Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2022:7634 - Rechtbank Amsterdam - 19 december 2022
Uitspraak
ECLI:NL:RBAMS:2022:7634•19 december 2022
Uitspraak inhoud
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/650013-18
Beslissing op de vorderingen van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 10 november 2022 (terugplaatsing) en 25 november 2022 (wijziging voorwaarden) in de zaak tegen:
[veroordeelde], hierna: veroordeelde,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
thans verblijvende op het adres [adres].
die bij vonnis van 24 december 2018 werd veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).
De PIJ-maatregel is bij beschikking van deze rechtbank van 27 september 2022 voorwaardelijk beëindigd.
De inhoud van de vorderingen.
De officier van justitie heeft gevorderd om veroordeelde terug te plaatsen in een JJI voor de duur van drie maanden en om de voorwaarden conform het advies van de reclassering te wijzigen.
De procesgang.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: - het advies van de Reclassering Nederland van 28 oktober 2022 strekkende tot directe terugplaatsing van veroordeelde in een inrichting voor jeugdigen; - de beslissing van de rechter-commissaris van 11 november 2022 waarbij de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde maatregel voor de duur van zeven dagen is bevolen; - het advies van de Reclassering Nederland van 18 november 2022, strekkende tot voortzetting van het toezicht met andere voorwaarden.
ÁG513060429666KÈ
G513060429666
De rechtbank heeft de vorderingen op 29 november 2022 in raadkamer met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
De standpunten
Voor de standpunten wordt verwezen naar het proces-verbaal van de behandeling van de vorderingen in raadkamer met gesloten deuren.
De beoordeling.
Op grond van de stukken en wat op de zitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank vast dat veroordeelde een aantal bijzondere voorwaarden heeft overtreden, zoals deze bij de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel aan veroordeelde zijn opgelegd. Hij is bij een aantal behandelafspraken niet verschenen, hij heeft op een feestje alcohol gedronken en hij verblijft niet bij MultiPlusZorg (MPZ) maar bij zijn oma. De reclassering schat de kans dat veroordeelde zich onttrekt aan de bijzondere voorwaarden onverminderd hoog in en heeft aangegeven op deze manier niet op de juiste manier te kunnen bijdragen aan het gunstig beïnvloeden van het gedrag van veroordeelde en het uitvoeren van adequaat risicomanagement.
De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld dat veroordeelde bereid is om openheid van zaken te geven maar dat het erop lijkt dat veroordeelde niet goed heeft begrepen dat hij het jaar nadat de PIJ-maatregel voorwaardelijk is beëindigd nog niet zelfstandig zijn keuzes mag bepalen over wat hij wel en niet doet. Hij dient zich te blijven melden bij de reclassering, openheid van zaken te geven en op zijn behandelafspraken te verschijnen.
De rechtbank is, anders dan de reclassering, van oordeel dat de gepleegde overtredingen van de bijzondere voorwaarden niet zo ernstig zijn dat zij een directe terugplaatsing rechtvaardigen. Veroordeelde geeft al langer aan dat hij de woonplek bij MPZ als bijzonder onprettig ervaart en dat hij daar niet kan slapen omdat zijn kamer veel te klein is. Hij verblijft bij zijn oma en is vandaag vanuit het huis van zijn oma zelfstandig ter terechtzitting verschenen.
Zoals de behandelaar van veroordeelde ter zitting naar voren heeft gebracht, lijkt veroordeelde beter te functioneren bij een toezicht waar hem enige mate van vrijheid wordt geboden, wat niet wegneemt dat hij zich in de basis wel aan de bijzondere voorwaarden zal moeten houden gedurende de tijd dat de PIJ-maatregel voorwaardelijk is beëindigd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, en het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde, op dit moment niet eisen dat veroordeelde teruggeplaatst moet worden in een JJI. Deze vordering wordt afgewezen.
De rechtbank ziet wel termen aanwezig om de op grond van artikel grond van artikel 77tb, derde lid, onder a Wetboek van Strafrecht gestelde bijzondere voorwaarden een wijziging aan te brengen in het adres waar veroordeelde dient te verblijven. Het is al langer bekend dat veroordeelde zich niet op zijn plek voelt bij MPZ. Vasthouden aan deze verblijfplek zal de samenwerking alleen maar negatief blijven beïnvloeden. De rechtbank zal bepalen dat veroordeelde bij zijn oma dient te verblijven totdat de reclassering een andere passende woonvoorziening gevonden heeft.
De rechtbank ziet geen reden om de overige verzochte wijzigingen in de beslissing op te nemen. Veroordeelde is open over zijn middelengebruik en over zijn financiën. Op dit moment is niet gebleken dat veroordeelde zijn financiën niet op orde heeft. Het opleggen van een locatiegebod met elektronisch toezicht acht de rechtbank op dit moment niet opportuun. Daar komt bij dat de reclassering hiervoor nog geen plan van aanpak heeft opgemaakt.
Beslissing.
De rechtbank: - wijst de vordering van de officier van justitie om veroordeelde terug te plaatsen in een JJI voor de duur van drie maanden af; - wijst de vordering van de officier van justitie tot wijziging van de bijzondere voorwaarden toe in die zin dat de voorwaarde dat veroordeelde dient te verblijven bij een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang wordt gewijzigd in dat veroordeelde dient te
verblijven bij zijn oma op het adres [adres], totdat er een andere passende woonplek in het kader van begeleid wonen beschikbaar is; - handhaaft de beschikking van 27 september 2022 voor het overige; - wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door
mr. A.K. Mireku, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. I.M. Nusselder en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Pandelitschka, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2022.