dan (maximaal) enkele tientallen euro's. De rechtbank vindt het aannemelijk dat dit ook geldt voor de onderhavige zaak. Uit het dossier blijkt verder niet van een meer dan geringe betrokkenheid van eiser bij de procedure, die niet bij de hoorzitting en ook niet bij de zitting aanwezig is geweest.
- Uit genoemde feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat er geen sprake is geweest van zodanige spanning en frustratie bij eiser dat daar een bedrag van meer dan
€ 50, - per half jaar (afgerond) termijnoverschrijding tegenover zou moeten staan. Gelet op de duur van de overschrijding stelt de rechtbank de hoogte van de immateriële schadevergoeding dan ook vast op € 50,-.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Omdat het beroep ongegrond is, zal de rechtbank ook het verzoek om een veroordeling in de rechtsbijstandskosten van eiser afwijzen, voor zover die bijstand is verleend voor het inhoudelijke beroep.
- Omdat de rechtbank een schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn toekent, is er in beginsel wel aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de rechtsbijstandskosten die met het oog op het verzoek om schadevergoeding zijn gemaakt.
- De gemachtigde van eiser heeft in dit geval vrijwel geen werkzaamheden hoeven te verrichten om het verzoek om immateriële schadevergoeding te laten beoordelen door de rechtbank. Het verzoek is op zitting gedaan. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat eiser een vergoeding krijgt voor zijn proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding. De beroepen van eiser moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken, omdat in deze zaken de rechtsbijstand is verleend door dezelfde gemachtigde, de zaken door de rechtbank gelijktijdig zijn behandeld en het verzoek gelijktijdig in alle zaken is gedaan. De vergoeding bedraagt € 209,25 (1 punt met een wegingsfactor 0,25) voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank past voor het mondelinge verzoek de factor 'zeer licht' toe en ziet geen aanleiding om een afzonderlijk punt toe te kennen voor de behandeling ter zitting.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van mr.N.J.A. van Eck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen door het sturen van een brief aan het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Wet waardering onroerende zaken.
De uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5547. - - - ## Voetnoten