Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2022:8432 - Rechtbank Amsterdam - 24 oktober 2022
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2022:8432•24 oktober 2022
Uitspraak inhoud
proces-verbaal
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 71/253297-21
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken op 24 oktober 2022.
Tegenwoordig zijn:
mr. A.C.J. Klaver, voorzitter,
en mrs. M.E.M. James - Pater en P.K. Oosterling - van der Maarel, rechters
en mr. V.R. Hofstee, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. R. Hagemeier en mr. G. Rip, officieren van justitie (hierna: officier van justitie).
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte antwoordt op de vragen van de voorzitter, gesteld ten behoeve van het vaststellen van de identiteit van de verdachte, te zijn:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
wonende op het adres [adres]
Als raadsman van verdachte is aanwezig mr. S. Schuurman.
De zaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken met parketnummers 71/252257-21 en 71/253065-21 tegen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Dit proces-verbaal geeft slechts weer het verhandelde ter terechtzitting voor zover dit betrekking heeft op of relevant is voor de zaak tegen verdachte.
De rechtbank beveelt dat het ter terechtzitting van 29 augustus 2022 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, omdat zij thans in een andere samenstelling zitting houdt.
De voorzitter vermaant verdachte oplettend te zijn op wat hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
Voor zover op deze zitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze steeds zakelijk weergegeven.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
De voorzitter deelt mee dat de rechtbank op de regiezitting van vandaag het onderzoek zoals door de Hoge Raad opgenomen in rechtsoverweging 5.4.3. van het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252), zal verrichten.
De voorzitter stelt verdachte de volgende vraag: - Kunt u zeggen hoe het afdoeningsvoorstel tot stand is gekomen en wat de gevolgen van het afdoeningsvoorstel zijn voor uw zaak?
De verdachte antwoordt als volgt:
Na meerdere gesprekken met mijn raadsman heb ik besloten om te gaan schikken. Ik weet daardoor dat er geen hoger beroep zal komen. Ik ben geschrokken van de strafeis. In het afdoeningsvoorstel gaat het om een aantal jaren minder.
De voorzitter stelt verdachte de volgende vraag: - Heeft u met uw raadsman overlegd over de straffen die in soortgelijke zaken normaal gesproken worden opgelegd?
De verdachte antwoordt als volgt:
Ja, ik heb overlegd met mijn raadsman welke straffen in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De voorzitter stelt verdachte de volgende vraag: - Heeft u met anderen gesproken over de procesafspraken?
De verdachte antwoordt als volgt:
Ik heb niet met andere personen gesproken over de procesafspraken. Ik heb er wel met mijn gezin over gesproken.
De voorzitter stelt verdachte de volgende vraag: - Voelt u zich op enigerlei wijze onder druk gezet om met de procesafspraken akkoord te gaan?
De verdachte antwoordt als volgt:
Ik voel mij vrij om zelf te beslissen en ik ben door niemand onder druk gezet.
De voorzitter stelt verdachte de volgende vragen:
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter als volgt:
Ik ben mij ervan bewust dat als ten aanzien van de inbeslagneming van SKY-data in andere zaken onrechtmatigheden worden vastgesteld, dat mij in eerste aanleg niet meer kan helpen.
De voorzitter stelt verdachte de volgende vraag: - Begrijpt u dat uw procespositie (zwijgen, bekennen, ontkennen) géén onderdeel vormt van de procesafspraken en dat het dus niet gaat om enige vorm van plea bargaining; het afdoen van een strafzaak door een schuldbekentenis in ruil voor een lagere straf?
De verdachte antwoordt als volgt:
Ja, daar ben ik mij van bewust.
De verdachte antwoordt op vragen van de jongste rechter als volgt:
De reden dat ik met het voorstel heb ingestemd is dat er een einde aan deze nachtmerrie komt.
De officier van justitie voert het woord:
Het klopt dat de clausule dat partijen niet in hoger beroep zullen gaan, nog in het afdoeningsvoorstel staat. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad, stelt het Openbaar Ministerie voor om dat onderdeel van het afdoeningsvoorstel als een dode letter te beschouwen. Wat het Openbaar Ministerie betreft kan het afdoeningsvoorstel zoals dit er nu ligt wel in stand blijven.
De raadsman voert het woord:
Daar is de verdediging het mee eens. Als de rechtbank conform het afdoeningsvoorstel beslist, dan is er geen belang bij hoger beroep. Ook wat de verdediging betreft kan de inhoud van het afdoeningsvoorstel blijven zoals het nu is.
Bij deze trekt de verdediging de al eerder ingediende onderzoekswensen formeel in.
De jongste rechter merkt op dat de Hoge Raad zich heeft uitgelaten over de situatie waarin de rechtbank een uitspraak doet die anders is dan hetgeen is neergelegd in het afdoeningsvoorstel. Dit zou kunnen betekenen dat de rechtbank tot een hogere straf komt. In dat geval moeten procespartijen volgens de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld worden om zich hierover uit te laten. Indien de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan in het afdoeningsvoorstel is opgenomen, is het voorstelbaar dat de verdediging van die gelegenheid geen gebruik zal willen maken. De jongste rechter vraagt de officier van justitie hoe het Openbaar Ministerie hier tegenaan kijkt.
De officier van justitie voert het woord:
Ik stel mij voor dat het Openbaar Ministerie in dat geval een termijn krijgt van veertien dagen om zich daarover uit te laten. Als de uitspraak van de rechtbank 'wezenlijk anders' is, kan ik mij voorstellen dat het Openbaar Ministerie zich zal beraden hoger beroep in te stellen. Wat moet worden verstaan onder 'wezenlijk anders', kan ik niet op voorhand zeggen.
De raadsman voert het woord:
Wat de verdediging verstaat onder een 'wezenlijk andere' uitspraak? In mijn optiek betekent dat de oplegging van een hogere straf.
De jongste rechter vraagt de procespartijen hoe zij ertegenaan kijken als de rechtbank ambtshalve vindt dat er nader onderzoek verricht moet worden in verband met de SKY-problematiek of als de Hoge Raad – naar aanleiding van prejudiciële vragen – daarover een oordeel geeft.
De officier van justitie voert het woord:
Het is aan de rechtbank om te gelasten dat er onderzoekshandelingen verricht moeten worden.
De raadsman voert het woord:
De SKY-problematiek speelt ook in de zaak van mijn cliënt, aangezien dat de aanleiding was naar het onderzoek. Uw rechtbank zal te zijner tijd moeten bekijken wat een eventuele uitspraak in andere SKY-ECC zaken zal betekenen voor de te nemen beslissing in de zaak van mijn cliënt.
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter mee dat het onderzoek zoals door de Hoge Raad voorgeschreven in rechtsoverweging 5.4.3. van het arrest van 27 september 2022 is verricht en dat de rechtbank op dit moment voorshands van oordeel is dat de verdachte in de concrete omstandigheden van dit geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
De rechtbank sluit zich aan bij de uitgangspunten die de Hoge Raad in zijn arrest van 27 september 2022 uiteen heeft gezet. Dat betekent dat:
Desgevraagd geeft de officier van justitie te kennen voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak een bewijsmiddelenoverzicht toe te sturen. Daarnaar zal worden verwezen in het requisitoir, dat relatief kort is. De officier van justitie verwacht voor het requisitoir ongeveer een half uur tot drie kwartier de tijd nodig te hebben.
De raadsman geeft te kennen dat de verdediging ongeveer een half uur tot veertig minuten de tijd nodig heeft voor het pleidooi.
Vervolgens deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mee dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van1 februari 2023 om 09:00 uur.
De voorzitter zegt verdachte en de raadsman aan tegen voornoemd tijdstip wederom ter terechtzitting te verschijnen.
De voorzitter bepaalt dat voor de behandeling van de zaak op de volgende terechtzitting twee dagen (1 en 3 februari 2023) worden gereserveerd.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.