Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2022:7559 - Rechtbank Amsterdam - 12 december 2022

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2022:755912 december 2022

Uitspraak inhoud

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/3265

[eiser] , uit Amstelveen, eiser (hierna: [eiser] )

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),
en
de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder (hierna: de Svb)
(gemachtigde: mr. J.A.H. Koning).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de herziening van [eiser] recht op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) over de periode van 5 februari 2017 tot en met 10 mei 2017.
De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] , zijn gemachtigde en de zoon van [eiser] , [zoon] en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

  1. [eiser] ontvangt vanaf 1 juli 2005 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor gehuwden. [eiser] ontvangt sinds 2009 een AIO-aanvulling.
  1. Verweerder heeft [eiser] gevraagd een kopie zijn paspoort op te sturen met de stempels van vertrek - en terugkomstdatum in Nederland. [eiser] heeft dit verstrekt. Hieruit blijkt dat [eiser] in 2017 in de periode van 7 januari 2017 tot en met 10 mei 2017 en zijn echtgenote in de periode van 5 februari 2017 tot en met 10 mei 2017 te lang in [plaats] verbleven. Op basis van deze informatie heeft verweerder het primaire besluit van 16 november 2021 genomen waarin verweerder aangeeft van plan te zijn het te veel ontvangen bedrag aan AIO-aanvulling van € 1.276,23 terug te vorderen. Verder heeft verweerder aangegeven voornemens te zijn een boete van € 638,12 aan [eiser] op te leggen. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard met het bestreden besluit.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] met zijn echtgenote over de periode van 7 januari 2017 tot met 10 mei 2017 in [plaats] verbleef zonder dit voorafgaande te melden aan de Svb.
  1. [eiser] heeft echter aangevoerd dat de Svb onjuist heeft gehandeld omdat ze op de hoogte waren van zijn te lange reis naar [plaats] maar niet eerder de AIO-aanvulling hebben herzien. De zoon van de [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat hij in 2018 al heeft aangegeven dat zijn ouders in 2017 op reis waren geweest naar [plaats] . [eiser] stelt ook dat de Svb in het bezit was van zijn paspoort, waar de stempels van de reis in 2017 te zien zijn. Deze moet hij namelijk over leggen bij het opnieuw aanvragen van een AIO-aanvulling na herziening.
  1. De Svb heeft die stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.
  1. Met de Svb stelt de rechtbank voorop dat er wel een bevoegdheid, maar geen verplichting rust op de Svb om (bij voortduring) het dossier te controleren op informatie. Op de betrokken uitkeringsontvanger rust echter wel een wettelijke plicht om alle informatie te verstrekken die voor het recht op uitkering van belang kan zijn. De rechtbank kan de Svb dan ook volgen in zijn stelling dat het niet aan hen is om voortdurend te controleren of er gegevens in het dossier zitten van [eiser] die aanleiding geven tot het stellen van nadere vragen of het opvragen van het paspoort. De eerste verantwoordelijkheid met betrekking tot die gegevens ligt bij [eiser] , en kan door hem niet worden afgewenteld op verweerder. Of de Svb op de hoogte was of kon zijn van de reizen naar [plaats] maakt de herziening van de AIO-aanvulling over 2017 dan ook niet onrechtmatig. De argumenten van eiser op dit punt kunnen hem dan ook niet baten.
  1. [eiser] voert verder aan dat het niet melden van de reis in 2017 al is afgedaan door een waarschuwing van de Svb. De zoon van [eiser] stelt namelijk gesproken te hebben met de heer [naam] van de Svb en dat deze telefonisch heeft verklaard dat hij de omissie van [eiser] door de vingers zou zien. [eiser] doet dan ook een beroep op het vertrouwensbeginsel omdat er een toezegging is gedaan.
  1. De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat voor de reis van 2018 door de Svb een waarschuwing is gegeven. Deze waarschuwing is schriftelijk vastgelegd in de brief van 15 februari 2018. Niet blijkt echter van een schriftelijke toezegging aan [eiser] dat er (ook) een waarschuwing voor de reis in 2017 opgelegd zou worden. Dit volgt niet uit de telefoonnotities die in het dossier aanwezig zijn. Ook verder schriftelijk bewijs ontbreekt.
Het is bovendien niet logisch dat het voor twee opvolgende jaren (2017 en 2018) zou blijven bij een schriftelijke waarschuwing. Dat staat op zich al op gespannen voet met doel en (eenmalig) karakter van een waarschuwing. Dat [eiser] tweemaal gewaarschuwd zou zijn verdraagt zich ook niet goed met de uitdrukkelijke wettelijke bevoegdheid van de Svb tot het opleggen van een herziening, terugvordering en boete-besluit. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom om meerdere redenen niet.
  1. Al hetgeen in beroep is aangevoerd kan dus niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.B. Bosma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december 2022.
is buiten staat te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.