Terug naar bibliotheek
Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:186 - Parket bij de Hoge Raad - 20 februari 2026
Arrest
ECLI:NL:PHR:2026:186•20 februari 2026
Arrest inhoud
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00603
Zitting 20 februari 2026
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
- Payingit B.V.
- Payingip B.V.
- NRD Holding B.V.
- CMC Holding B.V.
- [eiser 5]
- [eiser 6] ,
eisers tot cassatie
tegen
Workrate Holding B.V.,verweerster in cassatie
Eisers tot cassatie worden hierna gezamenlijk aangeduid als Payingit c.s. of Kopers, afzonderlijk als PayingIT, PayingIP, NRD, CMC, [eiser 5] en [eiser 6] , verweerster in cassatie als Workrate of Verkoper.
Workrate heeft vanaf 2008 drie softwarepakketten ontwikkeld (Workstate, Workmate en Academy), die een zekere verwevenheid hebben. Workrate wilde één van die applicaties, Workmate, extern commercieel gaan exploiteren. De naam van die applicatie is veranderd in Usemate en daartoe is in 2013 Usemate B.V. opgericht. De aandelen in Usemate B.V. werden aanvankelijk gehouden door (onder meer) Workrate en (de holdingvennootschap van) [eiser 5] , destijds werkzaam bij Workrate. Vervolgens is Usemate B.V. verzelfstandigd, zodat het pakket Usemate onafhankelijk van Workrate kon worden geëxploiteerd. Bij koopovereenkomst uit 2016 met Workrate als verkoper en (de holdingvennootschappen van) [eiser 5] en [eiser 6] en een derde als kopers zijn de aandelen van Workrate in Usemate B.V. verkocht en daarnaast werd software verkocht en geleverd aan PayingIP. Daarbij is toen een licentie verleend aan Workrate om de overgedragen software onder bepaalde voorwaarden intern te gebruiken. Vervolgens is de naam van Usemate B.V. gewijzigd in PayingIT.
De zaak gaat over de uitleg van de koopovereenkomst tot levering van bedoelde software en de licentieovereenkomst waarin een gebruiksrecht aan Workrate is verleend met betrekking tot die software. Geschilpunt is onder meer in welke omvang het auteursrecht op die software aan kopers is overgedragen en tot welke exploitatiehandelingen de verkoper/licentienemer Workrate (nog) bevoegd is. Kernprobleem is daarbij dat er overlappende delen (broncode)software zitten in de pakketten Workstate en Workmate/Usemate, de intentie was dat alleen Usemate over zou worden gedragen/ 'terug'gelicentieerd voor intern gebruik, maar dat de transacties de exploitatie van Workstate door Workrate verder ongemoeid zou laten. Rechtbank en hof komen 'Haviltexend' tot de uitleg dat er een stilzwijgende licentie is verleend door Payingit c.s. aan Workrate om de overlappende delen (broncode)software te blijven gebruiken in het kader van haar exploitatie van Workstate en dat iets soortgelijks geldt voor het gebruik van KlasseNet door een derde. Daarbij is ook van belang geacht dat partijen in verschillende branches opereren (Workrate in beveiliging, Payingit c.s. in onder meer payrolling).
Ik zie het cassatieberoep geen doel treffen. Payingit c.s. doet bij mondeling pleidooi en s.t. een poging de impliciete licentie te construeren als een Unierechtelijk niet-toegestane beperking op de aan haar overgedragen auteursrechten op software (wegens strijd met de driestappentoets uit art. 5 lid 5 Auteursrechtrichtlijn (Arl), de Softwarerichtlijn en het EU-Handvest). Daargelaten dat daarvoor geen aanknopingspunten zijn te vinden in het cassatiemiddel, ook niet in subonderdeel 1.5 (in verbinding met subonderdeel 1.3.c), zoals Payingit c.s. ten onrechte stelt, gaat deze zaak niet om al dan geen toegestane beperking op auteursrechten. Het gaat om uitleg van de betreffende overeenkomsten, waarin deze professionele partijen zelf auteursrechten hebben overgedragen en een licentieverhouding hebben gecreëerd. Contractsvrijheid moet niet worden verward of vermengd met het gesloten stelsel van wettelijke beperkingen in het auteursrecht.
1. Feiten[1]
Partijen
1.1 Workrate houdt zich bezig met datacenterbeveiliging en ondersteunt klanten bij het volgen van de juiste beveiligingsprocessen. Bij Workrate zijn (ten tijde van het geschil) onder anderen werkzaam [betrokkene 1] , (indirect) aandeelhouder en bestuurder (hierna: [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] , (indirect) aandeelhouder en bestuurder (hierna: [betrokkene 2] ).
1.2 PayingIT is actief op het gebied van 'business to business' verkopen van software en aanverwante serviceproducten, waaronder software(diensten) op het gebied van payrolling, personeelsplanning en salarisadministratie. PayingIT heette tot 2016 Usemate B.V. De aandelen in Usemate B.V. werden (onder meer) gehouden door Workrate, [eiser 5] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ). [eiser 5] was van 2011 tot 2016 werkzaam bij Workrate. [eiser 5] is via NRD (indirect) aandeelhouder en bestuurder van PayingIT. [eiser 6] is via CMC (indirect) aandeelhouder en bestuurder van PayingIT. [betrokkene 3] is voormalig (indirect) aandeelhouder en bestuurder van PayingIT. PayingIP is opgericht op 5 juli 2016 en is de contractuele wederpartij van Workrate bij de hierna te noemen Licentieovereenkomst.
Software
1.3 Workrate biedt een softwarepakket aan voor het managen van processen en het borgen van compliance onder de naam Workstate. Rond 2008 heeft Workrate software ontwikkeld onder de naam Workmate, ten behoeve van het automatiseren van planning van haar professionals, training, urenregistratie, werkinstructies, functioneren en andere HR-zaken. De Workmate software wordt nu geëxploiteerd door PayingIT onder de naam Usemate.
1.4 In totaal zijn er vanaf 2008 door Workrate (althans door aan haar gelieerde vennootschappen) drie softwareapplicaties ontwikkeld: de hiervoor genoemde Usemate en Workstate software, en Academy, een softwareapplicatie ten behoeve van e-learning. Deze drie applicaties draaiden op het [softwarebedrijf] Portal Framework, ontwikkeld door [betrokkene 4] , eigenaar van het [softwarebedrijf] (hierna: [betrokkene 4] ). De softwareapplicaties hebben een zekere verwevenheid doordat de applicaties op bepaalde punten dezelfde functionaliteiten zoals 'interfaces', 'rechtenbeheer' en 'instellingenbeheer' bieden. Voor die gemeenschappelijke onderdelen worden dezelfde onderliggende coderegels aangeroepen. Door partijen worden deze gemeenschappelijke functionaliteiten ook wel aangeduid als 'interfaces' en/of 'shared modules'.
1.5 Omstreeks 2010 heeft Workrate aan KlasseStudent B.V. (hierna: KlasseStudent) ontwikkelrechten gegeven met betrekking tot de broncode van onder meer de Workmate software. Op 19 november 2012 heeft KlasseStudent een volledige aftakking ('fork'/kopie) gemaakt van de Workrate-code, inclusief Workmate (hierna: de 2012-kopie). KlasseStudent heeft vanaf dat moment enkel doorontwikkeld op deze 2012-kopie, door haar genoemd Klassenet.
Verzelfstandigen van Usemate B.V. (nu PayingIT)
1.6 In de periode 2010-2013 is binnen Workrate het idee ontstaan om de Workmate software commercieel te gaan exploiteren. Op 28 augustus 2013 is daartoe Usemate B.V. opgericht door [eiser 5] , handelend als enig bestuurder van NRD, en [betrokkene 3] , handelend als enig bestuurder van DENDER Holding B.V. (hierna: DENDER). Op dezelfde dag hebben NRD en DENDER 49% van de aandelen in het kapitaal van Usemate B.V. verkocht en geleverd aan Workrate. Op of omstreeks die datum is de naam van het softwarepakket Workmate veranderd in Usemate.
1.7 Op enig moment hebben [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] enerzijds en Workrate anderzijds besloten Usemate B.V. te verzelfstandigen, zodat Usemate B.V. de Usemate software onafhankelijk van Workrate zou kunnen exploiteren. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over een koop - en licentieovereenkomst.
Correspondentie voorafgaand aan het sluiten van de koop - en licentieovereenkomst
1.8 Op 25 februari 2016 heeft [betrokkene 1] aan [eiser 5] een e-mail gestuurd over het maken van een kopie van de Usemate software voordat partijen uit elkaar zouden gaan. [betrokkene 1] heeft hierin, voor zover relevant, geschreven:
'(…) Omdat de code gemerged is kan je pas weer nieuwe zaken ontwikkelen als je dat op de nieuwe codebase doet! We willen niet dat er verschillende versies ontstaan.
Dit klinkt hard, maar we moeten zo snel mogelijk over en de code splitten zodat we niet meer afhankelijk zijn van elkaars processen, dit is daarbij een essentiele stap! (…)'
1.9 [betrokkene 4] heeft daarop codebase in een SVN-systeem[2] opgeslagen (in het eindvonnis van de rechtbank aangeduid als de '2015-kopie').
1.10 [eiser 5] heeft op 29 maart 2016 een e-mail gestuurd aan [betrokkene 1] , waarin onder meer staat:
'(…) WR [Workrate, A-G] kan doorontwikkelen op dezelfde code. (…)'
1.11 Op 4 mei 2016 heeft [eiser 5] een e-mail gestuurd aan [betrokkene 7] , de advocaat die de bij de koop van de software behorende transactiedocumentatie heeft opgesteld (hierna: [betrokkene 7] ), met een omschrijving van de Workstate en Usemate software.
1.12 Op 6 mei 2016 heeft [betrokkene 7] vervolgens een concept van de licentieovereenkomst verspreid, met daarin ook de door [eiser 5] voorgestelde omschrijving van de software. Daarbij was in de licentieovereenkomst onder de definitie van de software die in licentie werd gegeven, niet alleen de Usemate software genoemd, maar ook de Workstate software:
'(…) b) software voor het voeren van operationele activiteiten bij particuliere beveiligingsbedrijven, waaronder incident rapportages, toegangsregistraties en de registratie van rondes onder de merknaam 'WorkState', waaronder begrepen alle updates of nieuwe releases van deze software van tijd tot tijd.
__de__software onder paragraaf (a) en (b) gezamenlijk hierna genoemd de Software. Op de datum van deze overeenkomst bestaat de software in ieder geval uit de modules zoals opgenomen in de __Bijlage__bij deze overeenkomst.'
[betrokkene 1] heeft vervolgens in het concept bij onderdeel b) van die bepaling de volgende opmerking geplaatst:
'Kan verwijderd worden, is volledig in eigendom van Workrate en heeft dus niets met Usemate te maken'.
1.13 [betrokkene 7] heeft op 26 mei 2016 een aangepaste versie van de licentieovereenkomst gestuurd, waarin de passage over de Workstate-software is verwijderd:
1.14 Op 30 mei 2016 heeft [betrokkene 4] een e-mail gestuurd aan [betrokkene 1] met als bijlage een document met de beschrijving van software van Workrate (hierna: het [betrokkene 4] - document). In de begeleidende tekst staat, voor zover van belang:
'(…) In deze specificatie is aangegeven welke softwaremodules eigendom zijn van Workrate B.V. (…).
Bij de overdracht van de eigendom van de softwaremodules van de Workrate Portal kun je deze specificatie als uitgangspunt gebruiken: alle modules waarbij Workrate B.V. als eigenaar van het auteursrecht is vermeld, zal Paying IT de nieuwe rechthebbende worden. Het auteursrecht van de overige softwaremodules (framework e.a.) zal ongewijzigd blijven. (…)'
De bijlage ziet er als volgt uit:
1.15 [betrokkene 1] heeft deze e-mail doorgestuurd aan [betrokkene 7] , [betrokkene 2] en [eiser 5] , met de vraag of zij hiermee akkoord zijn.
1.16 Op 31 mei 2016 heeft [betrokkene 7] in een e-mail aan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [eiser 5] , die betrekking heeft op het [betrokkene 4] - document, voor zover van belang het volgende geschreven:
'(…) Vanuit juridische optiek is dit voldoende om de auteursrechten op de software duidelijk af te bakenen.
[betrokkene 1] [ [betrokkene 1] , A-G], kun jij [betrokkene 4] nog vragen om per e-mail te bevestigen dat de auteursrechten van Workrate zoals deze volgen uit dit overzicht niet zijn bezwaard; dat door [softwarebedrijf] B.V. ten aanzien van de auteursrechten van Workrate op de genoemde software geen rechten aan derden zijn toegekend of toegezegd.
[eiser 5] [ [eiser 5] , A-G], kun jij nog bevestigen dat jullie ook akkoord zijn met dit overzicht?
We kunnen vervolgens in de koopovereenkomst naar dit overzicht verwijzen in verband met de overdracht van de software door Workrate. Ik stel voor om dit overzicht ook aan te hechten als bijlage bij de koopovereenkomst. (…)'
1.17 [betrokkene 1] heeft de vraag diezelfde dag doorgestuurd aan [betrokkene 4] met de vraag of hij het kon bevestigen.
1.18 Op 1 juni 2016 heeft [betrokkene 7] een nieuw concept van de koopovereenkomst aan partijen gestuurd. In zijn begeleidende e-mail van 10.44 uur heeft hij geschreven, voor zover relevant:
'(…) voorstel is om de softwarekoop uit de koopovereenkomst te laten en in de licentieovereenkomst schriftelijk vast te stellen dat de genoemde software is ingebracht door Workrate en eigendom is van Payingit. Koopprijs van EUR 300.000 zou dan alleen zien op de aandelen (en daarmee indirect de waarde van de ingebrachte software). (…)'
1.19 Op 1 juni 2016 om 17.34 uur heeft [betrokkene 7] nogmaals een nieuw concept van de koopovereenkomst gestuurd, en in deze e-mail staat, voor zover relevant:
'(…) Verder heb ik in overleg met Workrate de eigendomsoverdracht van de software uit de koopovereenkomst gelaten. Ik begrijp dat Workrate de software als aandeelhouder heeft ingebracht in Usemate B.V. na oprichting maar dat hierover niets is vastgelegd. Dit betekent dat de software op dit moment eigenlijk niet wordt verkocht/gekocht nu Usemate B.V. al eigenaar zou moeten zijn, maar hierover niet is vastgelegd. We kunnen hiertoe in de licentieovereenkomst verwijzen naar de inbreng door Workrate van de software op haar aandelen in Usemate B.V. en partijen laten bevestigen dat het eigendom (auteursrecht) van de software nu wordt gehouden door Usemate B.V. De waarde van de software is dan indirect verdisconteerd in de koopprijs voor de aandelen. (…)'
1.20 [betrokkene 4] heeft op 28 juni 2016 om 12.40 uur de e-mail met de vraag van [betrokkene 1] van 30 mei 2016 (zie hiervoor in 1.17) beantwoord. Over eventuele rechten van derden heeft hij geschreven:
'(…) De e-learning module is destijds als maatwerk ontwikkeld, in eerste instantie voor Klassestudent, maar als onderdeel van de Workmate [Usemate, A-G].
Zij zouden in zekere zin een "derde" kunnen zijn; zij noemen hun applicatie "KlasseNet" – terwijl het feitelijk een (oude) versie van de Workmate/Usemate is. (…)'
1.21 [betrokkene 1] heeft in reactie hierop geantwoord:
'Ok duidelijk. Dan is het dus van KlasseStudent en niet van usemate.
Nee geen aanvullende voorwaarden, immers voor al onze deelnemingen geldt dat ze onder de regeling vallen.'
1.22 Op basis daarvan heeft [betrokkene 4] op 28 juni 2016 om 14.04 uur een aangepaste versie van het [betrokkene 4] - document gestuurd. In zijn begeleidende e-mail staat onder meer:
'(…) Op de broncode-bestanden die in deze bijlage zijn gespecificeerd, waarbij het bedrijf "Workrate BV" is vermeld in de kolom "Huidige eigenaar Auteursrecht (Licentie)", zijn verder geen rechten aan derden toegekend. (…)'
De bijlage ziet er als volgt uit:
1.23 [betrokkene 1] heeft de in 1.20 tot en met 1.22 bedoelde correspondentie dezelfde dag, op 28 juni 2016, doorgestuurd aan [eiser 5] , [eiser 6] , [betrokkene 2] en [betrokkene 7] .
1.24 In de laatste versie van de koopovereenkomst is het [betrokkene 4] - document niet als bijlage opgenomen. [eiser 5] heeft op 5 juli 2016, de dag voor het tekenen van de koopovereenkomst aan [betrokkene 7] gevraagd of het [betrokkene 4] - document niet als bijlage moest worden opgenomen. [betrokkene 7] heeft in zijn e-mail van 5 juli 2016 geantwoord:
'(…) De Software hebben we op zichzelf voldoende duidelijk omschreven in de overeenkomsten. Deze omschrijving is mede gebaseerd op dit overzicht van [betrokkene 4] . Hier is verder weinig discussie over geweest en met het overzicht heeft iedereen ingestemd dus wat mij betreft hoeven we dit overzicht niet nog apart aan te hechten. (…)'
1.25 Eerder die dag (5 juli 2016) mailde [betrokkene 7] aan onder anderen [eiser 5] en [betrokkene 1] het volgende:
'Bijgaand de tekenversies van de licentieovereenkomst en de koopovereenkomst. (…) In de koopovereenkomst is conform de e-mail van [betrokkene 5] in artikel 3 de verkoop van de software aan PayingIP B.V. toegevoegd. Ik heb PayingIP B.V. daartoe partij gemaakt bij de koopovereenkomst. (…)'.
Koopovereenkomst
1.26 Op 6 juli 2016 hebben NRD, DENDER en CMC (Kopers) een overeenkomst gesloten met Workrate (Verkoper) ter zake van de koop, respectievelijk verkoop en levering van alle aandelen van Workrate in Usemate B.V. en verkoop en levering van 'de Software' aan PayinglP (hierna: de Koopovereenkomst). In de Koopovereenkomst is voor zover relevant het volgende geregeld:
'(…)OVERWEGENDE
(…)
C. De Verkoper en de Kopers hebben definitieve overeenstemming bereikt ter zake de koop respectievelijk verkoop en levering van de Aandelen door de Verkoper aan de Kopers met als doel het voortzetten van de Onderneming door de Kopers, en de verkoop en levering van de Software door de Verkoper aan PayingIP, op de voorwaarden zoals neergelegd in deze Overeenkomst (de "Transactie"). (…)
(…) 1. INTERPRETATIE
(…)
Groepsmaatschappijen betekent gezamenlijk alle rechtspersonen waarin de Verkoper Overwegende Zeggenschap uitoefent
(…)
Onbezwaard betekent vrij van enige last, beperking of vorm van bezwaring, met inbegrip van doch niet beperkt tot hypotheek, pandrecht, last, zekerheidsrecht, deposito of cessie bij wijze van zekerheid, koopovereenkomst, optie of voorkeursrecht, economische eigendom (inclusief vruchtgebruik en vergelijkbare rechten), ieder conservatoir beslag en ieder ander belang of recht gehouden door, of vordering die zou kunnen worden ingesteld door, een derde;
(…)
Overwegende Zeggenschapbetekent het uitoefenen van overwegende zeggenschap binnen een rechtspersoon door middel van het houden van een meerderheid van de aandelen, de benoeming van bestuurders of commissarissen, of het anderszins in overwegende mate beïnvloeden van de bedrijfsvoering;
(…)
Software betekent software voor het plannen van personeel, het bijhouden van personeelszaken en het voeren van de backoffice, waaronder automatisering op financieel gebied en koppelingen naar financiële pakketten, zoals boekhoudpakketten en verloningspakketten en alle management rapportages onder de merknaam "Usemate", waaronder begrepen alle updates of nieuwe releases van deze software van tijd tot tijd, met uitzondering van maatwerkmodules;
(…)
3.2 Bij de levering wordt de Software Onbezwaard geleverd door middel van bezitsverschaffing door de Verkoper aan PayingIP van de Software (zowel de broncode als de machinecode) en het verschaffen van toegang tot alle data bases, bestanden en overige administratie die verband houden met de Software.
(…)
5.3 Op de Leveringsdatum zullen Partijen de volgende handelingen verrichten, of er zorg voor dragen dat die handelingen worden verricht:
(…)
e. de Verkoper zal de Koper het bezit verschaffen van de Software (zowel de broncode als de machinecode) en toegang verlenen tot alle data bases, bestanden en overige administratie die verband houden met de Software; (…)
(…)
8 NON-CONCURRENTIE
8.1 In verband met de in deze Overeenkomst beschreven Transactie verbindt zich ieder van de Kopers, [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] zich jegens de Verkoper ertoe om ervoor zorg te dragen dat noch zij noch enige aan hen Verbonden Persoon (waaronder persoonlijke holding(s) van tijd tot tijd), in welke vorm of hoedanigheid dan ook, direct, gedurende een periode van 3 jaar na de datum van deze Overeenkomst, anders dan met voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Verkoper:
a) Wereldwijd software te (laten) ontwikkelen, uitwerken, verkopen of anderszins commercieel exploiteren, die bestemd of specifiek gericht is op operationeel gebruik door beveiligingsbedrijven of anderszins op registraties die door beveiligers worden uitgevoerd tijdens hun werkzaamheden anders dan in overeenstemming met deze overeenkomst; of
b. financieel of anderszins betrokken zullen zijn bij activiteiten bedoeld onder Artikel 8.1a, gedurende dezelfde periode.
8.2 In verband met de in deze Overeenkomst beschreven Transactie verbindt ieder van de Verkoper, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] zich jegens de koper ertoe om ervoor zorg te dragen dat noch zij noch enige aan hen verbonden Persoon (waaronder hun persoonlijke holding(s) van tijd tot tijd), in welke vorm of hoedanigheid dan ook, direct of indirect, gedurende een periode van 3 jaar na de datum van deze Overeenkomst, anders dan met voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Koper:
a. wereldwijd de Software zullen verkopen of anderszins commercieel zullen exploiteren anders dan in overeenstemming met deze Overeenkomst;
b. in Nederland diensten of producten zullen aanbieden of leveren op het gebied van payrolling, anders dan payrolling diensten of producten aan klanten in de sectoren bouw, logistiek, petrochemie, onderwijs, technische of zakelijke dienstverlening, technische services, aviation, en informatie technologie (waaronder begrepen data centers en beveiligingssystemen). Voor alle duidelijkheid, in verband met Artikel 8.2. (b) wordt begrepen onder "payrolling" (…)
c. klanten zullen benaderen voor de levering van producten en/of diensten gelijk aan de producten/diensten die worden geleverd door de Vennootschap voor zover zij klanten van de Vennootschap waren op de Leveringsdatum; en
d. financieel of anderszins betrokken zullen zijn bij activiteiten bedoeld onder Artikel 8.2a, gedurende dezelfde periode.
(…).'
Licentieovereenkomst
1.27 Op 6 juli 2016 hebben PayingIP en Workrate ook een licentieovereenkomst gesloten, die als bijlage bij de Koopovereenkomst is opgenomen (hierna: de Licentieovereenkomst). In de Licentieovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:
'(…)
2.1 De Licentiegever [PayingIP, A-G] verleent hierbij aan Licentienemer [Workrate, A-G] en aan haar Groepsmaatschappijen, gelijk de Licentienemer hierbij aanvaardt, onder de voorwaarden uiteengezet in deze overeenkomst, het onherroepelijke niet-exclusieve wereldwijde recht om niet (royalty free) (de Licentie) voor het interne gebruik en externe gebruik overeenkomstig Artikel 2.2 door de Licentienemer en de Groepsmaatschappijen van door Licentiegever ontwikkelde of nog te ontwikkelen software voor het plannen van personeel, het bijhouden van personeelszaken en het voeren van de backoffice, waaronder automatisering op financieel gebied en koppelingen naar financiële pakketten, zoals boekhoudpakketten en verloningspakketten en alle management rapportages onder de merknaam "Usemate", waaronder begrepen alle updates of nieuwe releases van deze software van tijd tot tijd, met uitzondering van maatwerkmodules specifiek ontwikkeld door Licentiegever voor klanten (de Software).
Op de datum van deze overeenkomst bestaat de Software in ieder geval uit de modules zoals opgenomen in de Bijlage bij deze overeenkomst. (…)
2.2 De Licentienemer heeft het recht (maar niet de verplichting) om op enig moment gedurende de looptijd van deze Overeenkomst de Software commercieel te exploiteren aan derden als distributeur van de Licentiegever.
(…)
2.4 De Licentienemer is te allen tijde gerechtigd om de Licentiegever schriftelijk te verzoeken om applicaties te ontwikkelen voor, of aanpassingen of uitbreidingen aan te brengen op, de Software die door de Licentiegever (…) zullen worden beheerd (Workrate Aanpassingen). (…)
3 Levering Services
3.1 De Licentiegever zal aan de Licentienemer in verband met de Software om niet gedurende de looptijd van deze overeenkomst:
(a) tijdig (zoals bedoeld in artikel 6) en volledig alle updates en nieuwe releases leveren (het Onderhoud) (…)
4 Kwaliteitseisen
4.1 De Licentiegever zal ervoor zorgdragen en ervoor instaan jegens de Licentienemer dat de Software en de Services (…) te allen tijde (i) ten minste gelijk zijn in kwaliteit en beschikbaarheid aan dezelfde of vergelijkbare software en services die Licentiegever levert aan haar eigen klanten en (ii) ten minste voldoende zijn in kwaliteit en beschikbaarheid voor de voortzetting van de normale bedrijfsvoering van de Licentienemer in materiaal opzicht zoals deze bedrijfsvoering op basis van de Software en Services wordt gevoerd op de datum van deze overeenkomst en zoals gewijzigd van tijd tot tijd (…) De Licentiegever zal niet gehouden zijn om meer kwaliteit en beschikbaarheid te leveren om niet dan op grond van de voorgaande kwaliteitseisen geldt.
4.2 Daarnaast zullen Partijen alle toepasselijke wet - en regelgeving met betrekking tot de kwaliteit van de Software naleven en daarvan een deugdelijke administratie bijhouden voor zover dit op grond van de toepasselijke wet - en regelgeving vereist is.
(…)
5 Intellectuele eigendomsrechten
5.1 Niettegenstaande artikel 6.4, komen alle intellectuele eigendomsrechten op (verbeteringen, uitbreidingen of aanpassingen op) de Software toe aan de Licentiegever, tenzij Partijen anders overeenkomen.
5.2 De broncode van de Software is en blijft het intellectueel eigendom van de Licentiegever en de Licentienemer is niet gerechtigd om de broncode van de Software op enigerlei wijze commercieel te exploiteren.
(…)
6 Niet-nakoming
6.1 In de navolgende gevallen is in ieder geval sprake van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van de Licentiegever in de artikelen 2 en, 3 en 4 (een Tekortkoming):
(a) de Software (waaronder begrepen de updates en nieuwe releases) wordt niet geleverd aan de Licentienemer binnen 2 werkdagen nadat de Software of het betreffende onderdeel daarvan is uitgebracht aan klanten van de Licentiegever; en
(b) de Software (waaronder begrepen de updates en nieuwe releases) wordt niet geleverd aan de Licentienemer overeenkomstig het vereiste in artikel 4.1 (ii) binnen 2 werkdagen na schriftelijk kennisgeving daartoe van de Licentienemer (…)
(…)
6.3 De Licentiegever zal zich er maximaal toe inspannen om een Tekortkoming (voor zover mogelijk) zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 5 werkdagen na de termijnen genoemd in de artikelen 6.1(a) en 6.1(b) (de Herstelperiode) en op eigen kosten te verhelpen. Indien de Licentiegever op eerste verzoek van de Licentienemer niet kan aantonen dat zij zich maximaal heeft ingespannen om de Tekortkoming te verhelpen binnen de Herstelperiode dan is de Licentiegever aan de Licentienemer een eenmalige boete verschuldigd van EUR 10.000 voor iedere tekortkoming, vermeerderd met EUR 2.000 voor iedere dag dat de Tekortkoming na de uiterste hersteldatum voortduurt met een maximum bedrag van EUR 50.000 (…)
6.4 Indien zich een tekortkoming voordoet ten aanzien van de Software (dus niet ten aanzien van de Services) en deze niet is hersteld binnen de Herstelperiode en hiervoor reeds het maximale boetebedrag overeenkomstig artikel 6.2 is verbeurd, dan wel duidelijk is na de Herstelperiode dat de Tekortkoming niet kan worden verholpen (een Terugvalmoment), dan geldt het volgende:
(a) indien het Terugvalmoment zich voordoet tussen de datum van deze overeenkomst en de datum die ligt vier (4) jaar na de datum van deze overeenkomst, dan is de Licentiegever gedurende een periode van achttien (18) maanden vanaf het Terugvalmoment op eerste schriftelijke verzoek van de Licentienemer verplicht om het eigendom van de Software en alle daarmee verband houdende intellectuele eigendomsrechten zo spoedig mogelijk en om niet over te dragen aan de Licentiegever.
(…)
(b) indien het Terugvalmoment zich voordoet na de datum die ligt vier (4) jaar na de datum van deze overeenkomst, dan is de Licentiegever op eerste schriftelijke verzoek van de Licentienemer verplicht om gedurende een periode van achttien (18) maanden vanaf het Terugvalmoment het eigendom van de Software en alle daarmee verband houdende intellectuele eigendomsrechten zo spoedig mogelijk over te dragen aan de Licentiegever tegen betaling van de Terugvalkoopprijs (…)
(…)
9 Non-concurrentie
9.1 In verband met de in deze overeenkomst beschreven rechten en verplichtingen verbinden ieder van de Licentiegever, [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] zich jegens de Licentienemer ertoe om ervoor zorg te dragen dat noch zij noch enige aan hen verbonden persoon (…), in welke vorm of hoedanigheid dan ook, direct of indirect, gedurende een periode van vijf (5) jaar na de datum van deze overeenkomst, anders dan met voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Licentienemer:
(a) wereldwijd software (laten) ontwikkelen, uitwerken, verkopen of anderszins commercieel exploiteren, die bestemd of specifiek gericht is op operationeel gebruik door beveiligingsbedrijven of anderszins op registraties die door beveiligers worden uitgevoerd tijdens hun werkzaamheden, anders dan in overeenstemming met deze overeenkomst; (…)
9.2 In verband met de in deze overeenkomst beschreven rechten en verplichtingen verbinden ieder van de Licentienemer, [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 6] zich jegens de Licentiegever ertoe om ervoor zorg te dragen dat noch zij noch enige aan hen verbonden persoon (…), in welke vorm of hoedanigheid dan ook, direct of indirect, gedurende de looptijd van deze overeenkomst, anders dan met voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Licentiegever:
(a) wereldwijd de Software zullen verkopen of anderszins commercieel exploiteren anders dan in overeenstemming met deze overeenkomst;
(b) in Nederland diensten of producten zullen aanbieden of leveren op het gebied van payrolling, anders dan payrolling diensten of producten aan klanten in de sectoren bouw, logistiek, petrochemie, onderwijs, technische en zakelijke dienstverlening, technische services, aviation en informatie technologie (waaronder begrepen data centers en beveili[gi]ngssystemen). Voor alle duidelijkheid, in verband met dit artikel 9.2 (b) wordt begrepen onder "payrolling": de verloning van werknemers op expliciet en rechtstreeks verzoek van een derde welke derde zelf in de werving en selectie van dergelijke werknemers voorziet; (…)'
1.28 In de bijlage bij de Licentieovereenkomst staat het volgende:
'SOFTWARE
De volgende modules voor de Software zijn beschikbaar op de datum van deze overeenkomst:
/src/portal/portlets/workrate
/www/portal/templates/workmate
Op deze softwaremodules zijn de volgende licenties van toepassing:
/src/portal/portlets/workrate
WorkMate/UseMate
Copyright (c) 2014 Payingit Holding B.V.
Licentie: Maatwerk'
1.29 Na ondertekening van de Koop - en Licentieovereenkomst op 6 juli 2016 is de naam van Usemate B.V. gewijzigd in PayingIT.
Eerdere procedures
1.30 Op 13 juni 2019 hebben PayingIT en PayingIP een voorlopig getuigenverhoor verzocht bij de rechtbank Amsterdam om duidelijkheid en/of bewijs te krijgen over de wijze van gebruik van de Usemate software door Workrate, teneinde vast te kunnen stellen of sprake was van contract - en auteursrechtinbreuk. Na toewijzing (op 1 oktober 2019) zijn op 17 januari 2020, 31 augustus 2020, 25 november 2020 en 22 juni 2021 [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] (allen werkzaam bij Equinix[3] ), [betrokkene 4] en [betrokkene 11] (werkzaam bij KlasseStudent) als getuigen gehoord.
1.31 PayingIT en PayingIP zijn ook een kort geding gestart tegen Workrate. Bij kortgedingvonnis van 27 mei 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5391) zijn hun vorderingen om Workrate te verbieden inbreuk te maken op de Licentieovereenkomst en de auteursrechten van PayingIT afgewezen. Auteursrechtschending was naar voorlopig oordeel van de Amsterdamse voorzieningenrechter onvoldoende gebleken. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
1.32 In een volgend kort geding is bij vonnis van 30 december 2020 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl) de vordering van PayingIP om Workrate te veroordelen tot overdracht van de auteursrechten op de Usemate software aan PayingIP toegewezen. De auteursrechten op de Usemate software zoals beschreven in het [betrokkene 4] - document van 28 juni 2016 zijn per datum vonnis overgedragen aan PayingIP. Zowel PayingIP als Workrate hebben hiertegen geappelleerd, waarin [ten tijde van het wijzen van het bestreden arrest en voor zover ik heb kunnen nagaan ook nog niet ten tijde van het nemen van deze conclusie, A-G] nog geen arrest is gewezen.
Correspondentie tussen partijen na ontstaan geschil
1.33 Workrate heeft Payingit c.s. meerdere e-mails en/of brieven gestuurd over de door haar vastgestelde tekortkomingen en het daardoor in te roepen Terugvalmoment als bedoeld in art. 6.4 Licentieovereenkomst.
1.34 Op 27 november 2020 heeft Workrate aan PayingIP een brief gestuurd met als onderwerp 'Akte Overdracht auteursrecht'. In deze brief staat, voor zover relevant:
'(…) Workrate Holding B.V. heeft nog steeds de bereidheid om de auteursrechten over te dragen. In dat kader heeft Workrate Holding B.V. besloten om (…) alle intellectuele eigendomsrechten door middel van de onderhavige akte over te dragen. Deze overdracht vindt plaats onder de volgende voorwaarden:
Door ondertekening van de onderhavige akte draagt Workrate Holding B.V. hierbij aan Paying IP B.V. over alle rechten van intellectuele eigendom van Workrate Holding B.V. op de Usemate-software, anders dan de rechten van intellectuele eigendom van Workrate Holding B.V. op (onderdelen van) Workstate of Academy. Onder de Usemate-software wordt begrepen software voor het plannen van personeel, het bijhouden van personeelszaken en het voeren van de backoffice, waaronder automatisering op financieel gebied en koppelingen naar financiële pakketten, zoals boekhoudpakketten en verloningspakketten en alle management rapportages onder de merknaam "UseMate", waaronder begrepen alle updates of nieuwe releases van deze software van tijd tot tijd, met uitzondering van maatwerkmodules en waarvan de softwarecode zich op 6 juli 2016 bevond in de mappen met de vermelding 'Workmate' gespecificeerd in het document van [betrokkene 4] d.d. 28 juni 2016 (bijlage), exclusief de onderdelen van de softwarecode en databestanden die gebruikt worden door Workstate en Academy. Ter voorkoming van misverstanden: uitgesloten van deze overdracht zijn de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot
(i) de onderdelen die toebehoren aan het [softwarebedrijf] Portal framework (en de overige in het door [betrokkene 4] in zijn document van 28 juni 2016 (bijlage) genoemde derden);
(ii) de onderdelen van de softwarecode en databestanden die gebruikt worden door Workstate en Academy, ongeacht of deze softwarecode en databestanden zich op 6 juli 2016 al dan niet bevonden in de mappen met de vermelding 'WorkMate' gespecificeerd in het document van [betrokkene 4] d.d. 28 juni 2016 (…)'.
Deskundigen
1.35 Payingit c.s. heeft [IT-deskundige 1] onderzoek laten doen naar de verwevenheid tussen het softwarepakket van Usemate en Workstate. In zijn verklaring van 5 mei 2021 heeft [IT-deskundige 1] dit per map uit het [betrokkene 4] - document toegelicht.
1.36 Vervolgens heeft Workrate, om de verwevenheid tussen Workstate en Usemate inzichtelijk te maken, de [IT-deskundige 2] in juni 2021 verzocht om ook onderzoek te doen. [IT-deskundige 2] heeft in zijn rapport van 5 juli 2021 beschreven dat er enkele verwevenheden tussen beide systemen bestaan.
1.37 Daarna heeft [IT-deskundige 1] in zijn verklaring van 19 augustus 2021 aangegeven dat Usemate en Workstate geen losstaande applicaties zijn en dat als bijvoorbeeld broncode uit map 5 (van het [betrokkene 4] - document) wordt verwijderd, de Usemate software niet meer functioneert.
1.38 [IT-deskundige 2] heeft in zijn nadere deskundigenbericht van 20 oktober 2021 zijn bericht van 5 juli 2021 aangevuld.
1.39 Payingit c.s. heeft vervolgens [IT-deskundige 3] en [IT-deskundige 4] onderzoek laten doen naar de verwevenheid tussen Usemate en Workstate, waarover zij hebben gerapporteerd op 21 oktober 2021. Ook zij concluderen dat er een sterke verwevenheid tussen beide softwarepakketten is.
1.40 In reactie daarop heeft [IT-deskundige 2] nog een aanvullend rapport uitgebracht op 30 augustus 2022.
1.41 Vervolgens heeft [informaticadeskundige] in opdracht van Payingit c.s. een rapport van 1 december 2023 uitgebracht, waarop [IT-deskundige 2] bij brief van 7 februari 2024 nog heeft gereageerd. [informaticadeskundige] heeft daar weer op gereageerd bij bericht van 26 augustus 2024.
2. Procesverloop[4]
2.1 Workrate heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, een declaratoir gevorderd dat zij geen auteursrechtinbreuk maakt of in de nakoming van haar contractuele verplichtingen tekortschiet door haar gebruik en exploitatie van onderdelen van de Workstate software die ook in de Usemate software voorkomen (vorderingen I tot en met IV). Daarnaast heeft zij vorderingen ingesteld (onder meer) gebaseerd op diverse gestelde tekortkomingen van PayinglP in de nakoming van de Licentieovereenkomst (vorderingen V tot en met XV), alles kosten rechtens ex art. 1019h Rv (vordering XVI)[5] .
2.2 Payingit c.s. heeft in reconventie, na wijziging van eis, primair gevorderd een verklaring voor recht dat op grond van de Koopovereenkomst het auteursrecht op de software in de zes in het [betrokkene 4] - document vermelde mappen inclusief bewerkingen is overgedragen, Workrate inbreuk maakt op die auteursrechten en/of tekortschiet in de nakoming van op haar rustende verbintenissen en boetes heeft verbeurd en dat het gebruiksrecht om niet van Workrate is vervallen waardoor zij een licentievergoeding verschuldigd is (vorderingen I tot en met V). Tevens vorderde Payingit c.s. schadevergoeding, winstafdracht, een bevel om de auteursrechtinbreuken en tekortkomingen te staken, kopieën van de software te verwijderen en informatie over de inbreuken (afnemers, winst etc.) te verstrekken, en een bevel tot rectificatie (vorderingen VI tot en met XI). Daarnaast heeft Payingit c.s. subsidiair en meer subsidiair vorderingen ingesteld voor het geval de rechtbank zou oordelen dat niet het gehele auteursrecht op de in het [betrokkene 4] - document genoemde broncode is overgedragen[6] .
2.3 De rechtbank heeft voor recht verklaard dat Workrate geen inbreuk maakt op de auteursrechten met betrekking tot Usemate of in strijd handelt met de Licentieovereenkomst door gebruik van de interfaces en coderegels, gebruik en bezit van de 2015-kopie, gebruik door Equinix en het maken van de 2012-kopie (rov. 6.1-6.4), onder afwijzing van de overige vorderingen van Workrate (rov. 6.6) en integrale afwijzing van de reconventionele vorderingen (rov. 6.7). Dat geldt ook voor een in eerste aanleg nog ingestelde incidentele vordering tot inzage in bescheiden aangaande de Koop - en Licentieovereenkomst (rov. 6.9), onder compensatie van kosten in conventie en reconventie (rov. 6.5 en 6.8) en met veroordeling van Payingit c.s. in de proceskosten van het 843a Rv-incident (rov. 6.10-6.11).
2.4 Payingit c.s. heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en uitvoerbaar bij voorraad alsnog de in eerste aanleg toegewezen (conventionele) vorderingen van Workrate zal afwijzen, en de gewijzigde (reconventionele) vorderingen van Payingit c.s. zal toewijzen, evenals een in hoger beroep aanvullend ingestelde vordering tot veroordeling van Workrate om mee te werken aan een door het hof te gelasten deskundigentraject over de verwevenheid van de Usemate en Workstate software en het gebruik daarvan door Workrate, een en ander met veroordeling van Workrate in de kosten van het geding in beide instanties ex art. 1019h Rv met nakosten en rente.
2.5 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank grotendeels bekrachtigd. De grieven van Payingit c.s. treffen uitsluitend doel voor zover in het vonnis de primair onder I gevorderde verklaring voor recht is afgewezen. Op dat punt heeft het hof het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan door voor recht te verklaren dat de auteursrechten op de software opgenomen in de zes mappen uit het [betrokkene 4] - document van 28 juni 2016 inclusief alle bewerkingen daarvan op grond van de Koopovereenkomst per 6 juli 2016 aan PayingIP zijn overgedragen – en voor het overige is het vonnis door het hof bekrachtigd (rov. 6.1). Het hof heeft Payingit c.s., uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, die door het hof onder toepassing van art. 1019h Rv zijn vastgesteld op € 40.783, te vermeerderen met nakosten en rente (rov. 6.2-6.3). Het meer of anders gevorderde is door het hof afgewezen (rov. 6.4). Het hof heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:
'Omvang van het hoger beroep
(…)
5.2. Verder is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep van de zijde van Workrate toegelicht dat zij afstand heeft gedaan van haar in eerste aanleg ingenomen standpunt, dat met de Koopovereenkomst niet rechtsgeldig auteursrechten op Usemate software zijn overgedragen en die overeenkomst niet als een akte in de zin van artikel 2 lid 3 Aw kan worden aangemerkt. Wel betwist zij nog steeds dat die overdracht ook rechten op de met de Workstate software gemeenschappelijke delen van de software (zoals de interfaces en shared modules) omvat.
5.3. Tot slot is van de zijde van Payingit c.s. ter zitting bevestigd dat zij geen grieven heeft gericht tegen (…) de afwijzing van haar vorderingen gebaseerd op de stelling dat de 'NMBRS-koppeling' een schending vormt van artikel 9.2 van de Licentieovereenkomst. (…).
Omvang van de auteursrechtoverdracht
5.4. Tussen partijen staat vast dat de broncode van het door Workrate geëxploiteerde softwareprogramma Workstate gedeeltelijk overlapt (verweven is) met de broncode van de Usemate software. In deze zaak gaat het om de vraag in hoeverre Workrate na de verkoop en licentieverlening ten aanzien van die gemeenschappelijke delen in de Workstate en Usemate-software nog tot het verrichten van gebruiks - en exploitatiehandelingen bevoegd is. Het antwoord op die vraag hangt af van wat partijen in de Koop - en Licentieovereenkomsten hebben afgesproken. Dit moet door uitleg van deze overeenkomsten worden bepaald. Daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over een weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De grieven 1 tot en met 6 en 10 komen op tegen het hierover door de rechtbank gegeven oordeel en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5.5. Zoals onder 5.1 [lees: 5.2, A-G] aangegeven, is niet langer in geschil dat op grond van de Koopovereenkomst het auteursrecht op de Usemate software (rechtsgeldig) is overgedragen. Wel houdt partijen verdeeld wat de omvang van het werk is waarop het (gehele) auteursrecht is overgegaan.
5.6. Naar het oordeel van het hof zijn partijen bij het sluiten van de Koopovereenkomst overeengekomen dat daarmee de (auteurs)rechten op de in het [betrokkene 4] document vermelde mappen 1 en 3 tot en met 7 aan PayinglP werden overgedragen. [betrokkene 4] heeft voor [betrokkene 1] (kennelijk op diens verzoek) ten behoeve van de voorgenomen verkoop in zijn onder 3.15 genoemde e-mail met bijlage [zie 1.14, A-G], onder het kopje 'eigendom software' gespecificeerd 'welke softwaremodules eigendom zijn van Workrate BV' en daarbij vermeld: 'alle modules waarbij Workrate BV als eigenaar van het auteursrecht is vermeld, zal Paying IT de nieuwe rechthebbende worden'. In de bijgevoegde specificatie is bij de modules 1 en 3 tot en met 7 Workrate BV als eigenaar genoemd. [betrokkene 1] heeft deze e-mail zonder kanttekeningen of voorbehoud doorgestuurd aan [betrokkene 7] , [betrokkene 2] en [eiser 5] , met de vraag of zij hiermee akkoord zijn. Daarmee diende [betrokkene 1] te begrijpen dat kopers ervan zouden uitgaan dat Workrate zelf al met deze in haar opdracht opgestelde specificatie van de te leveren (rechten op de) software akkoord was. Blijkens de nadien door [eiser 5] aan [betrokkene 7] gestelde vraag of het [betrokkene 4] - document niet aan de Koopovereenkomst moest worden gehecht, blijkt dat [eiser 5] ervan uitging dat de rechten op de genoemde zes softwaremodules zouden overgaan. [betrokkene 7] antwoordde dat de software met het ( [betrokkene 4] - )document juridisch voldoende omschreven was en dat het niet nodig was het nog als bijlage op te nemen.
5.7. Op grond van de voorgaande correspondentie diende Workrate te begrijpen dat Kopers ervan uit zouden gaan dat zij de rechten op de broncode als gespecificeerd in het [betrokkene 4] - document zouden verwerven en mochten Kopers daarop ook gerechtvaardigd vertrouwen. Daargelaten of [betrokkene 7] bij de onderhandelingen namens Workrate optrad – dit is tussen partijen in geschil – kan uit het enkele feit dat dit document vervolgens op zijn voorstel niet aan de overeenkomst is gehecht, niet worden afgeleid dat Kopers redelijkerwijs moesten begrijpen dat Workrate zich (bij nader inzien) toch niet aan de doorgestuurde specificatie van de over te dragen (rechten op de) broncode gebonden achtte. De conclusie is dan ook dat aan PayinglP op grond van de Koopovereenkomst, uitgelegd aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs mochten verwachten, de rechten op de broncode als gespecificeerd in de zes mappen in het [betrokkene 4] - document zijn verkocht en geleverd. Het hof tekent hierbij nog aan dat sprake is van een business-to-business transactie, waarin geen plaats is voor toepassing van de regel dat een auteursrechtoverdracht restrictief, ten gunste van de (natuurlijke) maker, moet worden uitgelegd (artikel 2 lid 5 Aw).
Gebruiksrecht voor gemeenschappelijke onderdelen van de broncode
5.8. Volgens Payingit c.s. mocht zij ervan uitgaan dat de Usemate-software voorafgaand aan de koop van Workstate zou worden 'gesplitst' waardoor op het moment van levering van enige verwevenheid tussen de beide software-toepassingen geen sprake meer zou zijn. Ook uit het beding dat de software onbezwaard zou worden geleverd volgt dat zij de rechten daarop 'schoon' zou verkrijgen, zonder dat daar nog gebruiksrechten van anderen op rustten. [eiser 5] was destijds op grond van de in kopie aan hem gestuurde e-mails niet ervan op de hoogte dat de software niet zou worden gesplitst maar dat de codebase ervan, die draaide op het GIT-systeem (ook wel de GIT-versie), zou worden gedupliceerd in op het SVN-systeem draaiende versie (ook wel: de SVN-versie). Nu achteraf gebleken is dat splitsing op de door haar gestelde wijze niet heeft plaatsgevonden en Workstate een met Usemate gemeenschappelijke broncode gebruikt, levert de voorgezette exploitatie van Workstate een schending op van Payingit c.s.' auteursrecht en de overeengekomen licentievoorwaarden, aldus nog steeds Payingit c.s.
5.9. Workrate heeft betwist dat was toegezegd de applicaties op de door Payingit c.s. gestelde wijze los te koppelen. Volgens haar was met splitsen ('splitten') bedoeld dat een afzonderlijke kopie van de codebase zou worden gemaakt zodat iedere partij in een eigen codebase kon werken en daarin code zou kunnen updaten. [eiser 5] was daarvan ook op de hoogte, althans moest dat zijn, op grond van diverse aan hem (cc) gestuurde e-mails, waaronder een e-mail van de dag voor de contractsluiting, waaruit bleek dat de codebase was gesplitst in twee codebases die draaiden in verschillende omgevingen (GIT en SVN), aldus Workrate.
5.10. Het hof overweegt als volgt. De onderhandelingen over de Koopovereenkomst vonden plaats tussen enerzijds [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en anderzijds [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] . De onderhandelingen werden begeleid door [betrokkene 7] . Payingit c.s. heeft niet betwist dat wetenschap van [eiser 5] aan Kopers kan worden toegerekend. Vast staat dat [eiser 5] geheel op de hoogte was van het bestaan van Workstate en het gegeven dat Workrate deze software-applicatie extern, zoals bij haar grootste klant Equinix (waarvoor [eiser 5] accountmanager was), exploiteerde. Verder wist [eiser 5] dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden. Bovendien had [eiser 5] begrepen (althans moeten begrijpen) dat er twee (aanvankelijk identieke) versies waren van de (codebase) van de software: GIT (Usemate) en SVN (Workrate) en dat Workstate de SVN versie bleef gebruiken voor Workstate en daarop ook zelf ontwikkelde, hetgeen voldoende duidelijk was uit verschillende door [betrokkene 4] (al dan niet cc) aan [eiser 5] gestuurde e-mails (van 5 juli 2016 aan [eiser 5] cc (EP8), 20 april 2016 aan [eiser 5] cc (EP 92) en 30 augustus 2018 aan [eiser 5] (EP9).
5.11. Ter zitting van het hof is door [eiser 5] ook bevestigd dat alle partijen wisten dat Workrate haar Workstate software extern exploiteerde, onder meer door deze aan derden als Equinix ter beschikking te stellen, en dat iedereen ervan uitging dat de Koopovereenkomst daarin geen verandering zou brengen. Het hof leidt hieruit af dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst er niet vanuit zijn gegaan dat de exploitatie van Workstate onder de voorwaarden van de Licentieovereenkomst zou vallen. Op grond van die voorwaarden was Workrate immers slechts bevoegd de gelicentieerde software intern te gebruiken of in hoedanigheid van distributeur van PayingIP en/of met voorafgaande schriftelijke toestemming van Paying IP extern te exploiteren. Zulke gebruiksbeperkingen zijn onverenigbaar met de (externe) exploitatie van de Workstate-software die, waarvan alle betrokkenen uitgingen, onverminderd door zou lopen. Ook uit het in de Licentieovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding blijkt dat partijen elkaar in hun respectieve branches (beveiliging respectievelijk payrolling) niet in de weg wilden zitten. Payingit c.s. heeft ook niet gesteld dat de bedoeling was dat eventuele overlappende software onderdelen van Workstate onder de bepalingen van de Licentieovereenkomst zouden vallen.
5.12. Weliswaar moesten partijen uit de hiervoor onder 3.17 weergegeven e-mail van [betrokkene 7] aan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [eiser 5] van 31 mei 2016 [zie 1.16, A-G] begrijpen dat de clausule op grond waarvan de software 'onbezwaard' zou worden geleverd (artikel 3.2 van de Koopovereenkomst), (mede) inhield dat Workrate geen auteursrechtlicenties aan derden mocht hebben verstrekt. Daaruit volgt echter niet dat partijen hiermee tevens beoogden dat daarmee (eventueel) gebruik door Workrate van overlappende delen van de verkochte software bij de, eenieder bekende, doorlopende exploitatie van de Workstate-applicatie zou (kunnen) worden verboden.
5.13. Partijen hebben in de Koop - en Licentieovereenkomst niet (expliciet) geregeld wat heeft te gelden voor zover (zou blijken dat) Workstate gebruik zou maken van (overlappende) onderdelen van de aan PayingIP in het kader van de Usemate-applicatie verkochte broncode. Dat zulk gebruik van gemeenschappelijke delen van de broncode zou vallen onder de licentievoorwaarden voor gebruik van Usemate kan niet worden aanvaard. Zoals hiervoor is overwogen zijn deze voorwaarden immers onverenigbaar met de bij alle partijen bekende doorlopende exploitatie van Workstate en daarvoor ook niet bedoeld. Nu alle partijen er evenwel van uitgingen dat de overeenkomsten geen verandering in de exploitatie van Workstate zouden brengen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat Payingit c.s. dit gebruik moet dulden en Workrate een desbetreffend (impliciet) contractueel gebruiksrecht toekomt.
5.14. Het hof betrekt hierbij dat ter zitting van het hof desgevraagd door beide partijen is verklaard dat, omdat zij in geheel verschillende branches actief zijn, het door de rechtbank geformuleerde gebruiksrecht in de praktijk geen (afgrenzings)problemen veroorzaakt, ook niet voor de uitoefening van de bepalingen in de Licentieovereenkomst op grond waarvan Workrate PayingIP in het kader van haar gebruik van Usemate om aanpassingen van (al dan niet ook door Workstate gebruikte delen van de) broncode dient te verzoeken en daarvoor moet betalen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de bij memorie van grieven ingenomen andersluidende stelling van Payingit c.s. dat de door de rechtbank vastgestelde impliciete gebruikslicentie om die redenen in de praktijk niet werkbaar zou zijn.
5.15. Het betoog van Payingit c.s. dat het aannemen van een dergelijk (impliciet) gebruiksrecht in strijd zou zijn met de drie stappentoets van artikel 5 lid 5 Auteursrechtrichtlijn, ziet eraan voorbij dat de driestappentoets geen rol speelt bij de uitleg van een tussen twee partijen overeengekomen (impliciet) gebruiksrecht.
5.16. De hiervoor gegeven uitleg is verder ook niet in strijd met de ten laste van Workrate in de overeenkomsten opgenomen non-concurrentiebedingen. Daarin is de onthoudingsverplichting telkens toegespitst op het gebruik van de "software" overeenkomstig de in de overeenkomsten daarvan opgenomen functionele/branchegerichte omschrijving.
5.17. Dit leidt tot de volgende (tussen)conclusies. Aan PayingIP zijn de auteursrechten op de in het [betrokkene 4] - document gespecificeerde broncode overgedragen. Workmate mag de Usemate-applicatie onder de in de Licentieovereenkomst neergelegde voorwaarden intern gebruiken en dient PayingIP in te schakelen indien zij aanpassingen wenst op de Usemate-software. Voor zover onderdelen van de verkochte broncode ook voorkomen in de Workstate-applicatie doet dat niet af aan de bevoegdheid van Workrate deze applicatie inclusief zulke gemeenschappelijke onderdelen zelfstandig verder te exploiteren en binnen die applicatie door te ontwikkelen.
5.18. Bij deze stand van zaken is niet beslissend wat de precieze omvang is van de overlap tussen beide software-applicaties en de al dan niet ondergeschiktheid van de gemeenschappelijke onderdelen van de broncode. Het voorgaande geldt namelijk ook indien daarbij wordt uitgegaan van hetgeen Payingit c.s. hierover heeft gesteld. Evenmin is beslissend of, en zo ja in hoeverre, de gemeenschappelijke onderdelen van de broncode auteursrechtelijk beschermd zijn. Hierdoor bestaat geen belang bij een nader deskundigenonderzoek naar de precieze mate van overlap en de auteursrechtelijke bescherming van de desbetreffende delen van de broncode. De aanvullende vordering in hoger beroep van Payingit c.s. om Workrate te bevelen mee te werken aan een door het hof te gelasten nader deskundigenbericht zal daarom worden afgewezen. Daarbij komt dat de rechter niet tot het gelasten van een deskundigenbericht verplicht is (HR 6 december 2022, ECLI:NL:HR:2002:AE8457).
5.19. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1 tot en [met] 6 en 10 gegrond zijn voor zover daarin is betoogd dat met de Koopovereenkomst de (auteursrechten op de) in het [betrokkene 4] document gespecificeerde broncode zijn verkocht en geleverd aan Paying IP en falen voor zover daarin wordt uitgegaan van een andere uitleg van de overeenkomsten dan hiervoor is gegeven. Omdat Workrate bevoegd is (gebleven) haar Workstate-software applicatie extern te exploiteren en binnen die applicatie door te ontwikkelen, leveren die handelingen geen auteursrechtinbreuk of tekortkoming in de nakoming van de Koop - en Licentieovereenkomst op. Ook de grieven 8 en 9 falen.
Klassenet
5.20. Grief 7 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Workrate ervan mocht uitgaan dat KlasseStudent toestemming had voor het voortgezet gebruik van de door haar sinds 2010 gebruikte versie van Usemate.
5.21. Vast staat dat het Kopers ten tijde van de contractsluiting bekend was dat KlasseStudent gebruik maakte van een oude versie van Usemate ten behoeve van haar KlasseNet-applicatie en dat Workrate deelnam in KlasseStudent. [betrokkene 1] heeft voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten in zijn aan [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 7] doorgestuurde e-mail van 28 juni 2016 het standpunt ingenomen dat KlasseStudent van de aan Workrate en haar groepsmaatschappijen te verlenen licentie gebruik zou kunnen maken en dat de door KlasseStudent gebruikte oude versie van de software "van KlasseStudent is en niet van usemate". Onder die omstandigheden hebben [eiser 5] en [eiser 6] , wier wetenschap ook hier aan Kopers moet worden toegerekend, in redelijkheid moeten begrijpen dat het de bedoeling van Workrate was dat de transactie geen verandering zou brengen in het gebruik dat KlasseStudent toen al jaren maakte van de oude versie van de Usemate software en dat de tussen partijen uitonderhandelde definitie van Groepsmaatschappij hiervoor niet doorslaggevend zou zijn. Daarbij komt dat de definitie van Groepsmaatschappij en het daarbij gehanteerde criterium 'overwegende mate van zeggenschap' zoals dat door partijen is aangevuld met het betrekkelijk ruime criterium "of het anderszins in overwegende mate beïnvloeden van de bedrijfsvoering" enige interpretatieruimte laat. Ook om die reden kan niet worden aanvaard dat partijen met de definitie van 'Groepsmaatschappij' een zodanig strakke regeling hebben willen treffen dat KlasseStudent daar (mogelijk) buiten zou kunnen vallen, althans dat Workrate dat redelijkerwijs zou hebben moeten begrijpen.
5.22. Naar het oordeel van het hof mocht Workrate onder deze omstandigheden redelijkerwijs ervan uitgaan dat Kopers ermee instemden dat KlasseStudent hoe dan ook haar reeds lang bestaande gebruik van KlasseNet zou mogen voortzetten. Daarmee behoeft geen beoordeling meer of KlasseStudent ook los van het voorgaande op grond van artikel 45j Aw bevoegd zou zijn om KlasseNet te gebruiken en Workrate om die reden geen tekortkoming zou kunnen worden verweten, zoals Workrate nog heeft betoogd. Grief 7 faalt.
Vorderingen
5.23. In dit arrest is geoordeeld dat op 6 juli 2016 aan PayinglP de software als vermeld in de zes mappen van het [betrokkene 4] document is overgedragen. Dit betekent dat de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van Payingit c.s., ingesteld voor het geval het hof hier anders over zou oordelen, geen bespreking behoeven. Van de primaire vorderingen van Payingit c.s. is toewijsbaar de onder I gevorderde verklaring voor recht dat de auteursrechten op de software opgenomen in de zes mappen uit het [betrokkene 4] document van 28 juni 2016 inclusief alle (naar het hof begrijpt: tot de datum van levering bestaande) bewerkingen daarvan op grond van de Koopovereenkomst per 6 juli 2016 aan (bedoeld zal zijn) PayinglP zijn overgedragen.
5.24. Verder is in dit arrest geoordeeld dat Workrate bevoegd is (gebleven) haar Workstate software, inclusief de (eventueel) met de verkochte Usemate-software overlappende onderdelen van de broncode, binnen de Workstate-applicatie door te ontwikkelen en dat KlasseStudent haar in 2010 aangevangen gebruik van Klassenet heeft mogen voortzetten. Daardoor falen de grieven gericht tegen de toewijzing door de rechtbank in conventie van de sub I tot en met IV door Workrate gevorderde (negatieve) verklaringen voor recht. Het vonnis in conventie zal daarom worden bekrachtigd. Dat geldt ook voor zover in reconventie de overige primaire vorderingen (II tot en met XI) zijn afgewezen. Die vorderingen zijn immers alle gebaseerd op de hiervoor verworpen stelling dat Workrate auteursrechtinbreuk pleegt dan wel tekortschiet in haar verplichtingen uit de Licentieovereenkomst door haar Workstate-applicatie te gebruiken, extern te exploiteren en door te ontwikkelen.
(…)
Proceskosten
5.27. Uit het voorgaande volgt dat het vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens voor zover daarin de primair door Payingit c.s. gevorderde verklaring voor recht is afgewezen. Bij deze uitkomst is, anders dan grief 11 betoogt, een kostenveroordeling in eerste aanleg ten laste van Workrate niet aan de orde. Het oordeel van de rechtbank dat de kosten in conventie en reconventie moeten worden gecompenseerd is door Workrate niet bestreden en het hof ziet geen aanleiding voor een ander oordeel, zodat het hof het vonnis ook in zoverre zal bekrachtigen.
5.28. In hoger beroep is Payingit c.s. de overwegend in het ongelijk gestelde partij en dient de kosten daarvan te dragen. Workrate heeft gevorderd dat Payingit c.s. in de volledige proceskosten van het hoger beroep ex artikel 1019h Rv wordt veroordeeld en heeft daartoe twee kostenspecificaties (met bijlagen) overgelegd tot een totaalbedrag van € 72.393,84 (inclusief griffierecht). Payingit c.s. heeft de kostenopgave van Workrate niet betwist. Het hof is van oordeel dat het geschil in hoger beroep betrekking heeft op de handhaving van IE-rechten zodat artikel 1019h Rv van toepassing is. Het hof zal de vordering toewijzen tot het (maximum) bedrag van het indicatietarief voor een complexe bodemzaak (€ 40.000, - te vermeerderen met het griffierecht van € 783,-)
Slotoverweging
5.29. De grieven treffen uitsluitend doel voor zover in het bestreden vonnis de primair onder I gevorderde verklaring voor recht is afgewezen en falen voor het overige. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd behoudens voor zover die vordering daarin was afgewezen. Payingit c.s. zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.'
2.6 Payingit c.s. heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Workrate heeft verweer gevoerd. Op 10 oktober 2025 heeft een mondeling pleidooi plaatsgevonden. De pleitnota's van beide partijen zijn na afloop van het pleidooi via het portaal ingediend. Beide partijen hebben hun standpunten eveneens schriftelijk laten toelichten. Ten slotte heeft Payingit c.s. gerepliceerd en heeft Workrate gedupliceerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
3.1 Het middel heeft drie onderdelen met subonderdelen. Onderdeel 1 klaagt in de kern dat het hof ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs heeft geoordeeld dat wetenschap van [eiser 5] aan Kopers kan worden toegerekend en dat Workrate een (impliciet) contractueel gebruiksrecht heeft. Volgens onderdeel 2 heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat Kopers instemden met voortgezet gebruik van KlasseNet. Onderdeel 3 beklaagt zich over de proceskostenveroordeling van Payingit c.s. op de voet van art. 1019h Rv naar indicatietarief 'complex'. Het middel wordt afgesloten met een voortbouwklacht.
Onderdeel 1: toerekening van wetenschap en (impliciet) contractueel gebruiksrecht
3.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.8-5.19. De klacht is dat het hof bij de uitleg van de Koop - en Licentieovereenkomst ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs tot uitgangspunt heeft genomen, als een door Payingit c.s. niet betwiste stelling van Workrate, dat wetenschap van [eiser 5] aan Kopers kan worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof wist [eiser 5] dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden en was hij geheel op de hoogte van het bestaan van Workstate en dat Workrate deze softwareapplicatie extern exploiteerde, zoals bij haar klant Equinix waarvoor [eiser 5] accountmanager was (rov. 5.10). Daarvan uitgaande leidde het hof uit [eiser 5] bevestiging ter zitting in appel ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs af dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst er niet van zijn uitgegaan dat de exploitatie van Workstate onder de voorwaarden van de Licentieovereenkomst zou vallen om de in rov. 5.11-5.12 vermelde redenen en concludeerde het hof in rov. 5.13 e.v. dat Payingit c.s. de doorlopende exploitatie van Workstate moet dulden en dat Workrate een desbetreffend (impliciet) contractueel gebruiksrecht toekomt. Deze algemene klacht is uitgewerkt in vijf subonderdelen.
3.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof met het oordeel in rov. 5.10 dat wetenschap van [eiser 5] aan Kopers kan worden toegerekend, in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van het verweer van Workrate in hoger beroep heeft aangevuld. Voor zover het hof op grond van de stellingname van Workrate in mva 8.1 e.v. ervan is uitgegaan dat kennis voorafgaand aan de koop van Usemate in 2016 bij [eiser 5] als bestuurder van PayingIT aanwezig was en daarmee kan worden toegerekend aan Kopers, heeft te gelden dat feitelijke grondslag mist dat Payingit c.s. Workrate's stelling niet heeft betwist dat wetenschap van [eiser 5] kan worden toegerekend aan Kopers. Workrate heeft dat niet als zodanig aangevoerd, waarmee het hof op ontoelaatbare wijze buiten de rechtsstrijd van partijen in appel is getreden. Voor zover het hof zijn oordeel alleen baseert op mva 8.1, is dat onbegrijpelijk omdat de desbetreffende passage geen andere lezing wettigt dan dat kennis van [eiser 5] als bestuurder aan PayingIT als vennootschap kan worden toegerekend en niet dat die kennis valt toe te rekenen aan Kopers. Laatstgenoemde lezing en strekking was voor Payingit c.s. niet voldoende kenbaar, ook niet op grond van de toelichting bij mva 8.2-8.9.
3.4 De klacht treft volgens mij in geen van beide lezingen doel. Het bestreden oordeel in rov. 5.10 is dat 'Payingit c.s. niet [heeft] betwist dat wetenschap van [eiser 5] aan Kopers kan worden toegerekend'. De wetenschap van [eiser 5] waar het hier om gaat, is door het hof in rov. 5.10[7] en 5.11[8] uiteengezet. Het betreft [eiser 5] wetenschap over met name de externe exploitatie van Workstate door Workrate en de verwevenheid tussen de Workstate en Usemate software. [eiser 5] had hier weet van omdat hij in de periode voor het sluiten van de Koopovereenkomst werkzaam is geweest bij Workrate (van 2011 tot 2016; zie rov. 3.3). In rov. 3.10 overweegt het hof ook dat [eiser 5] accountmanager was voor Equinix, de grootste klant van Workrate. Daarnaast overweegt het hof dat [eiser 5] via zijn persoonlijke holdingvennootschap NRD (indirect) aandeelhouder en bestuurder was van PayingIT (rov. 3.3), in 2013 mede door hem opgericht en toen nog Usemate genaamd (rov. 3.7). Het hof heeft de desbetreffende wetenschap van [eiser 5] toegerekend aan 'Kopers' – met hoofdletter 'K'. Dat is een verwijzing naar de Koopovereenkomst uit 2016 tussen, zoals weergegeven in rov. 3.27: 'NRD, DENDER en CMC (Kopers)' en 'Workrate (Verkoper)'[9] . NRD, DENDER en CMC zijn de persoonlijke holdings van [eiser 5] , [betrokkene 3] en [eiser 6] (rov. 3.3 en 3.7) en in de Koopovereenkomst wordt met 'Kopers' overigens ook gedoeld op [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] (zie bijv. art. 8.1 geciteerd in rov. 3.27). In rov. 5.10 heeft het hof vastgesteld dat de onderhandelingen over de Koopovereenkomst plaatsvonden tussen enerzijds [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voor Verkoper en anderzijds [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] voor Kopers.
3.5 Bij mva 8.1 stelt Workrate het volgende over de wetenschap van [eiser 5] :
'8.1 Payingit was voorafgaand aan de koop van Usemate in 2016 al op de hoogte van de verwevenheid van Usemate en Workstate en het gebruik van KlasseNet door KlasseStudent. Die kennis was in ieder geval aanwezig bij [eiser 5] , directeur van Payingit en kan daarom aan Payingit worden toegerekend.'
3.6 Hoewel dit bij eerste lezing een toerekeningstelling kan lijken te zijn van [eiser 5] kennis aan de vennootschap PayingIT, ligt dat bij nadere beschouwing bepaald niet voor de hand. PayingIT was immers geen partij bij de Koopovereenkomst, die de verkoop en levering regelde van de aandelen van Verkoper in PayingIT (toen nog: Usemate B.V.) aan Kopers (rov. 3.27). De mva verstaat onder 'Payingit' niet alleen de vennootschap PayingIT in enge zin, maar ook Payingit c.s., dus PayingIT, PayingIP, NRD, CMC, [eiser 5] en [eiser 6] gezamenlijk. Die laatste ruime aanduiding van Payingit in de zin van Payingit c.s. hanteert Payingit c.s. zelf ook bij grieven. Dat het hof bij die stand van zaken de toerekeningstelling aan 'Payingit' uit mva 8.1 leest als aan 'Payingit c.s.', is in dat licht een feitelijke en niet onbegrijpelijke uitleg.
3.7 Dat één van de Kopers, de persoonlijke holdingvennootschap DENDER van [betrokkene 3] , niet onder het verzamelbegrip 'Payingit' valt, kan Payingit c.s. hier volgens mij niet baten; DENDER en [betrokkene 3] zijn als voormalig (indirect) aandeelhouder en bestuurder van PayingIT (zie rov. 3.3 en 3.7) geen partij in deze zaak. Dat neemt niet weg dat Workrate al bij inl. dagv. 11.24 heeft gesteld dat ook [betrokkene 3] over de desbetreffende wetenschap beschikte: 'De heren van PayingIT en PayinglP ( [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] ) waren ten tijde van het sluiten van de Licentieovereenkomst door en door bekend met het gebruik dat Workrate van de software maakte'. Dat het hof de in de klacht gewraakte toerekening niet uitsluitend op mva 8.1 heeft gebaseerd, blijkt verder uit rov. 5.11 waarin het hof heeft geconstateerd dat [eiser 5] ter zitting in appel 'ook' heeft bevestigd dat 'alle partijen' over de desbetreffende wetenschap beschikten en dat 'iedereen ervan uitging' dat de Koopovereenkomst geen verandering zou brengen in de externe exploitatie van Workstate door Workrate. Dat 'iedereen' omvat dus ook [betrokkene 3] en zijn persoonlijke holdingvennootschap DENDER als één van de kopers.
3.8 Op dit alles stuiten deze klachten af.
3.9 Subonderdeel 1.2 klaagt dat het toerekeningsoordeel van wetenschap van [eiser 5] als bestuurder van PayingIT aan DENDER en CMC als 'Kopers', rechtens onjuist en onbegrijpelijk is. Vaststaat dat [eiser 5] als bestuurder van NRD en (indirect) aandeelhouder/bestuurder van PayingIT optrad en [eiser 6] en [betrokkene 3] optraden als bestuurder van CMC respectievelijk DENDER. Het hof heeft niet vastgesteld dat [eiser 5] in andere hoedanigheid bij de onderhandelingen optrad, als (interne) functionaris of als gevolmachtigde (art. 3:66 lid 2 BW) van CMC en DENDER. De wetenschap van [eiser 5] valt daarom niet aan de andere kopers (CMC en DENDER) toe te rekenen. Verder is het oordeel dat wetenschap van [eiser 5] aan alle Kopers kan worden toegerekend innerlijk tegenstrijdig met de vaststelling dat [eiser 6] en [betrokkene 3] bij de onderhandelingen over de Koopovereenkomst betrokken zijn geweest en in hun hoedanigheid van bestuurders van hun holdings hebben getekend. Althans is hier sprake van ontoereikende motivering omdat uit rov. 5.10 niet blijkt in welke hoedanigheid [eiser 5] namens Kopers in de onderhandelingen optrad op grond waarvan zijn wetenschap ook aan CMC en DENDER valt toe te rekenen.
3.10 De klacht mist feitelijke grondslag voor zover deze aanvoert dat het hof wetenschap van [eiser 5] als bestuurder van PayingIT als zodanig en zonder meer heeft toegerekend aan DENDER en CMC. [eiser 5] wist als gezegd van de hoed en de rand omdat hij in de jaren voorafgaand aan de koop (van 2011 tot 2016) werkzaam is geweest voor Workrate (rov. 3.3), onder meer als accountmanager voor de grootste klant van Workrate (rov. 3.10)[10] . De persoonlijke holdingvennootschap van [eiser 5] , NRD, is één van de kopers. De klacht bestrijdt (terecht) niet dat de wetenschap waarover [eiser 5] in deze hoedanigheid beschikte aan 'zijn' vennootschap NRD als één van de kopers kan worden toegerekend. Hoe heeft dan de toerekening aan de medekopers CMC en DENDER plaatsgevonden? Het klopt dat [eiser 5] niet als (interne) functionaris of als gevolmachtigde van CMC en DENDER (art. 3:66 lid 2 BW) is opgetreden. Het hof heeft evenwel in rov. 5.10 vastgesteld dat de onderhandelingen van Koperszijde niet alleen zijn gevoerd door [eiser 5] , maar ook door [eiser 6] en [betrokkene 3] . [eiser 6] en [betrokkene 3] werden aldus, als medeonderhandelaars aan Koperszijde, geacht over dezelfde wetenschap te beschikken als [eiser 5] (vgl. art. 3:35 BW). Overigens is niet gesteld of gebleken dat [eiser 6] en [betrokkene 3] niet over deze wetenschap beschikten. Integendeel; door [eiser 5] is ter zitting bij het hof juist bevestigd dat 'alle partijen' over de desbetreffende wetenschap beschikten (rov. 5.11). Via [eiser 6] , de bestuurder van diens holdingvennootschap CMC, kon de wetenschap aan medekoper CMC worden toegerekend en via [betrokkene 3] , de bestuurder van diens holdingvennootschap DENDER, aan medekoper DENDER. Van een onjuist, innerlijk tegenstrijdig of ontoereikend gemotiveerd oordeel is dan ook geen sprake.
3.11 Subonderdeel 1.2 ketst daar op af.
3.12 Subonderdeel 1.3 formuleert de algemene klacht dat het hof op grond van (alleen) hetgeen in rov. 5.10 in rov. 5.11-5.14 is overwogen ten onrechte en in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijkerwijs heeft geoordeeld dat partijen er bij het sluiten van de overeenkomst niet van uitgingen dat de exploitatie van Workstate onder (gebruiksbeperkende) voorwaarden van de Licentieovereenkomst zou vallen op grond waarvan Workrate slechts bevoegd was de gelicentieerde software intern te gebruiken of in hoedanigheid van distributeur van PayinglP en/of met voorafgaande schriftelijke toestemming van PayinglP extern te exploiteren (rov. 5.11), dat partijen met de clausule in art. 3.2 Koopovereenkomst dat de software 'onbezwaard' zou worden geleverd niet beoogden dat daarmee gebruik door Workrate zou (kunnen) worden verboden (rov. 5.12) en dat partijen ervan uitgingen dat de Koop - en Licentieovereenkomst geen verandering in de exploitatie van Workstate zouden brengen, zodat Payingit c.s. dit gebruik moet dulden en Workrate een (impliciet) contractueel gebruiksrecht toekomt (rov. 5.12). Deze klacht is uitgewerkt in vier subklachten.
3.13 De subklacht onder a (rechtsklacht) is dat het hof de Haviltex-maatstaf heeft miskend. Het gaat er niet om wat partijen volgens het hof als (impliciet) contractueel gebruiksrecht zouden kunnen zijn overeengekomen, maar om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uit te leggen bepalingen in de Koop - en Licentieovereenkomst en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs, over en weer, van elkaar mochten verwachten[11] .
3.14 Deze klacht lijkt mij tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft eerst door middel van uitleg vastgesteld wat partijen in de Koop - en Licentieovereenkomst hebben afgesproken. Op basis van die uitleg constateert het hof een leemte die moet worden aangevuld. Die leemte is dat partijen niet (expliciet) hebben geregeld wat heeft te gelden voor zover (zou blijken dat) Workstate gebruik zou maken van (overlappende) onderdelen van de aan PayingIP in het kader van de Usemate-applicatie verkochte broncode. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat deze leemte aldus moet worden aangevuld dat aan Workrate hier een impliciet contractueel gebruiksrecht toekomt (rov. 5.13). In de niet bestreden rov. 5.4 neemt het hof daarbij de Haviltex-maatstaf[12] tot uitgangspunt. Dit is geheel volgens het boekje. De rechtspraak waarop de klacht zich beroept, kan Payingit c.s. hier niet baten. Het Misverstand-arrest betrof een casus waarin partijen die een overeenkomst wensten te sluiten een voor misverstand vatbare uitdrukking hadden gehanteerd, die zij ieder in verschillende zin hadden opgevat. Beslist werd daarin dat of al dan niet een overeenkomst tot stand was gekomen, moet worden uitgemaakt aan de hand van wat inmiddels de Haviltex-maatstaf heet[13] . Zo'n situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor. In het Flexabram/Iprem-arrest is uitgemaakt dat bij de uitleg van een overeenkomst geen rol is weggelegd voor de zogeheten hypothetische partijbedoeling (wat partijen zouden zijn overeengekomen indien zij een bepaalde situatie voor ogen zouden hebben gehad)[14] . Bij de aanvulling van een leemte dient de rechter zich ook niet te laten leiden door de hypothetische partijbedoeling (wat partijen veronderstellenderwijze zouden zijn overeengekomen, wanneer zij zelf in de leemte zouden hebben voorzien) maar door aard, doel en strekking van de overeenkomst, de gerechtvaardigde belangen van partijen en het wettelijke stelsel[15] . Dat heeft het hof in het bestreden oordeel volgens mij niet miskend[16] .
3.15 Subklacht b vervolgt vanuit de lezing dat het hof de Haviltex-maatstaf niet heeft miskend. Dan is ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs geoordeeld dat de (enkele) situatie dat partijen wisten dat Workrate Workstate software extern exploiteerde en ervan uitgingen dat de Koopovereenkomst dit niet veranderde de uitleg rechtvaardigt dat zij bij sluiting van de overeenkomsten er niet van zijn uitgegaan dat de exploitatie van Workstate onder de Licentieovereenkomst zou vallen (rov. 5.11) en Workrate een (impliciet) contractueel gebruiksrecht kreeg (rov. 5.13). Gelet op de in cassatie onbestreden oordelen in rov. 5.4, 5.6 en 5.7 (auteursrechten op broncode Usemate software als gespecificeerd in de zes mappen van het [betrokkene 4] - document overgedragen, welke broncode deels overlapt met de Workstate software) is het hof in rov. 5.11 en 5.13 ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs tot het oordeel gekomen dat niet (kan worden aanvaard dat) het voortgezet gebruik van (overlappende) delen van de aan PayinglP in het kader van de Usemate-applicatie verkochte broncode als gemeenschappelijke onderdelen van de broncode (ook) onder de licentievoorwaarden voor gebruik van Usemate vallen, op de grond dat dit onverenigbaar is met de bij partijen bekende 'doorlopende exploitatie' van Workstate, dat daarvoor niet is bedoeld, omdat alle partijen ervan uitgingen dat de overeenkomsten geen verandering zouden brengen in de exploitatie van Workstate. Daarmee is niet (kenbaar) onderzocht en beoordeeld welke 'zin' alle partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen aan de uit te leggen bepalingen in de Koop - en Licentieovereenkomst en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar, over en weer, mochten verwachten. Daarvoor is de motivering in rov. 5.10 t/m 5.16 ontoereikend omdat die 'zin' daaruit niet blijkt.
3.16 Deze subklacht zie ik ook geen doel treffen; dit is feitelijke en niet onbegrijpelijke uitleg van de overeenkomsten door het hof. De grenzen tussen uitleg en aanvulling zijn vloeiend[17] . Het hof heeft met toepassing van de Haviltex-maatstaf geoordeeld dat Payingit c.s. niet van de uitleg mocht uitgaan dat de door Workrate voortgezette exploitatie van Workstate met de gedeeltelijk met Usemate overlappende broncode een schending oplevert van het auteursrecht van Payingit c.s. op de Usemate software en van de overeengekomen licentievoorwaarden. Dat is met andere woorden niet de 'zin' die Payingit c.s. volgens het hof in de gegeven omstandigheden mocht toekennen aan de uit te leggen contractsbepalingen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van Workrate mocht verwachten. Dat in hoge mate feitelijke oordeel laat zich in cassatie niet op juistheid toetsen en is bepaald goed te volgen. Die uitleg berust immers niet alleen op [eiser 5] verklaring ter zitting dat alle partijen wisten dat Workrate haar Workstate software extern exploiteerde en iedereen ervan uitging dat de Koopovereenkomst daarin geen verandering zou brengen. In het vervolg van rov. 5.11 staat het hof ook stil bij de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door Payingit c.s. voorgestane uitleg. Die zou erop neerkomen dat Workrate slechts bevoegd zou zijn de gelicentieerde software intern te gebruiken of in hoedanigheid van distributeur van PayingIP en/of die software alleen met voorafgaande schriftelijke toestemming van PayingIP extern zou mogen exploiteren. Dat acht het hof geen aannemelijke redelijke uitleg, omdat die niet verenigbaar is met het uitgangspunt van partijen dat (externe) exploitatie van de Workstate software onverminderd zou doorlopen. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking het non-concurrentiebeding uit de Licentieovereenkomst. Daaruit volgt dat partijen elkaar in hun respectieve branches (beveiliging respectievelijk HR en payrolling; zie ook plta cassatie Workrate 9) niet in de weg wilden zitten. Ook noteert het hof dat Payingit c.s. niet hebben gesteld dat de bedoeling was de eventuele overlappende sotwaredelen van Workstate onder de Licentieovereenkomst te laten vallen. Het is ook niet onbegrijpelijk dat het hof in de motivering van het oordeel over de aanvulling in rov. 5.13 weer terugkoppelt naar het uitlegoordeel, nu de beide stappen (uitleg en aanvulling) als gezegd in elkaar overvloeien. Dit alles in aanmerking genomen zijn rov. 5.10 t/m 5.16 toereikend gemotiveerd.
3.17 De subklacht onder c klaagt dat rov. 5.11 en 5.13 onbegrijpelijk zijn in de zin van niet-concludent. De (enkele) omstandigheid dat partijen wisten van de externe exploitatie van de Workstate software waarin de koopovereenkomst geen verandering zou brengen, kan als als zodanig de gevolgtrekking uit rov. 5.11 niet dragen dat partijen er niet van zijn uitgegaan dat de Workstate-exploitatie niet onder de Licentieovereenkomst zou vallen. Dat is onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Payingit c.s. dat aan PayinglP de volledige Usemate software 'onbezwaard' is overgedragen, het gebruik van de elementen van de Usemate software bij de onderhandelingen voorafgaand aan sluiting van de overeenkomsten aan de orde is geweest, waardoor Payingit c.s. vanwege de toen afgesproken 'splitsing' van de Workstate en Usemate software ervan uitging dat ze onafhankelijk zouden opereren en er daarom vanuit mocht gaan dat de onbezwaard overgedragen broncode de 'gesplitte' Usemate software betrof, waarvan Workrate Usemate-onderdelen alleen intern en niet zonder toestemming extern zou gebruiken binnen de Workstate software[18] . Tegen de achtergrond van deze (essentiële) stellingen is onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.10 tot uitgangspunt heeft genomen dat [eiser 5] wist dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden en uit de door Workrate overgelegde mails had begrepen/moeten begrijpen dat er twee (aanvankelijk identieke) versies waren van de codebase: GIT (Usemate) en SVN die Workrate bleef gebruiken en ontwikkelen (Workstate). De klacht verwijst in dat verband naar een verklaring van [eiser 5] kenbaar uit het zittings-p-v[19] . [eiser 5] verklaring zou eerder de stelling van Payingit c.s. onderbouwen dat was overeengekomen dat Workrate vooraf de Usemate en Workstate broncodes zodanig zou 'splitten' dat na overdracht de broncodes ook niet deels op onderdelen zouden overlappen of verweven zouden zijn. Het slagen van deze motiveringsklachten tast ook de daarop voortbouwende oordelen in rov. 5.12 en 5.13 aan.
3.18 Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat het bestreden oordeel alleen is gebaseerd op [eiser 5] verklaring ter zitting in hoger beroep, gaat het uit van een te beperkte lezing van rov. 5.11, zo is al besproken bij de vorige subklacht.
3.19 De stellingen waar de klacht zich op beroept, scharnieren rond de begrippen 'onbezwaard' en 'splitsing'/'splitting'. Het standpunt van Payingit c.s. daarover zet het hof in rov. 5.8 voorop. Vanaf rov. 5.10 verwerpt het hof die argumentatie van Payingit c.s. In wezen beoogt de klacht een herbeoordeling daarvan ten faveure van zichzelf, maar daartoe is in cassatie geen ruimte. Over de stelling dat de software 'onbezwaard' zou worden geleverd, beslist het hof in rov. 5.12 dat daaruit niet volgt dat partijen hiermee ook bedoelden dat daarmee gebruik van overlappende delen van de verkochte software bij de doorlopende exploitatie van de Workstate-applicatie zou (kunnen) worden verboden. Met betrekking tot die overlappende onderdelen was immers sprake van een leemte in de overeenkomst (rov. 5.13). Wat het 'splitten' of 'splitsen' betreft blijkt uit rov. 5.10 dat het hof daarin het in rov. 5.9 weergegeven standpunt van Workrate heeft gevolgd. Voor zover hier al sprake is van essentiële stellingen van Payingit c.s., maken die het uitlegoordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de desbetreffende stellingen in de genoemde overwegingen ook op voldoende kenbare wijze in zijn beoordeling betrokken. Voor zover de klacht nog aanvoert dat het hof deze stellingen in het midden heeft gelaten waardoor in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid ervan moet worden uitgegaan, berust dat op een verkeerde lezing, nu het hof de stellingen voldoende kenbaar gemotiveerd heeft verworpen.
3.20 Uit het p-v van de mondelinge behandeling in appel[20] blijkt dat [eiser 5] onder meer het volgende heeft verklaard (p. 4):
'U vraagt mij of ik in 2016 heb begrepen dat het toen de bedoeling van Workrate was dat zij ook na het sluiten van de koopovereenkomst zonder problemen gebruik zou kunnen blijven maken van Workstate. Ik denk wel dat dat haar bedoeling was. Ik was ermee bekend dat Workrate de Workstate software onder andere aan Equinix ter beschikking had gesteld.
(…)
U vraagt mij of ik bekend was met de op GIT geplaatste kopie in 2015. U wijst mij erop dat Workrate e-mails heeft overgelegd, waaruit volgens haar blijkt dat ik op de hoogte was van de correspondentie die het bestaan van deze kopie bevestigt. Ik antwoord dat wij nooit toestemming hebben gegeven voor het maken van een kopie van Usemate of daarmee akkoord zijn gegaan. Workrate mocht slechts gebruikmaken van een gesplitste versie. De overgelegde e-mails zeggen mij verder niets. Payingit c.s. heeft slechts een licentie verstrekt aan Workrate voor intern gebruik.'
3.21 Op de eerste geciteerde alinea heeft het hof de passage in rov. 5.11 gebaseerd dat door [eiser 5] ter zitting in appel is bevestigd dat alle partijen wisten dat Workrate haar Workstate-software extern exploiteerde, onder meer door deze aan derden als Equinix ter beschikking te stellen, en dat iedereen ervan uitging dat de Koopovereenkomst daarin geen verandering zou brengen. Die uitleg, voorbehouden aan het hof als feitenrechter, is niet onbegrijpelijk. De tweede geciteerde alinea houdt verband met het oordeel in rov. 5.10 dat vast staat dat [eiser 5] geheel op de hoogte was van het bestaan van Workstate en het gegeven dat Workrate deze software-applicatie extern exploiteerde, zoals bij haar grootste klant Equinix (waarvoor [eiser 5] accountmanager was), dat hij verder wist dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden en dat hij had begrepen (althans moeten begrijpen) dat er twee (aanvankelijk identieke) versies waren van de (codebase) van de software: GIT (Usemate) en SVN (Workrate) en dat Workstate de SVN-versie bleef gebruiken voor Workstate en daarop ook zelf ontwikkelde. Dat was volgens het hof voldoende duidelijk uit verschillende door [betrokkene 4] (al dan niet cc) aan [eiser 5] gestuurde e-mails (van 5 juli 2016 aan [eiser 5] cc (EP8), 20 april 2016 aan [eiser 5] cc (EP 92) en 30 augustus 2018 aan [eiser 5] (EP9). De verklaring van [eiser 5] ter zitting dat hij 'geen toestemming' heeft gegeven etc. en dat deze e-mails hem 'verder niets zeggen', doet niet af aan de begrijpelijkheid van het nu aangevallen oordeel in rov. 5.10. Deze verklaring van [eiser 5] ter zitting in appel staat immers niet in de weg aan de door het hof uit de genoemde e-mails afgeleide wetenschap van [eiser 5] . Voor een feitelijke herwaardering van dat oordeel is, als gezegd, geen plaats in cassatie. Daarmee valt het doek voor deze subklacht en in het kielzog daarvan ook de voortbouwende klacht over rov. 5.12 en 5.13, die geen nadere bespreking behoeft.
3.22 De subklacht onder d klaagt over de begrijpelijkheid van de slotzin van rov. 5.11, dat Payingit c.s. 'ook' niet heeft gesteld dat de bedoeling was dat eventuele overlappende software onderdelen van Workstate onder de bepalingen van de Licentieovereenkomst zouden vallen. Dat is onbegrijpelijk gelet op de toelichting op grief 4 van Payingit c.s.[21] . Verder bevat subonderdeel d een motiveringsklacht tegen de voorlaatste zin van rov. 5.11: dat uit het non-concurrentiebeding in de Licentieovereenkomst blijkt dat partijen elkaar in hun branches (beveiliging respectievelijk HR en payrolling) niet in de weg wilden zitten, is op zich juist, maar hier is sprake van ontoereikende motivering vanwege de door Payingit c.s. gestelde bedoeling dat zij tijdelijk niet direct zouden concurreren met dezelfde soort software op de beveiligingsmarkt. Het slagen van deze motiveringsklachten raakt ook de daarop voortbouwende oordelen van het hof in rov. 5.14 en 5.16.
3.23 De klacht tegen de slotzin van rov. 5.11 kan al niet tot cassatie leiden, omdat deze is gericht tegen een niet-dragende overweging ('ook'). De aangehaalde passages uit de toelichting op grief 4 maken het oordeel overigens niet onbegrijpelijk. Ik geef de betreffende passages hier weer:
'101. Gelet op het feit dat Workrate nadrukkelijk heeft bevestigd dat de Usemate software onbezwaard aan Payingit zou worden overgedragen én Workrate heeft aangegeven dat de Usemate en Workstate software voorafgaand aan de verkoop van de Usemate software zou worden gesplitst en partijen dus niet meer afhankelijk zouden zijn van elkaars processen, mocht Payingit er gerechtvaardigd op vertrouwen dat Workrate in de toekomst ook geen gebruik meer zou maken van (onderdelen van) de Usemate software (tenzij dit op grond van de Licentieovereenkomst nadrukkelijk was toegestaan).
(…)
- Payingit heeft de Usemate software gekocht, voornamelijk om diensten te verrichten voor het aanbieden van roostersoftware bij beveiligingsbedrijven. Het non-concurrentiebeding beoogt ervoor te zorgen dat Payingit niet ook diensten gaat aanbieden op het gebied van het vastleggen van operationele beveiligingshandelingen.
- Aangezien de Usemate software na de splitsing nog steeds onderdelen bevat die Workrate ook voor haar Workstate software gebruikt, zou Payingit theoretisch gezien (redelijk eenvoudig) een vergelijkbare softwareapplicatie kunnen ontwikkelen op het gebied van operationele beveiligingshandelingen. Partijen zijn het non-concurrentiebeding overeengekomen om ervoor te zorgen dat Payingit (voor een periode) niet direct met Workrate gaat concurreren met dezelfde soort software op de beveiligingsmarkt. Het non-concurrentiebeding heeft dus wel degelijk zin, juist als de volledige broncode van de Usemate software zoals gespecificeerd in de zes mappen van het [betrokkene 4] - document aan Payingit zijn overgedragen. Payingit ging de Usemate software enkel aanbieden aan bedrijven actief in de beveiligingsbranche. Met het concurrentiebeding werd Payingit gekaderd (voor een bepaalde periode) welke software zij wel en niet mocht aanbieden aan bedrijven in de beveiligingsbranche.'
3.24 Een ondubbelzinnige stelling dat het de bedoeling van Payingit c.s. was dat eventuele overlappende software-onderdelen van Workstate onder de bepalingen van de Licentieovereenkomst zouden vallen, hoefde het hof hierin bepaald niet te lezen. Ik betrek daarbij dat de zinsnede waarop de klacht de nadruk legt door die te cursiveren, 'tenzij dit op grond van de Licentieovereenkomst was toegestaan', bij mvg 101 tussen haakjes staat. Verder geldt ook hier dat de uitleg van gedingstukken is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. De eerste motiveringsklacht is dan ook tevergeefs.
3.25 Dat geldt ook voor de tweede motiveringsklacht tegen de voorlaatste zin van rov. 5.11. De door Payingit c.s. gestelde bedoeling dat zij tijdelijk niet direct zou concurreren met dezelfde soort software op de beveiligingsmarkt, lijkt met name te zijn ontleend aan een ook in de klacht geciteerde stelling uit mvg 112 waarin de zinsnede 'voor een periode' tussen haakjes staat. Dat het non-concurrentiebeding qua duur tijdelijk was, brengt bovendien nog niet de door Payingit c.s. gewenste uitleg mee.
3.26 De voortbouwende klacht gericht tegen rov. 5.14 en 5.16 kan dan ook niet slagen.
3.27 Subonderdeel 1.3 faalt integraal. Ik plaats daarbij de kanttekening dat de gekozen formuleringen in de Koop - en Licentieovereenkomsten (zoals wel vaker in IT-contracten) mogelijk minder omslachtig hadden kunnen worden gekozen. Dat vermindert juist het risico op vergissingen en misverstanden – waar deze zaak ook een voorbeeld van lijkt te zijn. Zij is niet ingestoken met een beroep op dwaling of misverstand, maar partijen hadden blijkbaar divergerende visies op wat nu precies de werking was van de 'terug'-licentie voor intern gebruik na overdracht van de software en het ongemoeid laten van de verdere Workstate exploitatie door Workrate. Ondanks de complexe contractsteksten was nu juist dát element niet afdoende geregeld, zoals de rechters in feitelijke instantie hebben geconstateerd.
3.28 Subonderdeel 1.4 klaagt dat het hof in rov. 5.10-5.19 het verbod van wijziging ten ongunste (reformatio in peius) heeft geschonden. Anders dan de door de rechtbank in rov. 5.19-5.21 van het vonnis geformuleerde (beperkte) 'impliciete gebruikslicentie' stelt het hof, buiten de door de grieven van Payingit c.s. omlijnde rechtsstrijd in appel, als '(impliciet) contractueel gebruiksrecht' een ruimere, niet-geclausuleerde, bevoegdheid van Workrate vast (rov. 5.13) en mag zij de Workstate-applicatie zelfstandig extern verder exploiteren en doorontwikkelen zonder dat dit auteursrechtinbreuk of een tekortkoming oplevert in de nakoming van de koop - en licentieovereenkomst (rov. 5.17-5.19, 5.24). Aldus is sprake van verboden wijziging ten ongunste (verslechtering).
3.29 Dit gaat niet op, omdat het hof Payingit c.s. niet in een slechtere positie heeft gebracht dan waarin zij voor het hoger beroep verkeerde. Het verbod van reformatio in peius ziet namelijk op het dictum en niet op de motivering[22] . Het hof heeft in rov. 6.1 van het dictum slechts één wijziging aangebracht en wel ten gunste van Payingit c.s.[23] . Subonderdeel 1.4 kan dan ook niet tot cassatie leiden.
3.30 Subonderdeel 1.5 klaagt dat het hof gelet op de eerdere klachten van onderdeel 1 ten onrechte net als de rechtbank in rov. 5.11-5.18 tot de slotsom is gekomen dat alle partijen ervan uitgingen dat de overeenkomsten geen verandering zouden brengen in de exploitatie van Workstate, partijen in de Koop - en Licentieovereenkomst niet (expliciet) hadden geregeld wat heeft te gelden voor zover Workstate gebruik zou maken van (overlappende) onderdelen van de aan PayinglP in het kader van de Usemate-applicatie verkochte broncode, Workrate daartoe een (impliciet) contractueel gebruiksrecht toekomt en Payingit c.s. dit gebruik moet dulden, waardoor Workrate bevoegd is om de Workstate-applicatie inclusief de gemeenschappelijke onderdelen van de verkochte broncode zelfstandig verder te exploiteren en binnen die exploitatie door te ontwikkelen, ongeacht de precieze omvang van de overlap met de Usemate-applicatie en of en in hoeverre de gemeenschappelijke onderdelen van de broncode auteursrechtelijk beschermd zijn. Kennelijk en ten onrechte ging het hof er hier niet van uit 'dat sprake is van een business-to-business transactie, waarin geen plaats is voor toepassing van de regel dat een auteursrechtoverdracht restrictief, ten gunste van de (natuurlijke) maker, moet worden uit gelegd (artikel 2 lid 5 Aw)' (rov. 5.7, slot). Daarmee is het hof in rov. 5.15 ten onrechte van oordeel dat, anders dan Payingit c.s. hebben aangegeven, het door contractsuitleg bepaalde gebruiksrecht van Workrate niet in strijd is met het Unierecht c.q. art. 5 (lid 5) Auteursrechtrichtlijn nr. 2001/29/EG, terwijl dat een zeer omvangrijke beperking op de auteursrechten van PayinglP onder Softwarerichtlijn nr. 2009/24/EG en art. 17 EU-Handvest oplevert, zonder tijdsbepaling of enige vergoeding, waardoor zij niet haar exclusieve verbodsrecht kan uitoefenen jegens Workrate en haar klanten[24] .
3.31 Het eerste deel van de klacht is een herhaling van zetten van de voorafgaande subonderdelen van onderdeel 1 en is niet succesvol op grond van de bespreking van die klachten.
3.32 Het vervolg van de klacht dat het hof zou hebben miskend dat het hier een zakelijke transactie betrof tussen professionele partijen, kan ik moeilijk plaatsen. In rov. 5.4-5.7 oordeelt het hof (ook blijkens het kopje boven deze passages) over de omvang van de auteursrechtoverdracht op de software van Workrate aan Payingit c.s. door de betreffende overeenkomsten volgens de *Haviltex-*maatstaf uit te leggen. Dat mondt in rov. 5.7 uit in de 'conclusie […] dat aan PayingIP op grond van de Koopovereenkomst, uitgelegd aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs mochten verwachten, de rechten op de broncode als gespecificeerd in de zes mappen in het [betrokkene 4] - document zijn verkocht en geleverd.' Blijkens de daaropvolgende laatste zin van rov. 5.7 is hier volgens het hof geen ruimte voor een restrictieve uitleg van de overdracht ten gunste van de natuurlijke maker volgens art. 2 lid 5 Aw[25] , kort gezegd omdat het hier een business-to-business transactie betreft. In rov. 5.8-5.19 oordeelt het hof over het 'Gebruiksrecht voor gemeenschappelijke onderdelen van de broncode' blijkens het kopje daarboven. Dat het hof in die exercitie er aldus de klacht 'kennelijk' niet van zou zijn uitgegaan dat het hier een 'B-2-B transactie' zou betreffen, zoals de klacht aanvoert, blijkt nergens uit; in zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Het gaat voor zover hier relevant om uitleg van de omvang van door zakelijke partijen vrijwillig (contractsvrijheid) aangegane overeenkomsten van overdracht en licentiëring van software. Dat hierin contractueel, dus vrijwillig 'beperkingen' worden overeengekomen, staat los van het Unierechtelijke gesloten stelsel van beperkingen waar Payingit c.s. de nadruk op wil leggen. Dat het hof 'Haviltexend' enerzijds tot een ruime auteursrechtoverdracht komt (rechten op de broncode gespecificeerd in de zes mappen van het [betrokkene 4] - document) en anderzijds een leemte constateert in de contactuele relatie tussen de onderwerpelijke zakelijke partijen, die het in redelijkheid aanvult in de vorm van een (impliciet) contractueel gebruiksrecht van Workrate dat Payingit c.s. moet dulden, maakt niet dat hier het terrein van contractsuitleg wordt verlaten: Leitmotiv blijft hoe de omvang van de auteursrechtoverdracht en (terug)licentiëring die deze zakelijke partijen zijn overeengekomen moet worden begrepen.
3.33 Het slot van de klacht over rov. 5.15 refereert aan wat naar voren is gebracht bij grieven onder 147-156, 162-166 en 167-171. Alleen hetgeen ik hierna daaruit citeer, lijkt mij ter zake dienend voor deze klacht[26] :
'149. De rechtbank formuleert in het Bodemvonnis echter een omvangrijke beperking op de auteursrechten van Payingit. Payingit kan niet langer haar exclusieve verbodsrecht inzetten jegens Workrate en haar klanten. Payingit dient op grond van het Bodemvonnis een omvangrijk gebruiksrecht van Workrate en haar klanten te accepteren, zonder dat Payingit daarvoor enige vergoeding ontvangt.
- Een dergelijke verstrekkende beperking op de auteursrechten van Payingit is in strijd met de Auteursrechtrichtlijn (2001/29/EG, "ARl").
- De ARl bevat een gesloten systeem van beperkingen. Dit betekent dat de richtlijn een limitatieve opsomming geeft van de beperkingen die lidstaten in hun nationale rechtssystemen mogen implementeren. Lidstaten mogen geen andere beperkingen op het auteursrecht invoeren, dan de lijst met beperkingen die is opgenomen in artikel 5 ARl. Dit artikel bevat onder andere de mogelijkheid om een beperking in het leven te roepen voor tijdelijke reproducties, het gebruik van citaten of het gebruik van materialen voor het onderwijs of in de pers.
- Daarnaast dienen de beperkingen op grond van de ARl te voldoen aan de zogenaamde driestappentoets. Op grond van de driestappentoets mogen beperkingen op het auteursrecht alleen worden toegepast als aan de volgende cumulatieve vereisten is voldaan:
- Er is sprake van een bepaald bijzonder geval;
- De beperking doet geen afbreuk aan de normale exploitatie van het werk;
- De wettige belangen van de auteursrechthebbende worden niet op ongerechtvaardigde wijze geschaad.
- De beperking die de rechtbank formuleert in het Bodemvonnis is niet opgenomen in de limitatieve lijst met beperkingen in artikel 5 ARl. Alleen al om die reden kan de beperking niet in stand blijven. Daar komt bij dat de beperking ook in strijd is met de driestappentoets.
- Naar verwachting zal in dit geval sprake zijn van een "bepaald" of "bijzonder" geval (stap 1), echter doet de beperking afbreuk aan de normale exploitatie van de Usemate software (stap 2) en schaadt het de gerechtvaardigde belangen van Payingit (stap 3).
- Payingit hanteert een bedrijfsmodel waarbij zij een maandelijkse vergoeding vraagt aan haar klanten voor het gebruik van de Usemate software. Voor iedere medewerker van een klant die toegang heeft tot de Usemate software, dient de klant een bedrag van € 4,95 te betalen. Deze licentie inkomsten loopt Payingit mis, doordat Workrate gratis gebruik mag maken van onderdelen van de Usemate software. Sterker nog, Workrate mag deze software op basis van de gebruikslicentie die de rechtbank heeft geformuleerd voor eigen gewin exploiteren bij haar klanten en hier de opbrengst voor opstrijken. Payingit ontvangt geen enkele vergoeding hiervoor. Voor zover bekend wordt de software door tientallen klanten, honderden leveranciers (van klanten) en duizenden gebruikers in heel Europa gebruikt. De misgelopen licentie inkomsten van Payingit zijn als gevolg daarvan enorm. Er bestaat geen twijfel over dat dit afbreuk doet aan de normale exploitatie van de Usemate software.
- De enorme misgelopen licentie inkomsten hebben ook tot gevolg dat de belangen van Payingit op ongerechtvaardigde wijze worden geschaad. In 2016 heeft Payingit software gekocht en een ruime vergoeding aan Workrate betaald. Payingit heeft hiervoor een lening moeten afsluiten met hoofdelijke aansprakelijkheid voor de bestuurders en liep alle risico's bij de verdere opbouw van het bedrijf. Vervolgens heeft Payingit jaren geïnvesteerd in haar bedrijf en de Usemate software en heeft zij een winstgevende onderneming kunnen opbouwen. Dit alles deed Payingit in de veronderstelling dat zij volledig rechthebbende was ten aanzien van de software waarin zij investeert en die zij exploiteert.'
3.34 De klacht houdt in dat het hof in rov. 5.15 ten onrechte heeft geoordeeld, anders dan Payingit c.s. hebben bepleit, dat het door uitleg bepaalde (impliciete) contractuele gebruiksrecht van Workrate niet een ontoelaatbare Unierechtelijke beperking op de auteursrechten van PayingIP is. Uit rov. 5.15 blijkt dat het hof het hiervoor geciteerde betoog uit de grieven heeft verworpen. Het hof verwijst daar immers naar de driestappentoets van art. 5 lid 5 ARl die bepaalt onder welke voorwaarden beperkingen op het auteursrecht toelaatbaar zijn[27] . Het hof passeert dit, omdat het 'eraan voorbij[ziet] dat de driestappentoets geen rol speelt bij de uitleg van een tussen twee partijen overeengekomen (impliciet) gebruiksrecht'. Volgens het hof gaat het hier niet om een 'beperking' als bedoeld door Payingit c.s., maar om wat partijen volgens de *Haviltex-*maatstaf zijn overeengekomen, als door het hof aangevuld op grond van de redelijkheid. Dat is geen 'beperking' op het auteursrecht van PayingIT, maar een modaliteit van de door haar verleende licentie aan Workrate en dat is iets heel anders. Daardoor is het hof ook niet toegekomen aan de vraag of op basis van het relevante Unierechtelijke auteursrechtelijke kader al dan niet sprake was van een geoorloofde beperking. Payingit c.s. voert in cassatie (nota bene) zelf aan dat 'Workrate zou kunnen betogen dat het in casu niet gaat om een beperking op de exclusieve rechten van PayingIP, maar om een vorm van toestemming die Payingit c.s. zou hebben gegeven'[28] . Dat is precies wat Workrate – m.i. terecht, gelet op de besproken hofaanpak hier – heeft betoogd[29] . Payingit c.s. heeft zich vervolgensop het standpunt gesteld dat ook in die situatie geldt dat het hof het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader heeft miskend[30] . Dat gaat echter de portee van de klacht over rov. 5.15 (ver) te buiten. Payingit c.s. heeft nog geprobeerd hier een mouw aan te passen door te betogen dat deze klacht moet worden gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande klachten, en dan met name subonderdeel 1.3 onder c (besproken in 3.17-3.21)[31] . Een klacht met de strekking dat het hof bij zijn Haviltex-oordeel (uitleg en aanvulling naar redelijkheid) het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader heeft miskend, ligt volgens mij niet besloten in het cassatiemiddel – ook niet als de klachten van dit onderdeel in onderlinge samenhang worden bezien. In gelijke zin Workrate en zij heeft in cassatie ook geen uitbreiding van de rechtsstrijd buiten de voor haar uit het cassatiemiddel kenbare klachten aanvaard[32] . Ik meen dan ook dat het bij die stand van zaken niet opportuun is om nader in te gaan op wat het Payingit c.s. bij mondeling pleidooi en bij s.t. heeft aangevoerd over strijd met het Unierechtelijke auteursrechtelijke kader in verband met het ontbreken van voorafgaande toestemming van PayingIP, nu dat voor de bespreking van de klachten uit het cassatiemiddel niet van belang is. De klachten van het onderdeel vinden hierin hun Waterloo.
Onderdeel 2: KlasseStudent
3.35 Onderdeel 2 is met twee subonderdelen gericht tegen de beoordeling van grief 7 over de positie van KlasseStudent in rov. 5.21-5.22 en tegen de feitenvaststelling in verband met KlasseStudent in rov. 3.6.
3.36 Subonderdeel 2.1 klaagt dat het oordeel dat de wetenschap van [eiser 5] en [eiser 6] aan Kopers kan worden toegerekend onjuist en onbegrijpelijk is, omdat vaststaat dat [eiser 5] als bestuurder van NRD en PayingIT optrad, terwijl [eiser 6] en [betrokkene 3] optraden als bestuurder van CMC respectievelijk DENDER. Het hof heeft niet vastgesteld dat [eiser 5] en [eiser 6] ook in een andere hoedanigheid optraden, als interne functionaris of als gevolmachtigde van DENDER (art. 3:66 lid 2 BW) en daarom is hun externe wetenschap niet aan DENDER toe te rekenen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, blijkt uit rov. 5.21 niet in welke hoedanigheid [eiser 5] en [eiser 6] namens Kopers in de onderhandelingen optraden op grond waarvan de wetenschap van het standpunt van [betrokkene 1] in de e-mail van 28 juni 2016 voor het sluiten van de overeenkomsten ook DENDER als een van de andere Kopers, als zodanig en zonder meer, moet worden toegerekend.
3.37 Deze klacht is een herhaling van zetten van de klachten van onderdeel 1 over toerekening van wetenschap van [eiser 5] aan Kopers in rov. 5.10 en ketst ook hier af op de bij de bespreking daarvan aangegeven gronden. Het hof verwijst in rov. 5.21 ook terug naar dat eerdere oordeel met de passage dat 'ook hier' wetenschap van [eiser 5] en [eiser 6] aan Kopers moet worden toegerekend. Het hof heeft in rov. 5.21 op grond van de door [betrokkene 1] op 28 juni 2016 aan onder andere [eiser 5] en [eiser 6] doorgestuurde e-mailconversatie aangenomen dat [eiser 5] en [eiser 6] op de hoogte waren van het standpunt van [betrokkene 1] dat KlasseStudent van de aan Workrate en haar groepsmaatschappijen te verlenen licentie gebruik zou kunnen maken en dat de door KlasseStudent gebruikte oude versie van de software 'van KlasseStudent is en niet van usemate'. De klacht stelt aan de orde hoe deze wetenschap van [eiser 5] en [eiser 6] DENDER, de persoonlijke holdingvennootschap van [betrokkene 3] , kan hebben bereikt. Ik breng in herinnering dat het hof in rov. 5.10 heeft vastgesteld dat de onderhandelingen van de zijde van Kopers niet alleen werden gevoerd door [eiser 5] en [eiser 6] , maar door [eiser 5] , [eiser 6] én [betrokkene 3] . [betrokkene 3] werd aldus, als medeonderhandelaar aan Koperszijde, geacht over dezelfde wetenschap te beschikken als [eiser 5] en [eiser 6] (art. 3:35 BW). Er is overigens ook niet gesteld of gebleken dat [betrokkene 3] niet over deze wetenschap beschikte. Via [betrokkene 3], de bestuurder van diens holdingvennootschap DENDER, heeft de desbetreffende wetenschap vervolgens ook medekoper DENDER bereikt. Het hof hoefde dus niet vast te stellen dat [eiser 5] en [eiser 6] in een andere hoedanigheid optraden dan als bestuurder van hun holdingvennootschappen. De hoedanigheden waarin [eiser 5] , [eiser 6] en [betrokkene 3] aan Koperszijde optraden, blijken al uit de door het hof vastgestelde feiten in rov. 3.3 en 3.7 en dat hoefde het hof in rov. 5.21 niet te herhalen. Het oordeel van het hof is dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. Subonderdeel 2.1 mist daarmee doel.
3.38 Subonderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov. 5.21 ten onrechte en in het licht van de toelichting op grief 7 onbegrijpelijkerwijs tot uitgangspunt heeft genomen de in rov. 3.5 eindvonnis vastgestelde feiten die het hof als zodanig in rov. 3.6 heeft overgenomen, terwijl grief 7 zich daartegen richtte[33] . Het hof heeft aldus het grievenstelsel dan wel de negatieve zijde van de devolutieve werking van het appel miskend en heeft niet (kenbaar) de met grief 7 bepaalde rechtsstrijd van partijen onderzocht en beslist op al wat de grief tegen het vonnis aanvoerde[34] . Zonder nadere, maar ontbrekende motivering is in het licht van de toelichting op grief 7 onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.21 als vaststaand vaststelde dat het aan Kopers ten tijde van de contractsluiting bekend was dat KlasseStudent gebruikmaakte van een oude versie van Usemate ten behoeve van haar KlasseNet-applicatie en Workrate deelnam in KlasseNet, en Workrate onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat Kopers, aan wie wetenschap van [eiser 5] en [eiser 6] hierover werd toegerekend, ermee instemden dat KlasseStudent het al lang bestaande gebruik van KlasseNet mocht voortzetten. In het licht van deze toelichting is de motivering van het hof niet-concludent en dus onbegrijpelijk. Onduidelijk is hoe Workrate ervan mocht uitgaan dat Kopers met dit voortgezet gebruik instemden.
3.39 De klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat het hof in rov. 3.6 de feitenvaststelling van de rechtbank over KlasseStudent in rov. 3.5 eindvonnis ongewijzigd heeft overgenomen. Deze feitenvaststelling luidt als volgt:
'Omstreeks 2010 heeft Workrate aan KlasseStudent B.V. (hierna: KlasseStudent) ontwikkelrechten gegeven met betrekking tot de broncode van onder meer de Workmate software. Op 19 november 2012 heeft KlasseStudent een volledige aftakking ('fork'/kopie) gemaakt van de Workrate-code, inclusief Workmate (hierna: de 2012-kopie). KlasseStudent heeft vanaf dat moment enkel doorontwikkeld op deze 2012-kopie, door haar genoemd Klassenet.'
3.40 Uit mvg 214-215 blijkt inderdaad dat grief 7 mede is gericht tegen rov. 3.5 eindvonnis. Uit de toelichting op de grief blijkt echter dat de feitenvaststelling van rechtbank op dit punt voor het overgrote deel niet wordt betwist:
'217. (…) KlasseNet wordt ge[vo]rmd door oude versie van de volledige Usemate software in combinatie met de Academy module. [betrokkene 4] beschrijft de applicatie KlasseNet als volgt (productie 19[35] ):
"Zij [KlasseStudent, adv.] noemen hun applicatie "KlasseNet" – terwijl het feitelijk een (oude) versie van de Workmate/Usemate is"
- Dat KlasseNet draait op een oude versie van de volledige Usemate software, bevestigt ook KlasseStudent zelf (…).
"KlasseNet is gebaseerd op een zogenoemde "fork" van het 2010 softwarepakket Workmate."
- Dit volgt eveneens uit de dagvaarding van Workrate (nr. 11.11 dagvaarding
[36] ).
- Dat KlasseStudent gebruik maakt van (een oude versie van) de volledige Usemate software wordt dan ook niet betwist.' (voetnoten toegevoegd, A-G)
3.41 De klacht beroept zich op de verdere toelichting op de grief onder het kopje 'KlasseStudent beschikt niet over een andere licentie' (mvg 242-249). Daar wordt met name betwist dat KlasseStudent in 2010 voor haar applicatie KlasseNet een licentie heeft ontvangen van Workrate voor het gebruik van de Usemate software. Die betwisting staat echter niet in de weg aan de feitenvaststelling door het hof in rov. 3.6 die is ontleend aan rov. 3.5 eindvonnis. Het hof heeft in rov. 3.6 feitelijk vastgesteld dat Workrate KlasseStudent omstreeks 2010 'ontwikkelrechten met betrekking tot de broncode van onder meer de Workmate software' heeft gegeven. Daarmee heeft het hof niet als feit vastgesteld dat Workrate formeel toestemming heeft verleend aan KlasseStudent in de vorm van een licentie of anderszins, maar slechts dat Workrate feitelijk ontwikkelrechten heeft gegeven aan KlasseStudent voor het gebruik van de Usemate software[37] . Dat volgt ook uit de stellingen van Workrate bij inl. dagv. 11.11 waar Payingit c.s. (nota bene) zelf naar verwijst (zie de hiervoor geciteerde mvg 219). De klacht faalt dus voor zover die is gericht tegen de feitenvaststelling van het hof in rov. 3.6. Grief 7 en de toelichting daarop staan niet in de weg aan de feitenvaststelling in rov. 3.6 zoals die moet worden verstaan.
3.42 Dan de klacht gericht tegen het oordeel in rov. 5.21-5.22. Voor zover het hof bij dat oordeel de in rov. 3.6 vastgestelde feiten tot uitgangspunt heeft genomen, is dat dus niet onjuist of onbegrijpelijk. Ook anderszins is het oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk in het licht van de toelichting op grief 7. Het hof oordeelt in rov. 5.21-5.22 over 'het gebruik dat KlasseStudent toen al jaren maakte van de oude versie van de Usemate software' (rov. 5.21) en 'hoe dan ook haar reeds lang bestaande gebruik van KlasseNet' (rov. 5.22). Dat is dus het hiervoor bedoelde feitelijke gebruik, waarbij het hof in het midden kon laten hoe dat gebruik jaren eerder formeel, al dan niet in de vorm van een expliciete licentie, precies was vormgegeven tussen Workrate en KlasseStudent. De toelichting op grief 7 op dit punt is in zoverre dus niet relevant voor het oordeel van het hof. Het is verder ook niet onduidelijk hoe Workrate naar het hofoordeel in rov. 5.22 redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat Kopers ermee instemden dat KlasseStudent hoe dan ook haar reeds lang bestaande gebruik van KlasseNet zou mogen voortzetten. Dat Haviltex-oordeel heeft het hof immers gestoeld op de omstandigheden ('onder deze omstandigheden') die het heeft genoemd in rov. 5.21, dus onder meer de door [betrokkene 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan onder anderen [eiser 5] en [eiser 6] doorgestuurde e-mail van 28 juni 2016. Dat is een feitelijk en niet onbegrijpelijk uitlegoordeel. Subonderdeel 2.2 en daarmee heel onderdeel 2 kan zodoende in mijn optiek niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3: proceskosten
3.43 Onderdeel 3 is met twee subonderdelen gericht tegen rov. 5.28 over de proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv.
3.44 Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof Payingit c.s. ten onrechte en onbegrijpelijkerwijs op de voet van art. 1019h Rv heeft veroordeeld in de volledige proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Workrate. Het hof heeft miskend dat het hoger beroep niet uitsluitend betrekking heeft op de handhaving van auteursrechten maar ook andere vorderingen dan ter handhaving van IE-rechten zijn ingesteld. Het geschil van partijen betreft voornamelijk een verbintenisrechtelijk geschil over de uitleg van de Koop - en Licentieovereenkomst en over schending van non-concurrentiebedingen. Het hof heeft ten onrechte niet onderzocht welk gedeelte van de door Workrate in rekening gebrachte kosten betrekking heeft op handhaving van IE-rechten en welk gedeelte van de proceskosten volgens het gebruikelijke liquidatietarief moet worden begroot[38] . Het hof heeft Payingit c.s. ten onrechte dan wel onbegrijpelijkerwijs aangemerkt als overwegend in het ongelijk gestelde partij, terwijl in hoger beroep het hof haar primair onder I gevorderde verklaring voor recht toewees ter handhaving van IE-rechten en het geschil in hoger beroep verder alleen betrekking had op andere vorderingen.
3.45 De klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat in een gemengde zaak, die voor een deel betrekking heeft op de handhaving van IE-rechten en voor een deel op iets anders, alleen voor eerstgenoemd gedeelte aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van proceskosten op de voet van art. 1019h Rv[39] en voor het andere gedeelte van de zaak een evenredig deel van het gebruikelijke liquidatietarief op de voet van art. 237 Rv moet worden toegepast[40] . Er is echter geen sprake van een gemengde zaak wanneer overige (niet-IE-)geschilpunten bepalend zijn voor de uitkomst van het IE-rechtelijke geschilpunt. Als dat het geval is, is uitsplitsing van de proceskosten niet aan de orde en kan voor het gehele geschil aanspraak worden gemaakt op vergoeding van proceskosten ex art. 1019h Rv[41] . Het hof heeft in rov. 5.28 geoordeeld dat het geschil in hoger beroep[42] betrekking heeft op de handhaving van IE-rechten. Dat strookt met de in cassatie onbestreden rov. 1: 'Centraal staan de vragen in welke omvang het auteursrecht op de software aan koper is overgedragen en tot welke exploitatiehandelingen de verkoper/licentienemer bevoegd is' en de in cassatie ook niet bestreden rov. 5.4: 'In deze zaak gaat het om de vraag in hoeverre Workrate na de verkoop en licentieverlening ten aanzien van die gemeenschappelijke delen in de Workstate en Usemate-software nog tot het verrichten van gebruiks - en exploitatiehandelingen bevoegd is.'[43] Het hof heeft vervolgens in rov. 5.4 in cassatie onbestreden overwogen dat het antwoord op deze auteursrechtelijke vraag afhangt van wat partijen in de koop - en licentieovereenkomst hebben afgesproken, zodat de uitkomst van de auteursrechtelijke vraag wordt bepaald door uitleg van de overeenkomsten[44] . Zodoende is hier geen sprake van een gemengde zaak en is uitsplitsing van proceskosten niet aan de orde. Het hof heeft art. 1019h Rv terecht integraal toegepast op de proceskosten in appel[45] . Overigens lijken beide partijen in hoger beroep ook zelf ervan te zijn uitgegaan dat geen sprake is van een gemengde zaak, nu zij de gevorderde proceskosten niet hebben uitgesplitst in een 1019h-deel en een 237-deel[46] . In het licht van het partijdebat in hoger beroep kan dus ook niet worden gezegd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
3.46 Art. 1019h Rv beoogt niet af te wijken van art. 237 Rv voor wat betreft de betekenis van 'de in het ongelijk gestelde partij'[47] . De hoofdregel van art. 237 lid 1 Rv, die op grond van de schakelbepaling van art. 353 Rv ook van toepassing is in hoger beroep, dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de kosten van de procedure wordt veroordeeld, wordt in de praktijk zo gelezen dat dit ook geldt voor de partij die grotendeels in het ongelijk wordt gesteld[48] . Dat geldt dus evenzeer in het kader van art. 1019h Rv[49] . Het hof heeft in rov. 5.28 geoordeeld dat Payingit c.s. in hoger beroep de overwegend in het ongelijk gestelde partij is. Onjuist of onbegrijpelijk is dat niet. Weliswaar wordt Payingit c.s. in zoverre in het gelijk gesteld dat de primair onder I door Payingit c.s. gevorderde verklaring voor recht door het hof is toegewezen, maar voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, wat betekent dat alle overige vorderingen van Payingit c.s. zijn afgewezen en enkele door Workrate gevorderde verklaringen voor recht zijn toegewezen. Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat geen van de overige afgewezen vorderingen van Payingit c.s. en geen van de toegewezen vorderingen van Workrate die in hoger beroep voorlagen betrekking hadden op de handhaving van IE-rechten, mist de klacht feitelijke grondslag[50] . Subonderdeel 3.1 kan niet tot cassatie leiden.
3.47 Subonderdeel 3.2 neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 5.28 Payingit c.s. terecht niet heeft veroordeeld in de door Workrate gevorderde volledige proceskosten in hoger beroep van € 72.393,84 (inclusief griffierecht) en dat het hof eveneens terecht de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven van 1 april 2017[51] heeft toegepast. De klacht is dat het hof ten onrechte het maximumbedrag voor een complexe bodemzaak (€ 40.000 te vermeerderen met griffierecht van € 783) heeft toegewezen. Zowel Payingit c.s. als Workrate heeft het indicatietarief voor normale bodemzaken (€ 20.000) gevorderd[52] . Nu partijen het eens waren over het indicatietarief voor normale zaken heeft het hof in strijd met art. 1019h Rv jo. art. 23 Rv beslist. 'Desgevorderd' in art. 1019h Rv houdt in dat het artikel en het indicatietarief alleen wordt toegepast indien en voor zover dat uitdrukkelijk en tijdig is gevorderd. Het hof heeft buiten het door partijen gevorderde (ultra petitum) beslist.
3.48 De begroting van proceskosten is een beslissing van feitelijke aard die geen motivering behoeft[53] . De Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven behelzen slechts het hof niet-bindende richtlijnen en vormen geen recht in de zin van art. 79 RO[54] . De rechter heeft de taak ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan[55] . Art. 1019h Rv betreft de implementatie van art. 14 Handhavingsrichtlijn[56] waarin is bepaald dat de lidstaten zorgdragen dat in procedures inzake de handhaving van IE-rechten als algemene regel de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt door de verliezende partij zullen worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft met betrekking tot wat moet worden verstaan onder 'redelijke en evenredige gerechtskosten' in art. 14 Handhavingsrichtlijn beslist dat deze bepaling zich niet verzet tegen een nationale regeling die een systeem van forfaitaire tarieven behelst voor vergoeding van de kosten voor de bijstand door een advocaat (zoals de indicatietarieven in IE-zaken), mits die tarieven waarborgen dat ten minste een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen[57] . In een geval waarin in hoger beroep een bedrag van € 178.707,91 aan proceskosten was gevorderd, welk bedrag naar behoren was gespecificeerd en onderbouwd en welke kostenspecificaties niet waren bestreden door de verliezende partij, achtte de Hoge Raad het toepasselijke indicatietarief van maximaal € 40.000 voor een complexe zaak niet 'een significant en passend deel van de redelijke kosten' die de in het gelijk gestelde partij in hoger beroep had gemaakt[58] . De Hoge Raad deed de zaak zelf af door als proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv het dubbele van het toepasselijke indicatietarief voor complexe IE-zaken, dus € 80.000, toe te wijzen[59] .
3.49 De klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat een veroordeling tot een proceskostenvergoeding volgens art. 1019h Rv afhankelijk is van een daartoe strekkende vordering ('desgevorderd')[60] . Dat is een verschil met een reguliere proceskostenveroordeling volgens art. 237 Rv waartoe de rechter (behoudens uitdrukkelijke afstand van recht) ook ambtshalve moet overgaan[61] . Het hof heeft in rov. 5.28 overwogen dat aan dit vereiste is voldaan: 'Workrate heeft gevorderd dat Payingit c.s. in de volledige proceskosten van het hoger beroep ex artikel 1019h Rv wordt veroordeeld en heeft daartoe twee kostenspecificaties (met bijlagen) overgelegd tot een totaalbedrag van € 72.393,84 (inclusief griffierecht).' Dat wordt als zodanig in cassatie niet bestreden en strookt overigens ook met de in cassatie onbestreden rov. 2.6: 'Workrate heeft geconcludeerd tot (…) veroordeling van Payingit c.s. in de volledige kosten van het geding in hoger beroep ex artikel 1019h Rv met nakosten en rente'. Het hof zou (pas) buiten het gevorderde (ultra petitum) hebben beslist als het meer dan het gevorderde bedrag aan proceskosten zou hebben toegewezen, dus meer dan het primair gevorderde bedrag van € 72.393,84 (inclusief griffierecht). Dat heeft het hof niet gedaan, met de toewijzing op grond van de indicatietarieven voor IE-zaken gerechtshoven van een bedrag van € 40.000 te vermeerderen met het griffierecht van € 783.
3.50 Het hof dient bij de toepassing van de indicatietarieven voor IE-zaken zelfstandig na te gaan of minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen. Het hof heeft in rov. 5.28 niet gemotiveerd waarom het heeft gekozen voor toewijzing van de vordering tot het (maximum)bedrag van het indicatietarief voor een complexe bodemzaak, maar was daartoe ook niet gehouden. Het hof was kennelijk van oordeel dat toewijzing van het gevorderde indicatietarief voor een normale bodemzaak er niet toe leidde dat Workrate een 'significant en passend deel' van de door haar gemaakte kosten van € 72.393,84 (inclusief griffierecht), waarvan zoals het hof in rov. 5.28 heeft overwogen de hoogte niet werd betwist door Payingit c.s. ('Payingit c.s. heeft de kostenopgave van Workrate niet betwist'), van Payingit c.s. vergoed zou krijgen. Onbegrijpelijk is dat niet nu € 20.783 ten opzichte van € 72.393,84 een redelijk vergelijkbare verhouding is als € 40.000 ten opzichte van € 178.707,91 (beide ongeveer een kwart), welke laatste verhouding door de Hoge Raad in een eerder besproken geval niet als een 'significant en passend deel' werd beoordeeld. Het hof heeft in de onderhavige zaak niet gekozen voor een verdubbeling van het tarief voor een normale zaak, maar voor het tarief van een complexe zaak. De beoordeling in welke categorie een zaak valt[62] , is sterk feitelijk[63] en kan in cassatie niet met een rechts - of motiveringsklacht worden bestreden, zoals hiervoor in 3.48 besproken[64] .
3.51 De klacht kan kortom niet tot cassatie leiden, nu het hof niet was gebonden aan het door partijen in hoger beroep subsidiair gevorderde indicatietarief voor 'normale' IE-bodemzaken. Het hof is met de toegewezen proceskostenveroordeling binnen het op de voet van art. 1019h Rv 'desgevorderde' gebleven en heeft conform art. 23 Rv ook beslist over hetgeen partijen hebben gevorderd. De begroting van proceskosten is verder een beslissing van feitelijke aard die geen motivering behoeft. Hierop strandt ook subonderdeel 3.2 en daarmee is heel onderdeel 3 tevergeefs voorgesteld.
Voortbouwklacht
3.52 Het middel bevat ten slotte een voortbouwklacht die inhoudt dat gegrondbevinding van (klachten van) de onderdelen 1 t/m 3 betekent dat ook niet in stand kan blijven wat het hof onder meer in rov. 3.1, 5.19, 5.23-5.24, 5.27 t/m 5.29 heeft geoordeeld en in het dictum (voor zover betreden) heeft beslist. Deze klacht mist zelfstandige betekenis en deelt het lot van de vorige onderdelen.
4 Kosten
4.1 Beide partijen hebben in cassatie ook een proceskostenveroordeling volgens art 1019h Rv gevorderd[65] . Payingit c.s. heeft kostenspecificaties van mrs. Alberdingk Thijm, Guerrero Obando, Oostinga en Bruning overgelegd voor een totaalbedrag van € 135.731,35 exclusief btw[66] en Workrate heeft kostenspecificaties van mrs. Dijkman, Nugteren, Van der Putt en Rörsch overgelegd voor een totaalbedrag van € 84.742,42 exclusief btw[67] . Voor vergoeding van de proceskosten in cassatie met toepassing van art. 1019h Rv zijn de Indicatietarieven in IE-zaken Hoge Raad van 1 april 2017 ontwikkeld[68] . De vraag in welke categorie een zaak valt, wordt evenals in hoger beroep voor het cassatieberoep zelfstandig beoordeeld. Dat het hof de procedure als 'complex' heeft aangemerkt, is dus in beginsel niet relevant, laat staan beslissend[69] . Volgens Payingit c.s. moet de zaak in cassatie worden ingedeeld in de categorie 'normaal'[70] en volgens Workrate in de categorie 'complex'[71] . Mij lijkt in dit geval, mede gelet op de omstandigheden genoemd in punt 8 onder b van de Indicatietarieven in IE-zaken van de Hoge Raad[72] , indeling in de categorie 'complex' het meest passend[73] . Indien de conclusie wordt gevolgd en het cassatieberoep wordt verworpen, is Payingit c.s. de in het ongelijk gestelde partij en dient zij te worden veroordeeld in de proceskosten van Workrate. Uitgaande van de categorie 'complex' geldt volgens de indicatietarieven dan voor Workrate als verweerster in cassatie in beginsel een maximumbedrag van € 40.000 met een opslag van maximaal € 3.000 voor dupliek (en nog eens maximaal € 2.000 voor een eventuele Borgersbrief). Volgens Workrate kunnen deze maximumbedragen in dit geval niet worden beschouwd als 'een significant en passend deel' van de door haar gemaakte kosten. Op grond van de specifieke kenmerken van het geval[74] vordert zij anderhalf maal het maximumbedrag voor verweer (dus € 60.000) en het dubbele van het maximumbedrag voor dupliek (dus € 6.000)[75] . De bijzondere omstandigheden die dat volgens Workrate rechtvaardigen zijn 'de uitzonderlijke omvang van het cassatiedebat door het grote aantal nieuwe klachten en het overbodige mondelinge pleidooi'[76] . Workrate kan worden toegegeven dat Payingit c.s. het cassatiedebat onnodig heeft gecompliceerd, maar die (dus voor een deel onnodige) complexiteit zit naar wil voorkomen al afdoende verdisconteerd in de indeling in de categorie 'complex'. Ook als de maximumbedragen van € 40.000 voor verweer en € 3.000 voor dupliek worden afgezet tegen de door Workmate daadwerkelijk gemaakte kosten kan volgens mij niet worden gezegd dat daarmee geen sprake is van vergoeding van een significant en passend deel (ongeveer de helft) van de door haar gemaakte kosten.
4.2 Daarmee is echter nog niet zonder meer gezegd dat Workrate op de voet van art. 1019h Rv aanspraak kan maken op de genoemde maximumbedragen van € 40.000 en € 3.000 voor verweer en dupliek. In cassatie heeft immers één van de drie onderdelen van het middel en twee van de tien klachten betrekking op de art. 1019h Rv-aanspraken in appel. Volgens vaste rechtspraak vallen kosten gemaakt om te doen vaststellen of en in hoeverre de kosten volgens art. 1019h Rv voor vergoeding in aanmerking komen niet ook zelf onder het toepassingsbereik van dat artikel, omdat het dan niet meer gaat om kosten verband houdend met (een verweer tegen) de handhaving van een IE-recht[77] . In mijn recente al aangehaalde conclusie vóór het tussenarrest in de *Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting-*zaak[78] , heb ik het standpunt ingenomen dat die rechtspraak in een geval als dit ook opgaat, zodat bij de door partijen gevorderde bedragen voor de cassatieprocedure dient te worden vastgesteld welk deel betrekking heeft op het auteursrechtelijke deel en welk deel op de 1019h-proceskostenclaims in hoger beroep. Partijen hebben dit zelf niet gedaan, maar de Hoge Raad kan dat ambtshalve schatten[79] . Dat zou, indien dit standpunt gevolgd zou worden, ook in deze zaak kunnen gebeuren, bijvoorbeeld door voor twee derde deel (per onderdeel van het cassatiemiddel bezien, alleen onderdeel 3 gaat over de kosten) of vier vijfde deel (op basis van het aantal klachten: twee van de tien gaan over de art. 1019h Rv-aanspraken in appel) de kostenveroordeling volgens art. 1019h Rv toe te passen en voor het resterende deel het gebruikelijke liquidatietarief volgens art. 237 Rv.
5 Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest: Hof Amsterdam 19 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3207, Computerrecht 2025/130 m.nt. D.H.J. Bouchier en S.Y. Wakker, rov. 3.2-3.42.
Ik begrijp dat de afkorting 'SVN' staat voor 'Subversion', d.w.z. een versiebeheersysteem.
Toevoeging A-G: de grootste klant van Workrate (zie rov. 5.10 van het bestreden arrest).
Het procesverloop is grotendeels ontleend aan het al aangehaalde bestreden arrest, rov. 2.1-2.6 en 4.1-4.3.
Vgl. het overzicht van de vorderingen in conventie in Bijlage II bij het eindvonnis: Rb. Amsterdam 25 januari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2512.
Vgl. het overzicht van de vorderingen in reconventie in Bijlage III bij voornoemd eindvonnis (zie vorige voetnoot).
'Vast staat dat [eiser 5] geheel op de hoogte was van het bestaan van Workstate en het gegeven dat Workrate deze software-applicatie extern, zoals bij haar grootste klant Equinix (waarvoor [eiser 5] accountmanager was), exploiteerde. Verder wist [eiser 5] dat Workstate en Usemate onderdelen van de broncode deelden. Bovendien had [eiser 5] begrepen (althans moeten begrijpen) dat er twee (aanvankelijk identieke) versies waren van de (codebase) van de software: GIT (Usemate) en SVN (Workrate) en dat Workstate de SVN versie bleef gebruiken voor Workstate en daarop ook zelf ontwikkelde, hetgeen voldoende duidelijk was uit verschillende door [betrokkene 4] (al dan niet cc) aan [eiser 5] gestuurde e-mails (van 5 juli 2016 aan [eiser 5] cc (EP8), 20 april 2016 aan [eiser 5] cc (EP 92) en 30 augustus 2018 aan [eiser 5] (EP9).'
'Ter zitting van het hof is door [eiser 5] ook bevestigd dat alle partijen wisten dat Workrate haar Workstate software extern exploiteerde, onder meer door deze aan derden als Equinix ter beschikking te stellen, en dat iedereen ervan uitging dat de Koopovereenkomst daarin geen verandering zou brengen.'
Overgelegd als prod. 2 bij inl. dagv., met deze definitie van 'Kopers' in art. 1.1: 'Kopers heeft de betekenis die daaraan is toegekend in de introductie van deze Overeenkomst;'. In die introductie staat o.m.: 'De partijen onder paragrafen 1, 2 en 3 hierboven [NRD, DENDER en CMC, A-G] worden hierna gezamenlijk ook aangeduid als de "Kopers" (…).' Getekend is zijdens 'Kopers' door [eiser 5] , [betrokkene 3] en [eiser 6] namens resp. NRD, DENDER en CMC, elk met de aanduiding: 'zelfstandig bevoegd bestuurder'.
Zie bijv. ook inl. dagv. 11.24, voetnoot 2 aldaar: ' [eiser 5] heeft bijvoorbeeld jarenlang als accountmanager bij Workrate gewerkt, waarbij hij veelvuldig gebruik maakte van Usemate en zag hoe Workrate Usemate gebruikte.' En mva 4.2: 'Payingit heeft met de kennis van een goed ingevoerde insider [lees: [eiser 5] , A-G] een onderdeel gekocht (Usemate) uit een samenhangend softwarepakket.'
Onder verwijzing naar HR 17 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, NJ 1977/241 m.nt. G.J. Scholten en Ars Aequi 1977, p. 654 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde (Misverstand) en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2821, NJ 2017/10 en JOR 2017/55 m.nt. P.S. Bakker (Flexabram/Iprem).
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1981, p. 355 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde (Haviltex).
'Overwegende omtrent het tweede middel: (…) dat immers, indien partijen die een overeenkomst wensen te sluiten, daarin een voor misverstand vatbare uitdrukking bezigen, die zij elk in verschillende zin hebben opgevat, het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid;'.
Zie rov. 4.1.1: 'Onderdeel 1 klaagt terecht dat het hof met zijn hiervoor in 3.2.3 weergegeven oordeel de bij de uitleg van een overeenkomst als de onderhavige toe te passen Haviltex-maatstaf heeft miskend. In het bijzonder heeft het hof eraan voorbijgezien dat het bij de uitleg niet gaat om de vraag wat partijen (naar het oordeel van het hof) zouden zijn overeengekomen indien zij (wel) rekening hadden gehouden met doorverkoop van het gebouw, maar om de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de uit te leggen bepaling mochten toekennen in het geval dat het gebouw werd doorverkocht, en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx)).' Zie hierover ook P.S. Bakker in zijn annotatie bij het Flexabram/Iprem-arrest in JOR 2017/55, met verdere verwijzingen.
Asser/Sieburgh 6-III 2022/403.
Zo ook de al aangehaalde Computerrecht-annotatie van Bouchier en Wakker onder het bestreden arrest, onder 6: 'partijen [hadden] deze discussie (…) kunnen voorkomen door te kiezen voor een juridische splitsing van auteursrechten'. M.a.w.: wanneer partijen zelf in de leemte zouden hebben voorzien (hypothetische partijbedoeling), zouden ze een juridische splitsing van auteursrechten hebben kunnen overeenkomen. Dat is dus iets anders dan het contractuele gebruiksrecht dat het hof heeft aangenomen.
A.M.M. Hendrikx, Het aanvullen van een leemte in de overeenkomst naar Nederlands en Engels recht, Een kwart eeuw (Snijders-bundel), 2016, p. 157, met verdere verwijzingen in voetnoot 11.
Onder verwijzing naar mvg 79-101, 103-107, 113-14, 125, 130-141, 187-196, 197-212, plta HB 9, 12-16, 36, 51-65.
P. 4: 'dat wij nooit toestemming hebben gegeven voor het maken van een kopie van Usemate of daarmee akkoord zijn gegaan. Workrate mocht slechts gebruikmaken van een gesplitte versie. De overgelegde e-mails zeggen mij verder niets. Payingit c.s. heeft slechts een licentie verstrekt aan Workrate voor intern gebruik.', waarbij de klacht verder verwijst naar cva 440-453 (conventie), 476-510 (reconventie); plta EA 26-39, zittingsp-v EA p. 9-10 en mvg 179-184.
Ik trof dit p-v uitsluitend in het A-dossier aan.
Onder verwijzing naar 'o.m.' mvg 101 en 111-112, plta HB 29, 51-58, en uit de eerste aanleg ook 'o.m.' cva 163-237, 330-373 (conventie), 476-510 (reconventie), akte wijziging eis in reconventie 53, 58-63, 91-95.
Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4) 2025/85, J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 14 (bijgewerkt t/m 7 september 2024) en T. van Malssen & R.M. Andes, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 347 Rv, aant. 2.1 (bijgewerkt t/m 27 januari 2025).
Toewijzing van de door de rechtbank afgewezen primair sub I door Payingit c.s. gevorderde verklaring voor recht dat de auteursrechten op de software opgenomen in de zes mappen uit het [betrokkene 4] document van 28 juni 2016 inclusief alle bewerkingen daarvan op grond van de Koopovereenkomst per 6 juli 2016 aan PayinglP zijn overgedragen.
Onder verwijzing naar mvg 147-156,162-166 en 167-171.
Art. 2 lid 5 Aw verklaart o.m. art. 2 lid 3, 2e volzin Aw ('De overdracht of de verlening van een exclusieve licentie omvat alleen die bevoegdheden die in de akte staan vermeld of die uit de aard of de strekking van de titel of de licentieverlening noodzakelijkerwijs voortvloeien.') niet van toepassing op een maker als bedoeld in art. 8 Aw (werk openbaar gemaakt als afkomstig van een vennootschap, zoals in de onderhavige zaak).
Mvg 162-166 voert aan dat het gebruiksrecht dat de rechtbank heeft aangenomen indruist tegen de contractsvrijheid en dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid tot een resultaat moet leiden dat in het verlengde ligt van hetgeen partijen zijn overeengekomen. Dat heeft het hof niet miskend (zoals hiervoor al is besproken in 3.14); er is alleen anders over geoordeeld dan door Payingit c.s. voorgestaan. Mvg 167-171 gaat ook over iets anders, namelijk over de werkbaarheid in de praktijk. Hierop is door het hof expliciet gerespondeerd in rov. 5.14.
Zie over deze driestappentoets Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht (R&P nr. IE2) 2025/5.7 met verdere verwijzingen.
Plta cassatie Payingit c.s. 39.
Plta cassatie Workrate 32 ('Evenmin heeft het hof een nieuw gebruiksrecht of beperking gecreëerd. Het heeft slechts vastgesteld wat partijen contractueel zijn overeengekomen en mochten verwachten van elkaar.'), 33 ('Ook de Softwarerichtlijn vormt geen belemmering. Zij harmoniseert het beschermingsniveau, maar sluit niet uit dat partijen onderling rechten verdelen of gebruiksrechten erkennen. Dat is nu juist de essentie van licentieovereenkomsten.'), 34 ('Ook een beroep op het EU-Handvest kan niet baten. Er is geen sprake van ontneming van eigendom of een ongerechtvaardigde beperking van auteursrechten. Het hof heeft slechts vastgesteld wat partijen zelf zijn overeengekomen, tegen de achtergrond van hun precontractuele uitlatingen, de context en hun gedragingen na closing.') en 35 ('Kortom: geen strijd met de Auteurswet, geen strijd met Europees recht – slechts zuivere contractsuitleg naar Haviltex.'), s.t. Workrate 85 ('(…) Het hof aanvaardt op grond van de Haviltex-maatstaf een impliciet contractueel gebruiksrecht voor overlappende onderdelen binnen Workstate (rov. 5.13). Dat is geen ongerechtvaardigde beperking van het auteursrecht en levert geen strijd op met het Auteursrecht of Unierecht, dat als uitgangspunt neemt dat de auteursrechthebbende licenties kan verstrekken.'), 87 ('(…) Dat oordeel getuigt van een juiste rechtsopvatting: de drie-stappentoets ziet op wettelijk geformuleerde beperkingen op het auteursrecht, niet op contractsuitleg.') en 88 ('De rechtsopvatting dat een door contractsuitleg bepaald gebruiksrecht strijd oplevert met de Softwarerichtlijn en art. 17 EU-Handvest is onjuist. Voor zover dit subonderdeel beoogt te stellen dat een gebruiksrecht niet uit een Haviltex-uitleg kan volgen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Voor de uitleg van de Licentieovereenkomst geldt de toepassing van het algemene overeenkomstenrecht, waaronder het Haviltex-arrest (voetnoot 22 verwijst naar Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht (R&P nr. IE2) 2025/9.34 met als kopje: Uitleg niet-exclusieve licentiecontracten en niet door art. 2 bestreken contractsbepalingen: Haviltex - en DSM/ […] - leer). Toestemming tot gebruik kan op grond van de uitleg van een overeenkomst geïmpliceerd zijn. Daar staat de Softwarerichtlijn en art. 17. Handvest-EU niet aan in de weg') en dupliek 17 ('(…) De uitleg van overeenkomsten op basis van de wederzijdse partijbedoeling vormt geen "beperking van het auteursrecht" en evenmin een "gedwongen overdracht" (vgl. §56-59 ST). Het hof heeft uitsluitend op grond van de Haviltex-maatstaf de omvang vastgesteld van i.) de overeengekomen overdracht van de Usemate-software en ii) de impliciete toestemming voor het gebruik van de overlappende Workstate-code.'), 18 ('In §50 e.v. ST en §11 e.v. MT beroepen PayingIT c.s. zich op het Luksan - en ONB-arrest [vindplaatsen weggelaten, A-G]. Die arresten zien op toekenning en overgang van auteursrechten op grond van wettelijke bepalingen, niet op de uitleg van contractuele afspraken. In deze zaak gaat het niet om een wettelijke auteursrechtelijke regeling of beperking op het auteursrecht, maar om de interpretatie van afspraken tussen professionele partijen die hun rechtsverhouding zelf hebben vormgegeven. De aangehaalde rechtspraak is daarom niet relevant.') en 19 ('De stelling van PayingIT c.s. in §80-81 ST dat de zogenoemde obstakelredenering van het Hof van Justitie deze contractsuitleg van het hof in de weg zou staan, berust op een onjuiste rechtsopvatting. PayingIT c.s. verwijzen naar Torenbosch, die opmerkt dat "zelfs nationaal recht dat als zodanig niet wordt geregeld door een richtlijn, niet mag worden toegepast op een manier die de werking van geharmoniseerd EU-recht aantast of ondermijnt." (voetnoot 4: J. Torenbosch, 'Algemeen privaatrecht als ontoelaatbaar obstakel voor richtlijnen en verordeningen', NTBR 2024/24). Torenbosch noemt nationaal civielrechtelijke leerstukken, zoals verjaring, ongerechtvaardigde verrijking of eigendomsvoorbehoud, die objectief botsen met het Unierecht. Dat is hier niet aan de orde. Het hof heeft geen nationaal leerstuk toegepast dat de werking van het Unierecht beperkt, maar enkel de wederzijdse partijbedoeling vastgesteld ten aanzien van een niet-exclusief gebruiksrecht tussen professionele partijen, op grond van het Haviltex-criterium. Dat valt buiten de geharmoniseerde werkingssfeer van de Auteursrechtrichtlijn en vormt geen beperking van het auteursrecht.').
Plta cassatie Payingit c.s. 39 e.v., s.t. Payingit c.s. 87-88 en repliek 12.
S.t. Payingit c.s. 74, 87 en repliek 3-5.
Zie uitdrukkelijk dupliek 1-11 ('De aangehaalde paragrafen [uit de s.t. van Payingit c.s. en haar plta cassatie, A-G] vallen dan ook allemaal buiten de grenzen van de rechtsstrijd in cassatie.').
Onder verwijzing naar grief 7 in mvg 214-215.
Onder verwijzing naar de toelichting op grief 7 in mvg 243-245 en 246-249.
Dit betreft een e-mailbericht van [betrokkene 4] van 28 juni 2016 waarover ook 1.20 hiervoor.
In de genoemde vindplaats is onder meer te lezen: 'Klassestudent is een groepsmaatschappij van Workrate die Usemate gebruikt. Workrate heeft KlasseStudent in 2010 al in een vroeg stadium volledige ontwikkelrechten gegeven met betrekking tot de broncode van onder meer de Workmate-software, ver voordat deze software onder naam Usemate is verkocht aan PayingIP. Per 1 december 2010 is de IT-ontwikkelaar [softwarebedrijf] gaan werken voor KlasseStudent voor ontwikkelwerkzaamheden in de door KlasseStudent gebruikte versie van Workmate en heeft [softwarebedrijf] ook gefactureerd aan KlasseStudent B.V. (de eerste factuur aan KlasseStudent was op 31 december 2010). Op 10 november 2012 (09:58:56; conform logs) heeft KlasseStudent een volledige aftakking ("fork") gemaakt van de Workrate-code, inclusief Workmate; dat wil zeggen een kopie van de broncode van die dag, en is KlasseStudent vanaf dat moment enkel vanaf die kopie gaan doorontwikkelen onder de naam KlasseNet. (…) Aangezien Workrate de toestemming al in 2010 aan KlasseStudent heeft gegeven en de code vanaf dat moment al volledig in beheer was van KlasseStudent en door hen verder is ontwikkeld als separaat product en het feit dat dit [eiser 5] van PayingIT en PayingIP bekend was ten tijde van de overname in 2016, is er geen contractbreuk/auteursrechtinbreuk. (…)'
Zie hierover ook mva 11.48, mede onder verwijzing naar een in prod. 94 overgelegde mailwisseling van 2 oktober 2009. In deze mail schrijft [betrokkene 4] : 'Voor het bedrijf 'Klassestudent' (partner van Workrate) zouden we graag een kopie van de Workrate applicatie op de server willen laten draaien, zodat Klassestudent een eigen rooster applicatie kan gebruiken. Hiervoor is het volgende nodig: - er moet een mapje /home/klassestudent/ aangemaakt worden; deze map moet schrijfbaar zijn voor mij (user = [betrokkene 4] ). + hierin moeten de volgende submappen komen te staan (met schrijfrechten voor) www ( [betrokkene 4] ) (…) + Middels symlinks naar de /home/prd-workrate/src/portal/ kan ik de broncode van de productie omgeving gebruiken; zo hoeven we niet de broncode weer apart neer te zetten. (…)'. [betrokkene 1] antwoordt daarop: 'Namens Workrate, akkoord'.
Onder verwijzing naar HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556 m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58 m.nt. J.M.B. Seignette en Ars Aequi 2008, p. 819 e.v. m.nt. P.B. Hugenholtz ([…]); HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0393, NJ 2012/397, AB 2012/228 m.nt. F.J. van Ommeren, Gst. 2012/87 m.nt. P.M.J. de Haan, Belastingblad 2012/433 m.nt M.R.P. de Bruin, BR 2012/170 m.nt. C.N.J. Kortmann, TBR 2012/150 m.nt. A.R. Neerhof, Ars Aequi 2013, p. 762 e.v. m.nt. R.J.B. Schutgens, JB 2012/178 m.nt. J.J.J. Sillen en JIN 2012/169 m.nt. J.J.J. Sillen (/Staat), HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:397, NJ 2015/367 m.nt. Ch. Gielen en JIN 2015/63 m.nt. M.R. Rijks (Ajax/ […]) en HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:390, NJ 2016/174 (Ryanair/PR Aviation).
De klacht duidt dat als veroordeling in de 'volledige proceskosten', zoals een 1019h-vergoeding in de wandeling inderdaad wel wordt genoemd. Zie in die zin ('vergoeding van de volledige proceskosten') ook rov. 5.4.1 van het al aangehaalde […]-arrest, rov. 5.4.1. Rechtens komen alleen redelijke en evenredige kosten voor vergoeding in aanmerking en ook deze kosten mogen buiten beschouwing worden gelaten voor zover de billijkheid zich tegen de vergoeding ervan verzet. Zie in deze zin inmiddels ook HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:721, NJ 2018/428 m.nt. D.W.F. Verkade en IER 2018/57 m.nt. F.W.E. Eijsvogels (Becton/Braun), rov. 3.3.10, onder verwijzing naar HvJEU 28 juli 2016, zaak C-57/15, ECLI:EU:C:2016:611 (United Video Properties/Telenet), punten 23, 24, 25, 29 en 31. Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:384, onder 3.2) vóór HR 20 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1263, NJ 2024/347 (tussenarrest), vervolgd in HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1603, NJ 2024/348 (verwijzingsarrest) en Auteursrecht 2025-2, nr. 4 m.nt. P.B. Hugenholtz (Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting).
[…]-arrest, al aangehaald, rov. 5.4.1 en Ajax/ […], ook al aangehaald, rov. 3.5; T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 1019h Rv, aant. 6 (actueel t/m 1 januari 2025) en C.J.J.C. van Nispen, T&C Rv, commentaar op art. 1019h Rv, aant. 6 (actueel t/m 1 juli 2025), beiden met verdere verwijzingen.
[…] /Staat, al aangehaald, rov. 3.14. Vgl. 'omgekeerd' Ryanair/PR Aviation, ook al aangehaald, rov. 2.5, waaruit blijkt dat geen sprake is van een gemengde zaak als het oordeel is gestoeld op wanprestatie en partijen zich in dat kader over en weer hebben beroepen op argumenten ontleend aan IE-rechten. In dat geval is uitsplitsing van de proceskosten niet aan de orde en dienen de proceskosten uitsluitend volgens het gebruikelijke liquidatietarief te worden begroot.
De proceskosten in eerste aanleg zijn in cassatie niet in geschil. De rechtbank heeft de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in de zin dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, welk oordeel door het hof is bekrachtigd (rov. 5.27 en het dictum).
Deze overwegingen stroken overigens met het partijdebat in hoger beroep. Zie bijv. mvg 7: 'De centrale vraag in deze procedure is of Usemate auteursrechthebbende is geworden van de volledige Usemate software.' en mva 4.1: 'De kernvraag in deze procedure is of Workrate Workstate mag exploiteren.'
Evenzo mva 4.1.
Zie ook Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 6: 'Het gaat er (…) niet om op welke grondslag een beroep is gedaan, maar op welke grondslag de rechter uiteindelijk de zaak heeft afgedaan.'
Mvg 286 (petitum): '(…) en Workrate te veroordelen in de volledige proceskosten van deze procedure, overeenkomstig artikel 1019 Rv, althans betaling van het maximumtarief voor normale zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, (…)' en mva, p. 26 (petitum): 'Met veroordeling van Payingit in de volledige proceskosten van deze procedure overeenkomstig artikel 1019h Rv, althans betaling van het maximumtarief voor normale zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, (…)'. Vgl. inl. dagv. 15.27: 'Aangezien de vorderingen deels betrekking hebben op de handhaving van IE-rechten, wenst Workrate deels aanspraak te maken op vergoeding van de werkelijke proceskosten op basis van artikel 1019h Rv. Het komt Workrate redelijke voor om schattenderwijs 20% van de juridische kosten toe te rekenen aan de handhaving van de IE-rechten. (…)' Zie hierover Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 6: 'Het verdient aanbeveling de rechter bij verschillende grondslagen bij de specificatie van de kosten inzicht in de omvang van dat IE-gedeelte te geven.'
HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, NJ 2016/16 (LMR), rov. 5.1.2.
P. de Bruin, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 237 Rv, aant. 1 (actueel t/m 1 maart 2025).
C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken, diss. (BPP nr. XIX) 2017/100.
Zie bijv. het afgewezen primair onder II gevorderde declaratoir van Payingit c.s. ('te verklaren voor recht dat Workrate inbreuk maakt op de auteursrechten van PayingIT, door (een deel van) de Software, meer specifiek de Software als opgenomen in de zes mappen uit het [betrokkene 4] - document van 28 juni 2016 inclusief alle bewerkingen daarvan, te kopiëren, te bewerken, aan te passen, door te ontwikkelen, en/of commercieel te exploiteren, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de Software beschikbaar te stellen, te leveren en/of te distribueren aan klanten en/of leveranciers van Workrate, waaronder maar niet beperkt tot Equinix en KlasseStudent;'), ook kenbaar uit Bijlage II bij het eindvonnis, en de toegewezen door Workrate gevorderde verklaringen voor recht als bedoeld in rov. 6.1-6.4 eindvonnis ('geen inbreuk maakt op de auteursrechten').
Te raadplegen via www.rechtspraak.nl/binaries/content/assets/ao/ao-indicatietarieven-in-ie-zaken-gerechtshoven-2017.pdf.
Onder verwijzing naar petitum in resp. mvg en mva , hiervoor al geciteerd.
HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112, NJ 2020/59 en JBPr 2020/37 m.nt. E.J.H. Zandbergen en S. Lubberhuizen (Spirits/FKP), rov. 3.3.1.
Zie ook het Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.1, onder verwijzing naar HR 3 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2621, NJ 1998/571.
Zie ook het Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar het LMR-arrest, al aangehaald, rov. 6.2.1.
Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, PbEU L 195/16.
Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.4, onder verwijzing naar het ook al aangehaalde HvJEU-arrest United Video Properties/Telenet, punt 32.
Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.4.
Spirits/FKP-arrest, al aangehaald, rov. 3.3.5. Vgl. hierover Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 8, voetnoot 2 aldaar: 'Overigens heeft de Hoge Raad in die zaak toch gecasseerd, naar het toeschijnt vanwege een foutieve toepassing van de [indicatie]tarieven!'
[…], al aangehaald, rov. 5.4.1.
Tjong Tjin Tai, a.w., aant. 6, met verwijzingen.
Naast 'normaal' en 'complex' zijn er overigens nog twee categorieën ('zeer eenvoudig, niet bewerkelijk' en 'eenvoudig').
Zie punt 8 onder b van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven: 'Voor de vraag in welke categorie een procedure valt, kan onder meer worden gelet op - de omvang van het (redelijkerwijs noodzakelijke) feitenonderzoek ten behoeve van de procedure, - de omvang van het relevante feitencomplex, - de grondslagen van de vorderingen (met inachtneming van eventuele wijzigingen van eis), - de omvang van het verweer (meerdere grondslagen en een groot aantal verweren zullen vaak leiden tot een complexere procedure), - het aantal proceshandelingen, - het aantal relevante producties, en - het financiële belang van de zaak, voor zover kenbaar. Ook kan worden getoetst of de inzet van het aantal advocaten aan een zijde gelet op de omvang en complexiteit van de procedure redelijk en evenredig is.' [voetnoot niet overgenomen uit het origineel, A-G] Hoewel in beginsel niet meer van belang in hoger beroep (zie punt 8 onder a van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven) vorderde Payingit c.s. in eerste aanleg ook nog het maximumtarief voor complexe zaken. Zie de akte houdende wijziging van eis in reconventie van 25 augustus 2021, vordering XXVII, ook kenbaar uit Bijlage III bij het eindvonnis: '(…) subsidiair, in een bedrag begroot aan de hand van het maximumtarief voor complexe zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, (…)'.
Zie ook mijn al aangehaalde conclusie vóór het tussenarrest in de Anne Frank Fonds/Anne Frank Stichting-zaak, onder 3.13 en i.h.b. voetnoot 29 aldaar.
Zie voor Payingit c.s. aan het slot van de PI (p. 10): '(…) en Workrate te veroordelen in de volledige proceskosten van deze procedure in cassatie overeenkomstig art. 1019h Rv althans betaling van het maximumtarief voor normale zaken overeenkomstig de indicatietarieven voor intellectuele eigendomszaken, met bepaling dat de proceskostenvergoeding wordt vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van het te wijzen arrest van de Hoge Raad'. Zie voor Workrate de conclusie in het verweerschrift: '(…) met veroordeling van eisers tot cassatie in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, nader te specificeren. Dit met de bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen arrest.'
S.t. Payingit c.s. 120-122 en repliek 29-30, beiden met bijlagen.
S.t. Workrate 122-126 en dupliek 27-28, beiden met bijlagen.
Te raadplegen via www.hogeraad.nl/publish/pages/2223/indicatietarieven-in-ie-zaken-hr-2017_2.pdf en https://www.rechtspraak.nl/binaries/content/assets/ao/ao-indicatietarieven-in-ie-zaken-hr-2017.pdf.
Punt 8 onder a van de Indicatietarieven in IE-zaken van de Hoge Raad van 1 april 2017.
Zie o.m. PI (p. 10), al geciteerd.
Zie o.m. s.t. Workrate 117.
Die komen overeen met de hiervoor al geciteerde omstandigheden als bedoeld in punt 8 onder b van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven.
Vgl. overigens ook s.t. Payingit c.s. 121 ('Deze zaak is in cassatie inhoudelijk en juridisch, nationaalrechtelijk en Unierechtelijk, ook bovengemiddeld complex van omvang en gewicht (…)'), waarover dupliek 24-25.
Onder verwijzing naar punt 7 onder b Indicatietarieven in IE-zaken van de Hoge Raad van 1 april 2017.
Dupliek 28.
Idem.
Becton/Braun, al aangehaald, rov. 3.5, onder verwijzing naar HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, NJ 2018/56 m.nt. H.J. Snijders, IER 2017/7 m.nt. A.M.E. Verschuur en JBPr 2016/62 m.nt. E. Loesberg ([…] /GIA).
Zie de conclusie, onder 4. De Hoge Raad heeft in die zaak over de proceskosten in cassatie nog geen beslissing genomen, omdat prejudiciële vragen aan het HvJEU zijn gesteld (zaak C-788/24, waarin inmiddels op 15 januari 2026 conclusie is genomen door A-G A Rantos, ECLI:EU:C:2026:12, maar nog geen uitspraak van het HvJEU voorhanden is).
Zie Ajax/ […], al aangehaald, rov. 3.5. - - - ## Voetnoten