Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:2046 - Rechtbank Amsterdam - 31 maart 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2023:2046•31 maart 2023
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/1381
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser], te Amsterdam, eiser
(gemachtigde: mr. N. Bakker),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M.M. Jong-A-Kiem).
Inleiding
1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beperking die verweerder heeft opgelegd bij de op 23 december 2020 verleende parkeerontheffingen.
1.2. Met het bestreden besluit van 26 januari 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze beperking van de parkeerontheffing gebleven.
1.3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] namens eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [persoon 2] , handhaver van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
2.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid de beperking heeft kunnen opleggen aan de verleende parkeerontheffingen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet - en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
2.4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verweerder heeft op 23 december 2020 ten aanzien van twee voertuigen [kenteken 1] en [kenteken 2] van eiser een parkeerontheffing verleend[1] in verband met schoonmaakactiviteiten, glasbewassing, gevel - en calamiteitenreiniging. Eiser is met deze ontheffing onder meer ontheven van een parkeerverbod, een verbod om stil te staan en mag parkeren op een voet - of fietspad.
In die ontheffingen is daarbij het volgende voorschrift opgenomen:
".... U moet, tegen betaling in een parkeervak parkeren. Indien en voor zolang noodzakelijk voor de werkzaamheden mag het voertuig
ter hoogte van het
*adres staan. Voetgangers mogen nooit gehinderd worden. Doorgang moet vrij blijven ..".*
Eiser heeft verweerder verzocht om het voorschrift als volgt aan te passen:
".... U moet, tegen betaling in een parkeervak parkeren. Indien en voor zover noodzakelijk voor de werkzaamheden mag het voertuig
in de omgeving
*van het adres staan. Voetgangers mogen nooit gehinderd worden. Doorgang moet vrij blijven ..".*
Besluitvorming
- In het bestreden besluit heeft verweerder geweigerd de gewenste aanpassing in de ontheffing over te nemen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit de Beleidsregels
[2] volgt dat er een link moet zijn tussen de locatie waar de werkzaamheden worden uitgeoefend en het voertuig. Om die reden wordt met de omschrijving ter hoogte van het adres een link gelegd tussen het voertuig en de te verrichten werkzaamheden. Zou de gewenste tekst van eiser worden overgenomen dan is de connectie tussen het voertuig en de werkzaamheden verbroken zodat de RVV 1990-ontheffing niet van toepassing is.
Standpunt eiser
4.1. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Op meerdere adressen waar eiser werkt, zoals bijvoorbeeld in de Amsterdamse binnenstad, kan hij zijn voertuig eenvoudigweg niet ter hoogte van dat adres parkeren en is hij dus genoodzaakt verderop "in de omgeving" te parkeren. Parkeerplekken waarvoor betaald parkeren geldt, zijn eveneens regelmatig niet beschikbaar ter hoogte van de adressen. Hierdoor ontstaan geregeld discussies tussen eiser en handhavers van verweerder over de strekking van het voorschrift in de ontheffing, hetgeen eiser wil voorkomen. Van belang blijft echter dat voor bepaalde werkzaamheden het voertuig in de nabijheid van het werkadres staat. Verweerder gaat eraan voorbij dat eiser door dit voorschrift niet vrijelijk gebruik kan maken van de ontheffingen en dit schadelijk is voor zijn bedrijfsvoering. Eiser is zelfs genoodzaakt om een extra werknemer bij de "in de omgeving" geparkeerde auto te laten staan om handhaving te voorkomen.
Het oordeel van de rechtbank
4.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan de verleende parkeerontheffingen een beperking heeft kunnen opleggen door voor te schrijven dat ter hoogte van het adresdient te worden geparkeerd. Dit past namelijk binnen het door verweerder gevoerde beleid. Uit het beleid volgt dat de uit te voeren werkzaamheden direct verbonden moet zijn aan de auto waarvoor de ontheffing is aangevraagd. Dit is ten eerste het geval wanneer in de auto apparatuur is aangebracht die vast met het voertuig is verbonden en die in de directe omgeving van de uit te voeren werkzaamheden beschikbaar moet zijn. Ten tweede is dit het geval als de auto tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onder handbereik nodig is en waarbij niet kan worden volstaan met het laden en lossen van goederen en waarbij geen parkeerplaats in de nabije omgeving aanwezig is.[3] Het voorschrift om ter hoogte vanhet werkadres te parkeren is in het licht van de eis van deze verbondenheid van het voertuig en de werkzaamheden dan ook begrijpelijk. Eiser heeft ook zelf toegelicht dat het voor bepaalde reinigingswerkzaamheden noodzakelijk is om dicht bij het werkadres geparkeerd te staan.
4.3. Overigens maakt de rechtbank uit de uitleg van verweerder ter zitting op dat ter hoogte vanniet betekent dat de auto ook altijd precies voor het werkadres geparkeerd dient te worden. Dit zou ook wat verder kunnen zijn indien eiser de auto niet precies ter hoogte van het adres kan neerzetten. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat "ter hoogte van" betekent dat eiser in de gevallen die artikel 3.1 van de Beleidsregels noemt, de auto zo dicht mogelijk bij het adres waar hij de werkzaamheden verricht kan neerzetten. De beoordeling van een concrete situatie komt echter pas aan de orde wanneer er sprake zou zijn van handhaving, door middel van een waarschuwing of een intrekking van de ontheffing.[4] Tot nu toe is verweerder bij eiser nog niet overgegaan tot handhaving. Het is begrijpelijk dat eiser zo'n handhavingssituatie wenst te voorkomen. Het is echter de vraag of het wijzigen van de tekst ter hoogte vannaar in de omgeving vaneiser verder helpt en eventuele discussies met handhavers van verweerder zal voorkomen.
Conclusie
5.1. Het beroep is dan ook ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
5.2. Voor een proceskostenveroordeling of het vergoeden van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet - en regelgeving
- Op grond van artikel 149 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994) is verweerder – kort gezegd – bevoegd tot het verlenen van ontheffing van het bepaalde krachtens de Wvw 1994 voor andere wegen dan rijkswegen of provinciale wegen.
- In artikel 150 Wvw 1994 is bepaald dat een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 149 onder beperkingen kan worden verleend en dat daaraan voorschriften kunnen worden verbonden. In het tweede lid van het artikel staat dat het verboden is te handelen in strijd met een aan een vrijstelling of ontheffing verbonden voorschrift.
- Op grond van artikel 62 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv 1990) zijn weggebruikers verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.
- Op grond van artikel 87 van het Rvv 1990 kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend van artikel 62 voor zover het betreft de verkeerstekens C1, C2, C4, C6 tot en met C21, C22a, D2, D4 tot en met D7, E1 tot en met E3, F7 en de verkeerstekens genoemd in de artikelen 73, 76, 77, 78, 81 en 98.
- In artikel 3.1. van Beleidsregels ontheffing artikel 87 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 2019 is bepaald dat alleen wanneer het voor de uitvoering van werkzaamheden of activiteiten noodzakelijk is dat met het voertuig verkeersregels en - tekens van het RVV moeten worden overtreden, de gemeente ontheffing verleent van artikelen binnen artikel 87 RVV. Er zijn vijf categorieën van werkzaamheden en activiteiten waarvoor een ontheffing kan worden verleend, waaronder (b) bij directe verbondenheid van het voertuig aan de uit te voeren werkzaamheden. Dit is in twee gevallen aan de orde. (1) In het voertuig waarvoor ontheffing is aangevraagd is apparatuur aangebracht die vast met het voertuig is verbonden en die in de directe omgeving van de uit te voeren werkzaamheden beschikbaar moet zijn. (2) Het voertuig waarvoor ontheffing is aangevraagd is tijdens de uitvoering van de werkzaamheden onder handbereik nodig, waarbij niet kan worden volstaan met het laden en lossen van goederen en waarbij geen parkeerplaats in de nabije omgeving aanwezig is.
Op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv 1990)
Beleidsregels ontheffing artikel 87 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 2019
Artikel 3.1 van de Beleidsregels
Artikel 11 van de Beleidsregels - - - ## Voetnoten