Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:275 - Rechtbank Amsterdam - 25 januari 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2023:27525 januari 2023

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2033

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

( [gem. eiseres] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
( [gem. verweerder] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om haar HBO Verpleegkunde (HBO-V) opleiding te vergoeden.
Verweerder heeft deze aanvraag met een besluit van 27 oktober 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 maart 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2022 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde hebben via een digitale verbinding deelgenomen aan de zitting, de gemachtigde van verweerder was fysiek aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om haar HBO-V opleiding te vergoeden mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat aan deze procedure voorafging
  1. Eiseres is in maart 2021 gestart met een opleiding HBO-V. Deze opleiding werd betaald door haar toenmalig werkgever [naam werkgever] ( [naam werkgever] ).
  1. Eiseres heeft zich ziekgemeld op 23 augustus 2021. Als gevolg van de ziekmelding heeft verweerder eiseres een Ziektewetuitkering toegekend.
  1. Toen [naam werkgever] verkocht werd, heeft [naam werkgever] aangegeven dat het de opleiding van eiseres niet verder wil betalen. Eiseres heeft verweerder gevraagd of hij de resterende kosten van haar opleiding wil vergoeden.
  1. Een re-integratiebegeleider heeft een plan van aanpak opgesteld. Op basis daarvan heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. In het bestreden besluit is verweerder bij dit standpunt gebleven op basis van een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 februari 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert dat eiseres niet voldoet aan alle vereisten voor het toestaan van scholing. Het belangrijkste punt is dat de scholing te lang duurt. Van belang is verder dat eiseres in het verleden diverse opleidingen heeft afgerond. Aangezien eiseres met deze opleidingen ook minder fysiek zwaar werk kan verrichten en dit de kortste weg naar werk is, is dit werk passend.
Standpunt van eiseres
  1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij wel voldoet aan de voorwaarden en recht heeft op vergoeding van haar opleiding. Eiseres heeft als gevolg van reuma veel lichamelijke klachten, waardoor ze met haar huidige opleidingsniveau (MBO) geen passend werk kan vinden. De HBO-V opleiding moet hier verandering in brengen. Eiseres was al ver in haar opleiding en vindt het daarom niet meer dan logisch dat verweerder het resterende deel vergoedt. Ook heeft verweerder de primaire beoordeling gebaseerd op foutieve opleidingsgegevens. Verder had verweerder eiseres moeten informeren over de STAP[1]-regeling. Ten slotte verzoekt eiseres om een schadevergoeding.
Het oordeel van de rechtbank
  1. Op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Suwi) heeft verweerder tot taak de inschakeling in het arbeidsproces te bevorderen van personen die recht hebben op – onder meer – een uitkering op grond van de Ziektewet. Scholing kan een onderdeel zijn van de re-integratie. Om te bepalen of een verzekerde scholing nodig heeft, heeft verweerder de Beleidsregels Scholing UWV 2021 (Beleidsregels) opgesteld. In de Beleidsregels is het beleid weergegeven dat verweerder hanteert om te bepalen of een opleiding noodzakelijk is om terug te keren op de arbeidsmarkt.
  1. Volgens artikel 2 van de Beleidsregels moet sprake zijn van een noodzaak tot het volgen van de scholing. Hiervan is sprake als de scholing arbeidsmarktrelevant is, de scholing voldoet aan de maximum duur en de uitkeringsgerechtigde schoolbaar is. Volgens artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels mag de scholing maximaal één jaar duren.
  1. In geschil is of de scholing voldoet aan de maximum duur. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gaat om een opleiding van twee jaar, zodat de opleiding niet voldoet aan de maximum duur. Eiseres stelt dat verweerder alleen moet kijken naar de resterende duur van de opleiding.
  1. Niet in geschil is dat de totale duur van de opleiding langer is dan één jaar. Eiseres zou die opleiding in september 2022 afronden, maar zij heeft door de coronapandemie vertraging opgelopen. Hierdoor kan zij pas in september 2022 beginnen met afstuderen en is zij op zijn vroegst in maart 2023 klaar met haar opleiding. Ten tijde van het bestreden besluit duurt de opleiding dus nog meer dan een jaar, zodat de maximale scholingsduur ook wordt overschreden als enkel naar de resterende opleidingsduur zou worden gekeken, zoals eiseres bepleit. De rechtbank volgt daarom het standpunt van verweerder dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor scholing.
  1. Ook als niet voldaan wordt aan de maximale scholingsduur kan verweerder in individuele gevallen een langere scholingsduur toestaan.[2] Verweerder heeft bij deze bevoegdheid een zekere vrijheid. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de HBO-V opleiding niet de snelste en meest efficiënte weg naar werk is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt voldoende heeft gemotiveerd.
  1. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt waarom zij benadeeld is door het feit dat verweerder de primaire beoordeling gebaseerd heeft op foutieve opleidingsgegevens. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft deze immers in bezwaar gecorrigeerd.
  1. De gemachtigde van eiseres was goed op de hoogte van de STAP-regeling. Nog daargelaten of eiseres voor deze regeling in aanmerking komt, valt reeds daarom niet in te zien dat verweerder eiseres op de regeling had moeten wijzen.

Conclusie

  1. Verweerder mocht de aanvraag van eiseres om haar HBO-V opleiding te vergoeden afwijzen, omdat geen noodzaak tot scholing bestaat. De besluitvorming was dus rechtmatig, zodat geen reden bestaat om aan eiseres een schadevergoeding toe te kennen.
  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van 't Hoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
25 januari 2023.
uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Stimulans arbeidsmarkt positie.
Zie artikel 4, derde lid, van de Beleidsregels. - - - ## Voetnoten
Stimulans arbeidsmarkt positie.
Zie artikel 4, derde lid, van de Beleidsregels.