Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:1725 - Rechtbank Amsterdam - 23 maart 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2023:1725•23 maart 2023
Uitspraak inhoud
beschikking
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/723161 / HA RK 22-327
Beschikking van 23 maart 2023
in de zaak van
1 [verzoeker 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
- [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats] ,
- [verzoeker 3],
wonende te [woonplaats] ,
- [verzoeker 4],
wonende te [woonplaats] ,
- [verzoeker 5],
wonende te [woonplaats] ,
- [verzoeker 6],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekers,
advocaat mr. H.F.C. Hoogendoorn te Amsterdam,
tegen
- de stichting
STICHTING DE MOSKEE "NASR",
gevestigd te Amsterdam,
- [verweerder 2],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 3],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 4],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 5],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 6],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 7],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 8],
wonende te [woonplaats] ,
- [verweerder 9],
wonende te [woonplaats] ,
verweerders,
advocaat mr. Z. Etemadi te Amsterdam.
Partijen worden hierna als [verzoekers] en de Stichting c.s. genoemd. Verweerster 1 en verweerders 2 t/m 9 worden hierna afzonderlijk de Stichting en de Bestuurders genoemd.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 januari 2023. De aantekeningen van de griffier en de door de raadslieden overgelegde spreekaantekeningen bevinden zich in het dossier.
1.3. Nadat partijen na de mondelinge behandeling de mogelijkheid van mediation hadden onderzocht, heeft mr. Hoogendoorn bij brief van 25 januari 2023 bericht dat [verzoekers] van die mogelijkheid geen gebruik wensen te maken en beschikking vragen.
2 De feiten
2.1. De Stichting is op 16 maart 1979 opgericht door een groep inwoners van [woonplaats] met Marokkaanse achtergrond die een eigen gebedsruimte wilde creëren. De Stichting beheert onder meer de moskee genaamd 'Nasr' gelegen aan de [adres] (hierna: de Moskee). De Moskee is één van de grootste moskeeën van [woonplaats] , met op piekmomenten tot wel 1.800 bezoekers.
2.2. De statuten van de Stichting luiden - voor zover hier relevant - als volgt:
"Artikel 2.
De stichting heeft ten doel het instandhouden van [de Moskee, rb], het geven van godsdienstonderwijs, alsmede het dienen van alle moslims bij voorkomende problemen op religieus en maatschappelijk gebied.
(..)
Artikel 4.
De stichting wordt bestuurd door een bestuur, bestaande uit ten minste zes leden. Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester. De functie van secretaris en penningmeester kunnen in één persoon worden verenigd. De penningmeester legt uiterlijk in de maand mei aan het bestuur rekening en verantwoording af van het door hem in het voorgaande boekjaar gevoerde beheer.
(..)
Artikel 6.
- Wanneer in het bestuur een vakature is ontstaan zal daarin door de overblijvende bestuursleden ten spoedigste worden voorzien door benoeming van een nieuw bestuurslid (..).
- (..) indien de overgebleven bestuursleden zouden nalaten binnen redelijke termijn in de vakature(s) te voorzien, zal die voorziening geschieden door de rechtbank op verzoek van een belanghebbende (..).
(..)
BESTUURSVERGADERINGEN.
Artikel 9.
- (..)
- De secretaris roept op tot de vergaderingen. Hij maakt van het ter vergadering besprokene en beslotene notulen op (..).
2.3. De Stichting wordt bestuurd door haar bestuur, op dit moment bestaande uit verweerders 2 t/m 9 (de Bestuurders). Op 14 maart 2022 is de heer [naam 1] na ruim 20 jaar afgetreden als voorzitter van het bestuur, en is de heer [verweerder 7] (verweerder 7) verkozen tot nieuwe voorzitter (hierna: de Voorzitter). Hij staat ook als zodanig geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. In het handelsregister is momenteel geen van de bestuursleden aangemerkt als penningmeester.
2.4. De Stichting verkrijgt haar vermogen onder meer via bijdragen van donateurs, veelal in contant geld. Periodieke bijdragen worden Shartgenoemd, eenmalige donaties of giften Sadaqah.
2.5. In april 2022 heeft een bijeenkomst in de Moskee plaatsgevonden. Daarbij heeft de Voorzitter mondeling mededelingen gedaan over de financiën van de Stichting.
2.6. In brieven van 21 december 2016, 13 oktober 2017 en 19 januari 2019, en 12 april 2022 gericht aan het bestuur van de Stichting beklaagt [verzoeker 1] zich telkens over de staat en het onderhoud van de Moskee en/of vraagt hij om opheldering over de financiële situatie van de Stichting.
2.7. Aangetekende brieven van 8 juni 2022 en 1 juli 2022 van de advocaat van [verzoekers] aan het bestuur van de Stichting houden eveneens een verzoek om opheldering over de financiën in. Het postbedrijf heeft de laatste brief retour gezonden aan [verzoekers] met de mededeling dat de zending bij aflevering is geweigerd.
2.8. Het laatste jaarverslag dat op de website van de Stichting staat, dateert uit 2016.
3 Het geschil
3.1. [verzoekers] verzoeken bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
In de hoofdzaak
bij wijze van voorlopige voorziening
- de Bestuurders voor de duur van het geding te schorsen als bestuurders;
- [verzoekers] voor de duur van het geding te benoemen als bestuurders van de Stichting en daarbij te bepalen wie er van hen als voorzitter, penningsmeester en secretaris benoemd zal worden;
- de Stichting c.s. te veroordelen in de kosten betreffende voorlopige voorzieningen.
3.2. [verzoekers] leggen het volgende aan hun verzoeken ten grondslag. [verzoekers] hebben de Bestuurders meermalen gevraagd om achterstallig onderhoud aan de Moskee te laten verrichten en om openheid van zaken over de financiële situatie van de Stichting, maar een en ander is achterwege gebleven. Hiermee is het vermoeden bevestigd dat de Bestuurders hun taak als bestuurder verwaarlozen en bestaat gerede twijfel over de wijze van bestuur en het financieel beheer van de Stichting en terechte vrees dat contant geld verdwijnt. Het vermoeden is dat de penningmeester geen (schriftelijke) rekening en verantwoording als bedoeld in artikel 4 van de statuten aflegt aan het bestuur en dat er geen notulen worden opgemaakt. De wijze van besturen door de Bestuurders impliceert schendingen van artikel 2:8, 2:9 en 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit alles kwalificeert volgens [verzoekers] als verwaarlozing en 'andere gewichtige redenen' als bedoeld in artikel 2:298 BW.
3.3. [verzoekers] erkennen dat zij het voorgaande echter niet onomstotelijk kunnen bewijzen omdat zij voor bewijs afhankelijk zijn van informatievoorziening door datzelfde bestuur, dat weigert verantwoording af te leggen. Daarom achten [verzoekers] een nader onderzoek door een aan te stellen deskundige naar de wijze van bestuur van de Stichting en het beheer van de financiën passend en geboden.
3.4. [verzoekers] verzoeken dat de Bestuurders eerst worden geschorst, en dat zij zelf als interim-bestuurder worden aangesteld. De rechtbank dient een deskundige aan te stellen, die [verzoekers] zoveel als mogelijk kunnen ondersteunen en faciliteren met als doel om diens kosten zo beperkt mogelijk te houden.
3.5. De Stichting c.s. voeren verweer.
3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1. Als meest verstrekkende verweer hebben de Stichting c.s. betoogd dat [verzoekers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun verzoek, omdat zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 2:298 BW kunnen worden aangemerkt. Zij zijn volgens de Stichting c.s. slechts gelovigen die het vrij staat in de Moskee te bidden en zij zijn kleine donateurs die incidenteel doneren (Sadaqah).
4.2. Wie in een concreet geval als belanghebbende in de zin van artikel 2:298 BW kan worden aangemerkt, dient afgeleid te worden uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre de betreffende persoon door de uitkomst van de procedure in een eigen belang kan worden getroffen of in hoeverre deze persoon anderszins zo nauw betrokken is bij het onderwerp van de procedure dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900, NJ 2018/412).
4.3. In dit geval stellen [verzoekers] dat zij allen: voor hun geloofsbelijdenis gebruik maken van de Moskee, al jaren vaste donateur zijn van de Stichting en 300 moskeebezoekers vertegenwoordigen die zich net als zij zorgen maken over de wijze van bestuur van de Stichting. Zij hebben hiertoe lijsten met verzamelde namen en handtekeningen overgelegd. De Stichting heeft betwist dat [verzoekers] frequent bezoeker van de Moskee zijn, maar hebben deze betwisting niet gemotiveerd. Ook hebben zij betwist dat [verzoekers] Shart-donateurs zijn. Deze betwisting doet evenwel niet ter zake, nu nergens in de statuten van de Stichting (of anderszins) is vastgelegd onder welke voorwaarden iemand als Shart-donateur kan worden aangemerkt en welke consequenties dit heeft.
4.4. De Stichting c.s. hebben ook nog betoogd dat het bij donaties aan een moskee steeds gaat om de relatie tussen de donateur en Allah. De donaties worden niet gedaan, en ook niet door de Stichting aanvaard, met de bedoeling die donaties aan te wenden voor de Moskee. Bij dit betoog miskent de Stichting dat zij een statutaire doelomschrijving heeft, die wel degelijk ook het doel van instandhouding van de Moskee kent.
4.5. Resumerend geldt dat moet worden aangenomen dat [verzoekers] bezoekers en donateurs van de Moskee zijn. Zoals [verzoekers] hebben toegelicht, vormt de Moskee een plek waar de geloofsgemeenschap uit de buurt samen komt en zijn [verzoekers] moskeegangers van verschillende generaties die zich betrokken voelen bij de Moskee en daar soms al vanaf de oprichting komen bidden. Uit dien hoofde zijn zij voldoende nauw betrokken bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld, te weten (kort gezegd) de deugdelijkheid van het (financiële) bestuur van de Stichting en de vraag of aanleiding bestaat om wijzigingen in het bestuur door te voeren en/of om onderzoek daarnaar te verrichten. Zij kunnen dan ook als belanghebbenden worden aangemerkt.
Artikel 2:298 BW
4.6. [verzoekers] verzoeken het onmiddellijke ontslag, althans de onmiddellijke schorsing van de Bestuurders als bestuurders van de Stichting, op grond van het bepaalde in artikel 2:298 BW.
4.7. De mogelijkheid van ontslag van een bestuurder van een stichting is bij de rechter neergelegd bij gebreke van een toezichtmogelijkheid op het bestuur door een algemene vergadering van leden (bij een vereniging) of aandeelhouders (bij een besloten of naamloze vennootschap). Het huidige artikel 2:298 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een bestuurder kan worden ontslagen a) wegens verwaarlozing van zijn taak, b) wegens andere gewichtige redenen of c) wegens ingrijpende wijziging van omstandigheden op grond waarvan het voortduren van zijn bestuurderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.
4.8. Artikel 2:298 lid 2 BW voegt daaraan toe dat de rechtbank, hangende het onderzoek, voorlopige voorzieningen in het bestuur kan treffen en de bestuurder kan schorsen.
4.9. De in artikel 2:298 lid 1 onder a BW genoemde grond van verwaarlozing van zijn taakmoet worden bezien in het perspectief van de uit artikel 2:291 lid 3 BW volgende verplichting van bestuurders om zich te richten naar het belang van de stichting en de met haar verbonden onderneming of organisatie. Schieten zij daar in meer of mindere mate in tekort, dan is sprake van taakverwaarlozing. Dit kan zich op verschillende bestuursterreinen manifesteren en daarmee is deze ontslaggrond ruimer dan het voorheen in artikel 2:298 neergelegde 'wanbeheer', dat beperkt was tot wanbeheer op financieel terrein. Andere gewichtige redenen zijn andere redenen dan taakverwaarlozing. Voorbeelden daarvan zijn een bestuurder die betrokken is geraakt in een schandaal, of als sprake is van verstoorde verhoudingen tussen bestuurders onderling (zie Asser/Rensen 2-III 2022/412).
4.10. Op grond van artikel 29 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dat dit artikel 2:298 BW (zoals dit geldt sinds 1 juli 2021) van toepassing is op feiten die na het tijdstip van de inwerkingtreding zijn voorgevallen. Dit betekent dat het handelen of nalaten van de bestuurders dient te worden beoordeeld aan de hand van de bepaling zoals die op het moment van handelen gold. Voor zover het verzoekschrift ook ziet op bestuurshandelingen die voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet hebben plaatsgevonden, moeten die worden beoordeeld aan de hand van het oude recht, toen de ontslaggronden (naast iets doen of nalaten in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten) voor zover hier relevant beperkt waren tot de situatie van 'wanbeheer'.
Ontslag?
4.11. Volgens het verzoekschrift is het verzoek van [verzoekers] ook gebaseerd op de stelling dat het bestuur achterstallig onderhoud aan de Moskee liet bestaan. De Bestuurders betwisten dat sprake is van achterstallig onderhoud. Daarop hebben [verzoekers] geen (nadere) toelichting meer gegeven en uit de overgelegde foto's blijkt onvoldoende van achterstallig onderhoud of taakverwaarlozing van het bestuur. Voor zover [verzoekers] desondanks aan deze grond van het verzoek hebben willen vasthouden, is dit onvoldoende onderbouwd.
4.12. [verzoekers] baseren hun verzoek daarnaast op het gebrek aan transparantie van de Bestuurders over hun beleid en in het bijzonder het beheer van de financiën, waardoor het vermoeden bestaat dat het bestuur de taken verwaarloost, geen inzicht heeft in de eigen financiën (artikel 2:8 BW) en sprake is van onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW). Daarnaast wordt artikel 4 van de statuten niet nageleefd, onder meer omdat er geen penningmeester is.
4.13. De rechtbank stelt het volgende voorop. De Stichting betreft een stichting van relatief beperkte omvang zonder winstoogmerk. Voor een dergelijke stichting geldt een lichter administratieregime; zo geldt bijvoorbeeld geen verplichting de jaarrekening te deponeren. Verder is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de Stichting voor haar bestuur afhankelijk is van vrijwilligers. Anderzijds zijn de jaarlijkse donaties niet gering en beschikt de Stichting over een behoorlijk vermogen. De zaak moet dan ook in dit perspectief worden bezien.
4.14. De rechtbank stelt vervolgens voorop dat het bestuur van een stichting, ook als zij onder het lichte regime valt, intern wel een boekhoudplicht heeft en jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten moet opmaken en op papier moet stellen (artikel 2:10 BW). Volgens de statuten van de Stichting moet de penningmeester uiterlijk in de maand mei aan het bestuur rekening en verantwoording afleggen van het door hem in het voorgaande boekjaar gevoerde beheer.
4.15. De Stichting c.s. voeren aan dat zij niet gehouden zijn tot externe verantwoording en weigeren op die grond iedere inzage in de boeken, met uitzondering van een bankafschrift met het huidige saldo. Hoewel externe verantwoording door de Stichting (wel wenselijk, maar) inderdaad niet verplicht is, ziet de rechtbank wel aanleiding om van de Bestuurders meer openheid van zaken te verlangen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [verzoekers] namelijk op een aantal punten terechte zorgen geuit over de vraag of het (financiële) bestuur wel voldoet.
4.16. Deze zorgen leven met name rond de positie van de penningmeester. Blijkens het handelsregister van de Kamer van Koophandel is momenteel geen van de bestuursleden aangemerkt als penningmeester. In het verweerschrift hebben de Stichting c.s. erkend dat de vacature voor penningmeester open staat, maar tijdens de mondelinge behandeling hebben de Bestuurders verklaard dat [verweerder 6] (verweerder sub 6) de functie van penningmeester vervult. Echter, van een officiële benoeming van [verweerder 6] blijkt niet. Ook heeft de Voorzitter verklaard dat er nog wordt gezocht naar een nieuwe penningmeester die, naar de rechtbank begrijpt, is toegerust met de vereiste kennis en kunde, om al het werk te doen.
4.17. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er op dit moment formeel geen penningmeester is benoemd. Dit is kennelijk al langere tijd, mogelijk enkele jaren, het geval, terwijl het Bestuur volgens de statuten ten spoedigste in een dergelijke vacature moet voorzien door benoeming van een nieuw bestuurslid. Bovendien is het volgens de statuten de taak van de penningmeester jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen van het door hem in het voorgaande boekjaar gevoerde beheer. Volgens de Stichting c.s. is er intern wel 'zicht op' de financiële situatie, maar het is niet duidelijk geworden wat zij daar precies mee bedoelen. Aangezien er geen penningmeester is, houdt de rechtbank het ervoor dat er in ieder geval formeel geen rekening en verantwoording is afgelegd. In zoverre heeft het Bestuur gehandeld in strijd met de statuten.
4.18. Daarbij komt dat het ook zeer de vraag is in hoeverre de (financiële) situatie feitelijk voldoende op orde is. Ter zitting is bij doorvragen namelijk gebleken dat [verweerder 6] zich uitsluitend bezig houdt met de financiële gang van zaken ten aanzien van de Arabische school en de donaties. De Voorzitter heeft verklaard zich bezig te houden met de rest van de financiële gang van zaken van de Stichting, samen met de oude voorzitter. Los van het feit dat er formeel geen penningmeester is benoemd, is er dus in feite ook niet één persoon binnen het bestuur die overzicht heeft over de algehele financiële situatie en daarover intern verantwoording kan afleggen. Daarbij hebben de Bestuurders aangevoerd dat er een externe boekhouder is, genaamd [naam 2] (fonetisch), maar zij hebben geen stukken in het geding gebracht waar dit uit blijkt. Slechts kan worden vastgesteld dat de Voorzitter 'ergens in april 2022' in de Moskee mondeling een toelichting op de financiën van de Stichting heeft gegeven ten overstaan van een onbekende groep belangstellenden, zonder dat duidelijk is welke informatie hier is gedeeld en op welke wijze de Moskee-gemeenschap hiervoor is uitgenodigd.
4.19. Naast de afwezigheid van een penningmeester is ook de positie van secretaris niet vervuld. Het is dus niet bekend of er iemand is die (zoals de statuten vereisen) oproepingen verstuurt voor bestuursvergaderingen en daarvan notulen opmaakt.
4.20. Het gegeven dat op dit moment al langere tijd twee statutair voorgeschreven posities formeel niet zijn ingevuld, hoeft op zichzelf nog niet te betekenen dat sprake is van verwaarlozing van de taak door het Bestuur of van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 2:298 BW, maar het geeft wel aanleiding om voor nader onderzoek naar de vraag of grond bestaat voor ontslag of schorsing van (een of meer van) de Bestuurders. De rechtbank heeft daarom vragen over de feitelijkevervulling van de taak van de penningmeester om aan het bestuur rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer, en de taak van de secretaris om de oproeping en notulering van bestuursvergaderingen te verzorgen.
4.21. De rechtbank draagt de Stichting c.s. dan ook op nadere informatie te verstrekken ten aanzien van de volgende vragen:
4.22. Nadat de Stichting c.s. zich hierover bij akte hebben uitgelaten, krijgen [verzoekers] gelegenheid hierop bij akte te reageren.
4.23. Daarnaast vraagt de rechtbank partijen zich uit te laten over de vraag of de rechtbank in deze procedure – ook als het verzoek tot schorsing of ontslag van de huidige Bestuurders niet zou worden toegewezen – een nieuwe penningmeester en secretaris moet benoemen. Immers, deze vacatures staan al langere tijd open en de statuten bepalen dat – indien de overgebleven bestuursleden zouden nalaten binnen redelijke termijn in de vacature(s) te voorzien – die voorziening zal geschieden door de rechtbank op verzoek van een belanghebbende. De wet regelt deze bevoegdheid in artikel 2:299 BW. De rechtbank vraagt [verzoekers] om aan te geven of hun verzoek om hen tot bestuurder te benoemen, ookmoet opgevat als een zelfstandig verzoek om hen in de vacante posities te benoemen en zo ja, wie uit hun midden zij dan voordragen om tot penningmeester dan wel secretaris van de Stichting te worden benoemd. Daarop mogen de Stichting c.s. bij akte reageren.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1. verwijst de zaak naar de rol van 20 april 2023voor:
- akte uitlating van de Stichting c.s. over hetgeen is vermeld in 4.21,
- akte uitlating van [verzoekers] over hetgeen is vermeld in 4.23,
5.2. bepaalt dat de zaak daarna wordt verwezen naar de rol van vier weken daarna voor antwoordaktes van beide partijen,
5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Zaagsma, rechter, bijgestaan door mr. P.C.N. van Gelderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2023.