Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:1046 - Rechtbank Amsterdam - 7 februari 2023

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2023:10467 februari 2023

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 21/5814

[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. R.S. Pot),
en
**het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,**verweerder
(gemachtigde: mr. E.D. Mensing van Charante).

Inleiding

1.1. Eiseres heeft (pijn)klachten vanwege een progressieve aandoening aan de luchtwegen, een scheurtje in de rechter schouder waardoor zij haar arm niet kan optillen en problemen met haar rechter heup. Daarom heeft zij een scootmobiel en een oplaadpunt in de eigen boxruimte aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) om zich zelfstandig te kunnen vervoeren naar bijvoorbeeld het ziekenhuis, de huisarts en familie.
1.2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 4 mei 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2021 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van die aanvraag.
1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2.1. De rechtbank beoordeelt of verweerder in redelijkheid de aanvraag van eiseres voor een scootmobiel en een oplaadpunt in de boxruimte heeft kunnen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Verweerder dient binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De reden van de afwijzing
  1. Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres heeft het [indicatiebureau] ( [indicatiebureau] ) onderzoek verricht. Een indicatieadviseur van het [indicatiebureau] heeft het dossier bestudeerd en heeft met eiseres gesproken. In het adviesrapport van [medio] april 2021 heeft het [indicatiebureau] geconstateerd dat er bij eiseres sprake is van diverse lichamelijke klachten. Zij wordt desondanks in staat geacht om gebruik te maken van een elektrische fiets en voor de langere afstanden kan zij gebruik maken van het Aanvullend Openbaar Vervoer. Daarom komt zij niet in aanmerking voor een scootmobiel op grond van de Wmo. Verweerder heeft op grond van het adviesrapport van het [indicatiebureau] de aanvraag afgewezen.
Onderzoek zorgvuldig?
4.1. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen – onder meer – omdat haar kant van verhaal dat zij naar voren heeft gebracht tijdens het gesprek met het [indicatiebureau] niet juist is weergegeven en er ook verder geen medische informatie is opgevraagd.
4.2. Het bestreden besluit is gebaseerd op het advies van het [indicatiebureau] . Volgens vaste rechtspraak mag het college een besluit baseren op een advies van een medisch adviseur, op voorwaarde dat het advies op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.[1] Indien het bestuursorgaan het advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet het bestuursorgaan zich er tevens van vergewissen dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de inhoud inzichtelijk en concludent is.[2] Dat laatste houdt in dat de redenering duidelijk en voldoende controleerbaar moet zijn. De conclusie moet daar vervolgens op aansluiten. Als aan deze eisen is voldaan, mag het bestuursorgaan in beginsel van dit advies uitgaan. Verweerder vindt dat aan die eisen is voldaan en dat hij zijn besluit op het adviesrapport mocht baseren.
4.3. Eiseres heeft in bezwaar en beroep naar voren gebracht dat fietsen voor haar moeizaam gaat. Zij heeft voorafgaand aan haar aanvraag nog weleens gebruik gemaakt van haar elektrische fiets, maar toen de accu kapot is gegaan is zij daar helemaal mee gestopt. Daarnaast moet zij steeds gebruik maken van een hoge stoep om op haar fiets te kunnen stappen. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij ook bang is om te vallen en daarom niet meer durft te fietsen; dat heeft zij ook aan het [indicatiebureau] verteld.
4.4. De rechtbank constateert dat de weergave in het rapport van het gesprek van eiseres met de indicatieadviseur van het [indicatiebureau] niet overeenkomt met wat eiseres daarover heeft verklaard. Zo geeft het rapport niets weer van de angst van eiseres om te vallen bij het fietsen en de gestelde noodzaak om bij een hoge stoep op en af te stappen. Het rapport bevat wel de zin: "De cliënt heeft geen beperkingen bij het fietsen, al dan niet met hulpmotor". De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om in het kader van zijn vergewisplicht bij het [indicatiebureau] na te gaan of er een verklaring is voor het verschil tussen het standpunt van eiseres en de weergave daarvan in het rapport over het gebruik van de fiets en of hiermee geen relevante informatie buiten beschouwing is gelaten. Door dit niet te doen heeft verweerder niet voldaan aan zijn verplichtingen de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren en daarmee niet zorgvuldig genoeg gehandeld door zich bij het nemen van het bestreden besluit slechts op dit [indicatiebureau] rapport te baseren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het [indicatiebureau] zich ook niet heeft gebaseerd op nadere medische stukken of onderzoek en eiseres ook na bezwaar niet door verweerder is gehoord.

Conclusie en gevolgen

5.1. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking, omdat verweerder eerst opnieuw – rekening houdend met deze uitspraak – op het door eiseres gemaakte bezwaar moet beslissen. De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit een termijn van zes weken.
5.2. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
5.3. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674, - Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Ferdinandusse, rechter, in aanwezigheid vanmr.P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1550 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019 ECLI:NL:CRVB:2019:466.
Zie in dit kader de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3358, r.o. 7.2. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1550 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019 ECLI:NL:CRVB:2019:466.
Zie in dit kader de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3358, r.o. 7.2.