Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:1326 - Rechtbank Amsterdam - 9 maart 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2023:1326•9 maart 2023
Uitspraak inhoud
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2982
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Ahmed).
Inleiding
1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.2 Met het primaire besluit van 22 november 2021 is aan eiser een maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3 Op 7 april 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
1.4 Op 14 juni 2022 heeft eiser beroep ingesteld in verband met het niet tijdig beslissen op bezwaar.
1.5 Met het bestreden besluit van 15 juli 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en de maatregel gematigd.
1.6 Met het besluit van 13 oktober 2022 heeft verweerder het bestreden besluit herzien. Verweerder heeft met deze herziening het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de maatregel ingetrokken.
1.7 Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8 De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner [partner] .
Beoordeling door de rechtbank
2.1 De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2 De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.3 Eiser ontvangt op grond van de Participatiewet een bijstandsuitkering, waar een aantal verplichtingen aan verbonden zijn. Met het primaire besluit van 22 november 2021 heeft verweerder aan eiser een maatregel opgelegd, omdat hij niet aan één van de verplichtingen zou hebben voldaan. Verweerder stelt in het primaire besluit dat eiser niet heeft meegewerkt aan een proces dat kan leiden tot een baan. Deze maatregel hield in dat eisers uitkering inclusief vakantiegeld met 100 % werd verlaagd voor een periode van één maand. Met het bestreden besluit van 15 juli 2022 is het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft verweerder het besluit van 22 november 2021 gewijzigd in de zin dat de maatregel van 100 % verlaging van de uitkering gedurende een maand wordt gewijzigd in 30 % verlaging voor de duur van één maand, uitgesmeerd over een periode van tien maanden. Met het besluit van 13 oktober 2022 heeft verweerder het bestreden besluit herzien. Verweerder heeft met deze herziening het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de maatregel ingetrokken. Aan eiser is een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.082,-.
- Eiser doet een verzoek om een schadevergoeding op grond van artikel 8:91, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat hij stelt onrechtmatig te zijn behandeld door verweerder. Hij vordert een dwangsom van € 15.000, - omdat verweerder niet tijdig een beslissing heeft genomen in de bezwaarfase. Daarnaast vordert eiser materiële-, immateriële - en letstelschadevergoeding.
- De rechtbank overweegt dat eiser geen belang meer heeft bij het beroep, omdat verweerder eiser volledig tegemoet is gekomen met het herzieningsbesluit van 13 oktober 2022.
- Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor vergoeding van schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit. Er moet sprake zijn van een oorzakelijk verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Vervolgens komen alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Het is aan degene die stelt benadeeld te zijn om het verband tussen de gestelde ontstane schade en het onrechtmatige besluit en de omvang van deze schade aannemelijk te maken. Eiser heeft geen enkele onderbouwing gegeven van de gestelde geleden schade en komt daarom niet in aanmerking voor een schadevergoeding.
- Eiser komt daarnaast ook niet in aanmerking voor een rechterlijke dwangsom. Een rechterlijke dwangsom is het bedrag dat een bestuursorgaan moet betalen als hij niet voldoet aan een verplichting die hem door de rechter is opgelegd. In dit geval is er geen sprake van een verplichting die door de rechter is opgelegd aan verweerder waaraan hij niet voldoet.
- De rechtbank is verder niet gebleken van enig procesbelang van eiser bij zijn beroep.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Soldt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.