Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:4295 - Rechtbank Amsterdam - 14 juli 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2023:429514 juli 2023Deze uitspraak wordt in 2 latere zaken aangehaald

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/3910

[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college.

Inleiding

1.1. Verzoeker heeft op 9 februari 2023 een bewonersparkeervergunning aangevraagd voor vergunninggebied Centrum-1a. Met de brief van 21 februari 2023 heeft het college aan verzoeker meegedeeld dat zijn aanvraag op de wachtlijst is geplaatst, omdat in het vergunninggebied geen parkeervergunningen meer beschikbaar zijn.
1.2. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat aan hem gedurende de bezwaarprocedure een parkeervergunning verleend wordt.
1.3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat hij een beroep kan doen op de zogenaamde spijtoptantenregeling en dat hij daarom zijn parkeervergunning direct kan terugkrijgen.
  1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft..
  1. Verzoeker voert hierover aan dat hij drie kinderen heeft (twee van zeven en één van veertien jaar oud) voor wie hij veel gebruik maakt van de auto. Hij moet nu een veelvoud aan parkeergeld betalen van de kosten van een vergunning of zijn auto in Utrecht op zijn werkadres laten staan. Wachten totdat hij via de reguliere weg weer een vergunning krijgt duurt te lang omdat dit zowel teveel onaanvaardbaar ongemak als kosten met zich meebrengt, aldus verzoeker.
  1. Verzoeker heeft niet met stukken onderbouwd dat hij in acute financiële nood verkeert en dat hij de parkeergelden niet kan betalen in de periode totdat op zijn bezwaar is beslist. Mocht verzoeker in bezwaar of beroep in het gelijk worden gesteld, dan kan hij een verzoek om schadevergoeding doen. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.

Conclusie en gevolgen

  1. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Ferdinandusse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: