Terug naar bibliotheek
Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2025:1409 - Parket bij de Hoge Raad - 19 december 2025
Arrest
ECLI:NL:PHR:2025:1409•19 december 2025
Arrest inhoud
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00877
Zitting 19 december 2025
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[de man] ,hierna: de man,
advocaat: mr. J.E. Strengholt-Geitenbeek
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw.
1 Inleiding en samenvatting
1.1 Tussen de partijen in deze alimentatiezaak heeft het hof in een eerdere procedure (hierna ook: de vaststellingsprocedure) een door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan partneralimentatie vastgesteld. Het door de man tegen deze uitspraak van het hof in de vaststellingsprocedure ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen (art. 81 RO).
1.2 In de voorliggende alimentatiezaak heeft de man, voor zover in cassatie van belang, de rechtbank om wijziging van de in de vaststellingsprocedure door het hof bepaalde partneralimentatie verzocht. De rechtbank heeft de partneralimentatie op grond van artikel 1:401 lid 4 BW verlaagd. Deze verlaging is door het hof in hoger beroep vervolgens grotendeels weer teruggedraaid. Ook heeft het hof, anders dan de rechtbank, het op artikel 1:402a lid 5 BW gebaseerde verzoek van de man tot uitsluiting van de wettelijke indexering afgewezen.
1.3 In zijn veelomvattende cassatieberoep richt de man vanuit diverse invalshoeken klachten tegen de beschikking van het hof in deze wijzigingsprocedure. Zo komt de man op tegen het oordeel van het hof dat wat betreft de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan worden aangesloten bij de behoefte zoals die door het hof in de eerdere vaststellingsprocedure is bepaald. Ook bestrijdt de man het oordeel van het hof met betrekking tot de behoeftigheid van de vrouw, waarbij het zwaartepunt ligt bij de vraag in hoeverre het voor risico van de vrouw behoort te komen dat de gezamenlijke (vakantie)woning van partijen in Nieuw-Zeeland nog niet is verkocht. Verder zijn diverse klachten gericht tegen de beoordeling van het hof van de draagkracht van de man. Tot slot wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende grond bestaat voor uitsluiting van de wettelijke indexering van de partneralimentatie.
1.4 Ik meen dat de klachten falen en dat het cassatieberoep van de man verworpen moet worden.
2 Feiten en procesverloop
Feiten
<footnoteReference id="_4cf5c342-2f53-44aa-a74c-42bfd995837e">[1]</footnoteReference>
2.1 De vrouw heeft de Nederlandse en de Nieuw-Zeelandse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2 De vrouw en de man zijn op 20 maart 1993 gehuwd in Nieuw-Zeeland. Zij hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld waarbij iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten.
2.3 Hun huwelijk is op 18 november 2019 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 20 februari 2019 van de rechtbank Amsterdam[2] in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben drie zoons die inmiddels meerderjarig zijn.
2.4 Bij de echtscheidingsbeschikking van 20 februari 2019 is, voor zover in cassatie van belang, door de rechtbank Amsterdam (hierna ook: de rechtbank) een door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald van € 23.495, - bruto per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.5 Bij beschikking van 4 februari 2020[3] van het hof Amsterdam (hierna ook: het hof) is, met vernietiging van de echtscheidingsbeschikking in zoverre, en voor zover in cassatie van belang, de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op € 22.814, - bruto per maand. Verder is bepaald dat de vrouw de op grond van deze beschikking onverschuldigd door de man betaalde alimentatie aan hem terug dient te betalen.
2.6 De Hoge Raad heeft bij beschikking van 2 juli 2021[4] het beroep in cassatie van de man gericht tegen de beschikking van het hof van 4 februari 2020 verworpen (art. 81 lid 1 RO).
Procesverloop
<footnoteReference id="_7f92c490-00e0-47ab-9b55-45dc7f1be109">[5]</footnoteReference>
2.7 Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 31 mei 2023, heeft de man de rechtbank, voor zover in cassatie van belang en samengevat weergegeven, verzocht: - primairvoor recht te verklaren of te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 1 juni 2023 eindigt, althans op nihil wordt bepaald, althans aanzienlijk wordt gematigd; - subsidiair de beschikking van het hof van 4 februari 2020 te wijzigen, in die zin dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2023 op nihil wordt gesteld, dan wel te verlagen tot een bedrag niet hoger dan € 2.000, - bruto per maand, althans tot een bedrag dat aanzienlijk lager is dan € 25.377, - bruto per maand; - voorwaardelijk: de wettelijke indexering voor de resterende looptijd van de alimentatie uit te sluiten; - de vrouw te veroordelen de onverschuldigd betaalde alimentatie aan de man terug te betalen, althans de man te machtigen de onverschuldigd betaalde alimentatie te verrekenen met eventueel toekomstige verschuldigde termijnen en/of het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland.
2.8 De vrouw heeft, voor zover in cassatie van belang, verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van de man.
2.9 De mondelinge behandeling in eerste aanleg heeft plaatsgevonden op 2 april 2024. Aanwezig waren beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.[6] Namens beide partijen zijn spreekaantekeningen overgelegd.[7]
2.10 Bij beschikking van 6 mei 2024[8] heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, zoals vastgelegd in de beschikking van het hof van 4 februari 2020, gewijzigd en bepaald dat de man € 10.520, - bruto per maand aan de vrouw dient te voldoen, met ingang van 1 juni 2023. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de op grond van deze beschikking onverschuldigd betaalde partneralimentatie aan de man moet terugbetalen, uiterlijk op de datum van de overdracht van de woning in Nieuw-Zeeland en dat de man de te veel ontvangen partnerbijdrage mag verrekenen met het aandeel van de vrouw in de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland. De rechtbank heeft verder bepaald dat de wettelijke indexering van de te betalen partneralimentatie met ingang 1 januari 2024 wordt uitgesloten.
2.11 De vrouw is op 5 juni 2024 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank.[9] Zij heeft, kort gezegd, het hof verzocht de beschikking te vernietigen en het wijzigingsverzoek van de man alsnog af te wijzen.
2.12 De man heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen. In incidenteel hoger beroep heeft de man, voor zover in cassatie van belang en samengevat weergegeven, verzocht, met vernietiging van de beschikking: - primair voor recht te verklaren of te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man op grond van grievend gedrag met ingang van 1 juni eindigt, althans deze met ingang van die datum op nihil te stellen of te verlagen; - subsidiair de beschikking van het hof van 4 februari 2020 te wijzigen in die zin dat de door hem verschuldigde alimentatie met ingang van 1 augustus 2021, althans 1 juni 2023 op nihil wordt gesteld, of met ingang van een door het hof juist te achten datum wordt gesteld op een bedrag van niet hoger dan € 4.500, - bruto per maand, althans zeer aanzienlijk lager dan € 26.951, - of € 10.520, - bruto per maand; - voorwaardelijk de alimentatieverplichting in duur te beperken althans op nihil te stellen tot/per de datum van de feitelijke overdracht van de eigendom van de woning in Nieuw-Zeeland.
2.13 De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de man af te wijzen.
2.14 De mondelinge behandeling in appel heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2024. Daarbij zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd.[10] Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt (zie daarover verder onder 2.17).
2.15 Bij beschikking van 10 december 2024 (hierna ook: de bestreden beschikking)[11] heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 juni 2023 bepaald op € 22.398, - bruto per maand, en met ingang van 1 februari 2024 op € 22.816, - bruto per maand, en het verzoek om uitsluiting van de wettelijke indexering van de man alsnog afgewezen.
2.16 Bij procesinleiding, tijdig binnengekomen bij de griffie op 10 maart 2025, heeft de man cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof.
2.17 De man beschikte bij het indienen van zijn procesinleiding nog niet over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 augustus 2024. Om die reden heeft hij een voorbehoud gemaakt om het middel aan te vullen voor zover het proces-verbaal daartoe aanleiding zou geven. Bij aanvullende procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 5 juni 2025, heeft hij het cassatiemiddel aangevuld.[12] Ook heeft hij daarin twee opmerkingen gemaakt met betrekking tot het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 augustus 2024.[13]
2.18 De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
3 Bespreking van het cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit zeven onderdelen (I-VII), die worden uitgewerkt en toegelicht in diverse subonderdelen. In onderdeel I wordt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aan de orde gesteld. Onderdelen II en III bevatten klachten met betrekking tot de behoeftigheid van de vrouw. Onderdeel V richt zijn pijlen op het oordeel van het hof over de draagkracht van de man. Onderdeel VI bestrijdt het oordeel van het hof dat onvoldoende grond bestaat voor uitsluiting van de wettelijke indexering. Onderdelen IV en VII bevatten voortbouwklachten.
3.2 Bij de bespreking van de onderdelen I-V stel ik het volgende voorop.
3.3 Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de vaststelling en de weging van de factoren die de draagkracht en de behoefte bepalen, voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt. Deze oordelen kunnen in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Ook kunnen aan deze oordelen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Zij moeten voldoende inzicht geven in de gedachtegang die aan de beslissing ten grondslag ligt, in het bijzonder hoe de rechter, gelet op het partijdebat, tot zijn beslissing is gekomen, zonder dat de rechter op alle stellingen van partijen behoeft in te gaan. Wel dient ook een beslissing over alimentatie ten minste zodanig te worden gemotiveerd, dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.[14]
3.4 Artikel 1:401 lid 4 BW bepaalt dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.[15] De wettelijke maatstaven waarnaar in artikel 1:401 BW wordt verwezen zijn behoefte en draagkracht.[16]
3.5 Op de partij die op grond van deze bepaling om wijziging van alimentatie verzoekt, rusten stelplicht en bewijslast dat van onjuiste of onvolledige gegevens sprake is.[17] Deze partij beroept zich immers op het rechtsgevolg dat wijziging van een eerder door de rechter vastgestelde alimentatie nodig is (art. 150 Rv).
3.6 De mogelijkheden tot wijziging van een alimentatiebeslissing op grond van artikel 1:401 BW beperken het gezag van gewijsde van alimentatiebeslissingen. Vaste rechtspraak van de Hoge Raad hierover luidt als volgt:[18]
"Hoewel in beginsel ook gezag van gewijsde toekomt aan beslissingen met betrekking tot geschilpunten ter zake van aanspraken op levensonderhoud die zijn vervat in een tussen dezelfde partijen gegeven, in kracht van gewijsde gegane beschikking, wordt dit gezag in zoverre beperkt dat ingevolge art. 1:401 BW een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij een latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1) of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (lid 4).
Wordt op de voet van art. 1:401 BW wijziging van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verzocht, dan is de rechter daarom niet gebonden aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht, indien blijkt dat een of meer van de in die bepalingen genoemde gronden zich voordoen. De rechter zal in dat geval de uitkering tot levensonderhoud opnieuw hebben vast te stellen, rekening houdend met alle terzake dienende omstandigheden, en hij is daarbij niet gebonden aan oordelen omtrent die omstandigheden in de beslissing waarvan wijziging wordt verzocht.
Dat geldt ook indien - zoals in dit geval - op de voet van art. 1:401 BW wijziging van de alimentatie wordt verzocht, terwijl in een eerdere procedure waarin door de verzoeker hetzelfde was verzocht, dat verzoek was afgewezen omdat verzoeker onvoldoende gegevens had overgelegd ter staving van de door hem aan zijn verzoek ten grondslag gelegde wijziging van omstandigheden (HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902, NJ 2007/518).
(…)"
3.7 Als de rechter heeft vastgesteld dat sprake is van een wijzigingsgrond in de zin van artikel 1:401 lid 1 of lid 4 BW, moet hij de behoefte en draagkracht beoordelen aan de hand alle actuele omstandigheden. Het gaat dus om een beoordeling ex nunc. Daarbij kunnen ook omstandigheden betrokken worden die al bestonden ten tijde van de eerdere beschikking, maar die in die procedure niet werden opgevoerd.[19]
3.8 Het beperkte gezag van gewijsde geldt volgens de Hoge Raad niet voor "andersoortige" omstandigheden. Zo geldt het beperkte gezag van gewijsde niet voor het eerdere oordeel van de rechter over de vraag of sprake was van zodanig grievend gedrag van de vrouw dat daardoor geen aanspraak meer bestond op partneralimentatie, aldus de Hoge Raad in een overweging ten overvloede in 2013:[20]
"5.5 Het onderhavige verweer van de man is gebaseerd op gedragingen van de vrouw tijdens de verbreking van de relatie van partijen. Het oordeel van de rechter omtrent de vraag of dergelijke gedragingen zodanig grievend zijn dat daardoor geen aanspraak meer bestaat op partneralimentatie, is een beslissing die niet vatbaar is voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW. Het gaat immers om een beslissing die voorafgaat aan — en gebaseerd is op andersoortige omstandigheden dan — de in art. 1:401 BW bedoelde, en op de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht gebaseerde, beslissing over de vraag of en tot welk bedrag alimentatie verschuldigd is. In het onderhavige geval zou daarom aan het oordeel van het hof, als het zijn beslissing wél zou dragen, in beginsel gezag van gewijsde toekomen."
3.9 Het beperkte gezag van gewijsde ten aanzien van de omstandigheden betekent niet dat de rechter de omstandigheden relevant voor behoefte en draagkracht in een wijzigingsprocedure bij aanwezigheid van een van de wijzigingsgronden van artikel 1:401 lid 1 en 4 BW opnieuw móet wegen – de rechter is daartoe alleen gehouden voor zover het partijdebat dit vergt.[21]
3.10 De wijzigingsprocedure is niet bedoeld om procesrechtelijke kwesties in de eerdere procedure aan de orde te stellen; dat verhoudt zich niet tot het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Vermeend onjuist wegen van de relevante omstandigheden vormt op zichzelf bovendien geen reden voor wijziging op grond van artikel 1:401 lid 1 of 4 BW. Daartegen staat slechts hoger beroep open.[22]
3.11 Ik keer terug naar de bespreking van de onderdelen.
Onderdeel I – huwelijksgerelateerde behoefte
3.12 Met onderdeel I komt de man op tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.13, waarin het hof de in de vaststellingsprocedure bij beschikking van 4 februari 2020 bepaalde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw overneemt. Ik citeer, inclusief de relevante daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen:
"Behoefte
5.11 De rechtbank heeft de door het hof in zijn beschikking van 4 februari 2020 berekende behoefte van de vrouw van € 12.278, - netto per maand overgenomen, omdat uit de conclusie van de procureur-generaal van 5 maart 2021 blijkt dat de behoefte van de vrouw door het hof voldoende gemotiveerd is en dat de klachten van de man over de vaststelling van de behoefte naar het oordeel van de Hoge Raad niet kunnen leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad heeft het beroep bij beschikking van 2 juli 2021 verworpen op grond van artikel 81 lid 1 Wet op de Rechterlijke Organisatie.
5.12 De man heeft in zijn eerste grief in incidenteel hoger beroep de behoefte van de vrouw opnieuw aan de orde gesteld. Hij heeft zijn eerder ingenomen stelling dat de vrouw haar behoefte nooit degelijk met stukken heeft onderbouwd, herhaald. Alleen al uit het gegeven dat de vrouw heeft erkend € 80.000, - per jaar aan proceskosten te hebben uitgegeven, blijkt volgens de man dat zij een verkeerde voorstelling van haar behoefte heeft gegeven. De man kan zich alleen verweren als de vrouw voldoende stelt en dat doet zij niet. In haar geval is het eens te meer aangewezen dat zij stukken indient, omdat zij ongebruikelijk hoge kostenposten opvoert. De vrouw heeft echter geen enkel stuk ingediend. Nu het hof dit alles in zijn beschikking van 4 februari 2020 heeft miskend en zonder onderbouwing en in weerwil van de betwisting door de man een bedrag van € 12.278, - aan netto behoefte per maand heeft aangenomen, is het hof van onvolledige gegevens uitgegaan. Uit de berekening van de man volgt een behoefte van € 4.530, - netto per maand. Daarin kan de vrouw zelf voorzien, aldus de man.
5.13 Het hof constateert dat dit hof de behoefte van de vrouw in de beschikking van 4 februari 2020 heeft gebaseerd op de door de vrouw opgestelde behoeftelijst, zij het dat op bepaalde posten correcties zijn aangebracht. De man was het - onder andere - met deze behoefte niet eens en heeft cassatieberoep ingesteld. In zijn conclusie van 5 maart 2021 constateert de procureur-generaal dat het hof bij het nalopen van de posten op de behoeftelijst in overeenstemming met vaste rechtspraak heeft beoordeeld in hoeverre deze redelijk zijn gelet op de welstand waarin partijen hebben geleefd. Daarbij heeft het hof in een aantal opzichten de stellingen van de man ten aanzien van de redelijkheid van uitgaven gevolgd. Al met al heeft het hof de behoeftebepaling voldoende gemotiveerd en heeft de man met zijn nadruk op de stelplicht van de vrouw de zelfstandige taak van de alimentatierechter miskend, aldus de procureur-generaal.
In de onderhavige procedure herhaalt de man in feite zijn stellingen ten aanzien van de behoefte van de vrouw waarbij voor hem vooral zwaar weegt, zo heeft hij ter zitting in hoger beroep ook verklaard, dat de vrouw heeft verzuimd haar behoefte met stukken te onderbouwen. Naar het oordeel van het hof stelt de man echter onvoldoende om opnieuw de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw te onderzoeken en ziet zijn grief vooral op een nieuwe waardering van door de rechter al gewogen omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van feiten of omstandigheden waarmee in de beschikking van 4 februari 2020 op het punt van de behoefte geen rekening is gehouden of die hetgeen waarop of naar aanleiding waarvan het hof heeft geoordeeld in een geheel ander daglicht stellen. Dat de vrouw een hoog bedrag aan proceskosten heeft gespendeerd, zoals de man stelt en waarin hij een aanwijzing ziet dat de vrouw meer financiële ruimte heeft dan gedacht, is in dat opzicht onvoldoende. De vrouw heeft bovendien gemotiveerd bestreden dat zij geld heeft kunnen overhouden (verweerschrift incidenteel hoger beroep, randnummers 9 tot en met 14) (vgl. ook conclusie procureur-generaal 12 januari 2018 - randnummers 2.12 en 2.13). De rechtbank mocht dan ook, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 juli 2021, de door het hof berekende – en toereikend gemotiveerde – behoefte overnemen, en ook het hof gaat daarvan uit."
3.13 Het onderdeel bestaat uit de subonderdelen I.1, I.2 en I.4. Subonderdeel I.3 ontbreekt.
3.14 In subonderdeel I.1 wordt geklaagd dat het oordeel van het hof, in navolging van de door het hof aangehaalde A-G, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt in het subonderdeel in de eerste plaats betoogd dat – indien in de eerdere procedure, waarin de behoefte van de vrouw is vastgesteld, is uitgegaan van hetzij een onjuiste maatstaf ten aanzien van stelplicht en bewijslast en/of de man zich in die procedure niet naar behoren heeft kunnen verdedigen, omdat de vrouw haar behoefte op geen enkele wijze met stukken heeft onderbouwd – per definitie sprake is van een beslissing op basis van onjuiste of onvolledige gegevens en dat de man dat in een artikel 1:401 BW-procedure dus opnieuw aan de orde dient te stellen.In vervolg daarop wordt betoogd dat in de nieuwe wijzigingsprocedure zelfstandig en opnieuw beoordeeld dient te worden of de vrouw nu wel op grond van artikel 21 Rv en artikel 149 Rv aan haar stelplicht heeft voldaan en wel op een zodanige manier dat de man zich daartegen naar behoren kan verweren. Daarbij wordt, vooruitlopend op subonderdeel I.2, erop gewezen dat de rechter in de wijzigingsprocedure een complete herbeoordeling, ook van de behoefte, moet maken. Geklaagd wordt dat, nu de vrouw in de artikel 1:401 BW-procedure – andermaal – nalaat om de tot haar domein behorende stukken ter onderbouwing van haar huwelijksgerelateerde behoefte op basis van artikel 21 Rv, de domeinleer en artikel 149 Rv in het geding te brengen, het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk dan wel niet toereikend gemotiveerd is dat de man te weinig voor een wijziging zou hebben gesteld. Daarmee wordt de vrouw beloond voor het (stelselmatig) niet geven van inzage in de stukken die voor de uitkomst van de procedure van belang (kunnen) zijn en waarvan de vrouw, ook in de wijzigingsprocedure, een (mogelijk zelfs verzwaarde) stelplicht heeft, aldus het subonderdeel.
3.15 Subonderdeel 1.2 is onderverdeeld in de subonderdelen I.2.1-I.2.3, die elk weer verschillende klachten bevatten.
3.16 In subonderdeel I.2.1 gaat het om de herbeoordeling door de rechter in een wijzigingsprocedure, in dit geval van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. In de kern wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in r.o. 5.13 miskent dat als een rechter een partij ontvankelijk acht in zijn wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW, een volledige herbeoordeling dient plaats te vinden, zowel van de draagkracht als de behoefte en de behoeftigheid. Het subonderdeel betoogt verder dat het hof miskent dat in een wijzigingsprocedure het gezag van gewijsde niet van toepassing is. De man wijst erop dat de rechter, die heeft geoordeeld dat een partij ontvankelijk is in zijn wijzigingsverzoek op grond van artikel 1:401 BW, niet gebonden is aan geschilbeslissingen in de uitspraak waarvan wijziging wordt verzocht.Ook in dit subonderdeel wordt weer aangevoerd dat de alimentatiegerechtigde in een procedure op grond van artikel 1:401 BW opnieuw voldoende dient te stellen dat er (van aanvang af en nog steeds) behoefte c.q. behoeftigheid is. Dit betekent volgens de man dat de vrouw in deze wijzigingsprocedure haar behoefte en behoeftigheid naar behoren had moeten onderbouwen.
3.17 In subonderdeel I.2.2 staat de stelplicht van de vrouw centraal. In de kern wordt geklaagd dat het hof in r.o. 5.13 bij de herbeoordeling ex nunc van de behoefte van de vrouw is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de stelplicht van de vrouw als alimentatiegerechtigde, althans dat zijn oordeel gelet hierop onbegrijpelijk is. Volgens de man moet de vrouw als partij die alimentatie verzoekt ten aanzien van haar behoefte en behoeftigheid concreet die rechtsfeiten stellen en bij betwisting bewijzen, waaruit volgt wat die behoefte en behoeftigheid zijn en kan niet volstaan worden met het verwijzen naar een in een eerdere procedure vastgestelde behoefte.Voor zover in de wijzigingsprocedure op de man als alimentatieplichtige de bewijslast rust dat de vrouw niet langer behoefte heeft of behoeftig is, wordt in het subonderdeel aangevoerd dat op de vrouw dan een verzwaarde stelplicht rust ten aanzien van de tot haar domein behorende feiten op grond van artikel 149 Rv, de domeinleer en artikel 21 Rv.
3.18 In subonderdeel I.2.3 draait het om de stelplicht van de man. In het kader van de beide voorgaande subonderdelen en los daarvan, wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de man te weinig heeft gesteld voor een herbeoordeling van de huwelijksgerelateerde behoefte onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Daartoe wordt in de eerste plaats aangevoerd dat de vrouw, kort weg, niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Daarnaast wordt door de man betoogd dat de herkansingsfunctie van artikel 1:401 BW meebrengt dat de man, in geval van een beslissing op grond van onjuiste of onvolledige gegevens in een eerdere procedure, dit in een nieuwe procedure aan de orde kan stellen en daarbij in die eerdere procedure aangevoerde argumenten naar voren kan brengen.Verder voert de man aan dat hij gedurende de gehele procedure wel datgene heeft aangevoerd wat hij in redelijkheid kon aanvoeren.[23] De man trekt daaruit de conclusie dat hij naar vermogen (en dus voldoende) gesteld en onderbouwd heeft dat de in de eerdere procedure door het hof vastgestelde behoefte van aanvang af niet aan de eisen heeft voldaan en dat de vrouw ook nu niet de door haar gestelde behoefte heeft. De man heeft alles aangevoerd wat binnen zijn vermogen lag, heeft op elk moment aangevoerd dat de vrouw nadere stukken in het geding moest brengen, heeft in dat verband een beroep gedaan op de artikelen 21, 22, 149 en 843a Rv, en heeft met voorbeelden aangegeven dat en waarom de vrouw kennelijk aanzienlijke bedragen moet hebben overgehouden en aan andere zaken dan kosten voor huishouding moet hebben besteed. In dit verband is het volgens de man ook onjuist en onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de stelling van de man dat uit het feit dat de vrouw een hoog bedrag heeft gespendeerd aan proceskosten volgt dat zij meer financiële ruimte heeft dan gedacht, onvoldoende is om te spreken van feiten of omstandigheden die maken dat de huwelijksgerelateerde behoefte moet worden aangepast.[24] Ook wordt geklaagd dat het rechtens onjuist en onbegrijpelijk is dat de vrouw gemotiveerd zou hebben betwist dat zij geld heeft kunnen overhouden. De onderbouwing van de vrouw is in dit verband onvoldoende. Zij geeft daarmee geen sluitend en onderbouwd verloop van de betaalde € 1,5 miljoen aan alimentatie. Het hof miskent met zijn oordeel de maatstaf van artikel 149 Rv, althans heeft het zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de man.Voor zover het hof van oordeel was dat de man zijn puntsgewijze betwisting in eerste aanleg[25] ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte woordelijk had moeten herhalen, heeft het hof daarmee de devolutieve werking van het appel miskend, dan wel gelet daarop een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het slot van dit subonderdeel.
3.19 De klachten van de subonderdelen I.1 en I.2 kunnen gezamenlijk behandeld worden. Zij stuiten af op het volgende.
3.20 Ik stel voorop dat het oordeel van het hof in r.o. 5.13 dat met deze klachten bestreden wordt, ziet op de huwelijksgerelateerde behoefte en niet op de behoeftigheid of aanvullende behoefte van de vrouw. Voor zover de klachten ervan uitgaan dat het oordeel van het hof ook ziet op de behoeftigheid of aanvullende behoefte van de vrouw falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.21 Het hof neemt in de bestreden rechtsoverweging r.o. 5.13 tot uitgangspunt dat in een eerdere procedure tussen partijen over de vaststelling van de partneralimentatie al tot aan de Hoge Raad is doorgeprocedeerd. Door de verwerping van het cassatieberoep van de man met toepassing van artikel 81 lid 1 RO is de door het hof in zijn beschikking van 4 februari 2020 vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte van € 12.278, - netto per maand in die eerdere procedure in stand gebleven.[26] Het hof heeft in die beschikking, ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde alimentatie, de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw beoordeeld aan de hand van een behoeftelijst van de vrouw en vastgesteld op € 12.278, - netto per maand.
3.22 In de hier bestreden r.o. 5.13 gaat het hof er mijns inziens terecht van uit dat het aan de man is om in deze wijzigingsprocedure feiten en omstandigheden te stellen die tot wijziging van de eerder door het hof vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte zouden moeten leiden.
3.23 Met het hof ben ik van mening dat de man in deze wijzigingsprocedure tevergeefs opnieuw aan de orde stelt dat de vrouw niet voldaan heeft aan haar stelplicht ten aanzien van haar huwelijksgerelateerde behoefte. Uit r.o. 5.13 volgt dat het hof deze stellingen van de man in de voorliggende wijzigingsprocedure niet redengevend acht voor een herbeoordeling van de huwelijksgerelateerde behoefte, omdat de man deze stellingen al eerder heeft aangevoerd in de vaststellingsprocedure, waarin die stellingen door het hof in 2020 beoordeeld zijn, waarna de zaak in cassatie met toepassing van artikel 81 RO is afgedaan. Voornoemd oordeel van het hof in de voorliggende wijzigingsprocedure is niet onjuist en niet onbegrijpelijk. Het getuigt mijns inziens van een onjuiste rechtsopvatting van de man dat hij meent dat deze kwestie over de stelplicht van de vrouw nogmaals in een wijzigingsprocedure aan de orde gesteld kan worden.
3.24 Alle klachten in de subonderdelen I.1 en I.2 waaraan de gedachte ten grondslag ligt dat het bestreden oordeel van het hof niet in stand kan blijven, omdat het hof eraan voorbij gaat dat de vrouw, noch in de vaststellingsprocedure noch in de wijzigingsprocedure, aan haar stelplicht ten aanzien van haar huwelijksgerelateerde behoefte zou hebben voldaan, kunnen gelet op het voorgaande niet slagen.
3.25 Het hof heeft ook overigens getoetst of feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die aanleiding geven om in de wijzigingsprocedure opnieuw de huwelijksgerelateerde behoefte te onderzoeken. Ook hiervan is volgens het hof geen sprake. Daarbij weegt het hof de stelling van de man dat de vrouw een hoog bedrag aan proceskosten heeft uitgegeven, waarin de man een aanwijzing ziet dat de vrouw meer financiële ruimte heeft dan gedacht. Het hof vindt deze stelling onvoldoende voor het opnieuw onderzoeken van de huwelijksgerelateerde behoefte. Bovendien heeft de vrouw gemotiveerd bestreden dat zij geld heeft kunnen overhouden, aldus het hof, onder verwijzing naar vindplaatsen in het verweerschrift van de vrouw in het incidenteel hoger beroep. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.26 Uit het voorgaande volgt dat het oordeel van het hof dat het, met de rechtbank, in deze wijzigingsprocedure uitgaat van de door het hof in zijn beschikking van 4 februari 2020 berekende huwelijksgerelateerde behoefte niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onvoldoende gemotiveerd of anderszins onbegrijpelijk is.
3.27 Nu de subonderdelen I.1 en I.2 falen, deelt de voortbouwklacht van subonderdeel I.4 dat lot en slaagt geen van de subonderdelen van onderdeel I.
Onderdeel II – behoeftigheid
3.28 Het tweede onderdeel is in de eerste plaats gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.4 dat niet gebleken is dat de vrouw zonder redelijke grond rechtsmiddelen heeft ingezet. Het onderdeel richt zich verder tegen de oordelen in r.o. 5.15 en r.o. 5.19 inzake de verdiencapaciteit van de vrouw. Betoogd wordt dat het hof in deze rechtsoverwegingen enerzijds oordeelt dat niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij weer betaalde werkzaamheden gaat verrichten. Anderzijds, aldus het onderdeel, is het hof van oordeel dat het niet onbegrijpelijk is dat de vrouw de wens had de woning in Nieuw-Zeeland te behouden en de hoop had daar te kunnen blijven wonen en ermee inkomsten te kunnen verwerven door de B&B te (blijven) runnen. Hierdoor, zo vervolgt het onderdeel, kan het de vrouw volgens het hof niet worden tegengeworpen dat zij gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden om de woning te houden en acht het hof het niet redelijk om het gegeven dat de woning nog niet verkocht was op 1 juni 2023 volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen en daaraan het vervolg te verbinden dat zij vanaf de ingangsdatum met dit fictieve vermogen voor de helft in haar behoefte geacht wordt te voorzien. Ook richt het onderdeel zich tegen r.o. 5.25, waarin het hof oordeelt dat, in de bewoordingen van het onderdeel, "de man maar een wijzigingsprocedure moet opstarten" zodra de woning in Nieuw-Zeeland is verkocht en dat hij thans moet worden geacht de alimentatie te voldoen maar dat dat niet voor de gehele duur geldt.
3.29 Ik citeer de betreffende rechtsoverwegingen, waarbij ik de hiervoor genoemde overwegingen waartegen het onderdeel is gericht, heb onderstreept. Uit oogpunt van begrijpelijkheid laat ik r.o. 5.4 voorafgaan door r.o. 5.3 en r.o. 5.19 door r.o. 5.18:
"Grievend gedrag/misbruik van procesrecht
5.3 De man herhaalt in incidenteel appel zijn (in eerdere procedures ook al ingenomen) stelling dat de vrouw misbruik maakt van procesrecht, althans dat zij onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, althans dat haar gedrag onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zodanig dat de man niet meer gehouden is tot betaling van alimentatie. Het gaat niet alleen om misbruik van procesrecht doordat de vrouw blijft procederen, maar ook om grievend gedrag in de vorm van beledigingen en het gegeven dat zij de man zwart maakt bij vrienden en kennissen.
5.4 Ten aanzien van het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat weliswaar veel procedures zijn gevoerd tussen partijen, maar dat niet is gebleken dat de door de vrouw ingezette rechtsmiddelen zonder enige redelijke grond door haar zijn ingezet. Het hof neemt die overweging over en maakt die tot de zijne. Ten aanzien van de door de man gestelde beledigende uitlatingen van de vrouw overweegt het hof dat indien zou komen vast te staan dat de vrouw dergelijke uitlatingen heeft gedaan, die niet als zodanig grievend aan zijn aan te merken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt van de man. Deze door de man gestelde gedragingen kunnen ook niet als zodanig grievend worden aangemerkt dat de alimentatie niet in volle omvang in stand kan blijven en dient te worden gematigd.
Het primaire verzoek van de man zal dus worden afgewezen.
(…)
Verdiencapaciteit
5.15 De vrouw, die nu 68 jaar oud is, was van beroep fotograaf maar is met dat werk jaren geleden gestopt. De man voert aan dat de vrouw die werkzaamheden weer kan oppakken of dat zij in een B&B kan gaan werken.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat van de vrouw, die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, niet kan worden gevergd dat zij weer betaalde werkzaamheden gaat verrichten om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien. De vraag of de vrouw op haar leeftijd weer moet gaan werken, is een andere vraag dan de vraag of de man (op zijn leeftijd) moet interen op zijn vermogen om de alimentatie te kunnen voldoen. Voor zover de man er in zijn grief over klaagt dat hij geacht wordt om zijn vermogen aan te wenden voor de kosten van de vrouw terwijl de vrouw niet geacht wordt om te werken, slaagt die grief dus niet.
(…)
Vermogen uit woning Nieuw-Zeeland
5.18 Bij de vaststelling van de mate waarin de vrouw zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien, heeft de rechtbank rekening gehouden met haar aandeel in de woning in Nieuw-Zeeland. Dat deze woning op 1 juni 2023 nog niet verkocht was, ligt volgens de rechtbank in de risicosfeer van de vrouw; zij had dit vermogen liquide kunnen maken en met de opbrengst in de helft van haar behoefte kunnen voorzien.
Tegen deze overwegingen van de rechtbank heeft de vrouw meerdere grieven gericht. Zij erkent dat zij vermogen zal ontvangen na verkoop van de woning, hetgeen dan van invloed is op haar behoeftigheid, maar verzet zich ertegen dat daarmee met terugwerkende kracht rekening wordt gehouden. Het was haar goed recht om de verkoop van de woning aan te vechten. De vrouw had de woning graag gehouden zodat zij de B&B kon voortzetten. Bovendien ziet de vrouw niet in waarom het alleen in haar risicosfeer ligt dat de woning (tot op heden) niet is verkocht. Ook nadat de vrouw was gestopt met de B&B heeft het nog maanden geduurd voordat de woning door de man te koop werd gezet.
De man heeft verweer gevoerd en is van mening dat de vrouw met haar vermogen in haar gehele behoefte kan voorzien.
5.19 Het hof stelt vast dat de vrouw meerdere procedures heeft gevoerd teneinde de verkoop van de woning tegen te houden. De vrouw had willen terugkeren naar haar geboorteland Nieuw-Zeeland en hoopte te kunnen wonen in de woning en er bovendien inkomsten mee te kunnen verwerven door de B&B te (blijven) runnen. Dat zij de wens had om de woning te behouden, is niet onbegrijpelijk. De vrouw heeft de juridische middelen die zij had, ingezet voor dat doel en daarmee heeft zij - al dan niet bedoeld - voor vertraging gezorgd. Dat de vrouw gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden, kan haar naar het oordeel van het hof niet worden tegengeworpen. Bovendien valt de vertraging niet alleen de vrouw te verwijten. Zo is het haar niet aan te rekenen dat, nadat zij in hoger beroep was gekomen van het vonnis van 22 juli 2020 (waarin zij was veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning), het arrest van dit hof tot 13 juni 2023 op zich heeft laten wachten. Het hof wijst erop dat ook de man in incidenteel hoger beroep grieven heeft gericht tegen het vonnis van 22 juli 2020. Ook nadat de vrouw op 11 juli 2023 een volmacht had getekend bij de notaris betreffende de verkoop van de woning, heeft het nog maanden geduurd voordat de woning daadwerkelijk door de man te koop werd gezet. Het hof acht het dan ook niet redelijk om het gegeven dat de woning op 1 juni 2023 nog niet was verkocht volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen en daaraan vervolgens het gevolg te verbinden dat zij vanaf de ingangsdatum met dit fictieve vermogen voor de helft in haar behoefte geacht wordt te voorzien. Deze gevolgtrekking acht het hof eens te meer onredelijk, omdat de vrouw sinds het arrest van 13 juni 2023 geen zeggenschap heeft over het verkoopproces van de eigendom waarin zij voor de helft medegerechtigde is. Zij heeft dus geen invloed op het moment van verkoop en de verkoopprijs van de woning die zij in mede-eigendom heeft.
Mede in dat licht bezien, acht het hof het niet redelijk om al vóór het moment van verkoop van de woning rekening te houden met de opbrengst ervan. Anders dan de rechtbank houdt het hof daarmee dus geen rekening en doet dat evenmin aan de zijde van de man, bij het bepalen van zijn draagkracht.
Vaststaat wel dat indien de woning op enig moment wordt verkocht partijen dan ieder een aanzienlijk bedrag zullen ontvangen uit de verkoopopbrengst. Of en zo ja, per wanneer daarmee rekening kan worden gehouden, beoordeelt het hof aan het slot van deze beschikking.
(…)
Toekomstige gebeurtenis
5.25 Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen, is de verkoop van de woning in Nieuw-Zeeland een relevante gebeurtenis voor de omvang en de duur van de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw. De vrouw heeft erkend dat zij bij verkoop van de woning de beschikking zal krijgen over een vermogen van enige omvang. Afhankelijk van de omvang van dat vermogen kan de vrouw alsdan wellicht volledig in haar eigen levensonderhoud voorzien nu ook van haar – net als van de man – mag worden verwacht dat zij op vermogen inteert. In ieder geval staat vast dat de opbrengst van de woning van invloed zal zijn op de aanvullende behoefte van de vrouw. Aangezien onzeker is wanneer de woning zal worden verkocht en tegen welke prijs, kan het hof nu geen rekening houden met die omstandigheid.
Daar komt bij dat de man nu weliswaar geacht kan worden de partneralimentatie (goeddeels) te voldoen door in te teren op zijn vermogen, maar het is de vraag of dat mogelijk is voor de gehele resterende duur van de partnerverplichting.
Het hof heeft overwogen de zaak aan te houden tot er duidelijkheid is over de verkoop van de woning. Aangezien de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat de woningmarkt in Nieuw-Zeeland is ingestort, is niet te zeggen wanneer die duidelijkheid er zal komen. Het lijkt in ieder geval niet waarschijnlijk dat de woning binnen afzienbare termijn (voor een goede prijs) zal worden verkocht. In dat licht bezien, heeft het hof het niet wenselijk geacht die verkoop af te wachten en geeft het nu een eindbeschikking. Gezien de hiervoor geschetste toekomstige onzekere gebeurtenissen, betekent dit wel dat partijen, of één van hen, opnieuw de partneralimentatie aan de orde kunnen stellen zodra de woning is verkocht. In dat kader wijst het hof er nu reeds op dat er bij de verkoop van de woning voor de vrouw niet 'enig' vermogen beschikbaar komt maar naar verwachting een vermogen van een substantiële omvang."
3.30 Subonderdeel II.1 klaagt dat het oordeel van het hof in r.o. 5.15 dat niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij weer betaalde werkzaamheden (waaronder B&B-werkzaamheden) gaat verrichten, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd en bovendien innerlijk tegenstrijdig is. Het hof heeft namelijk niet gemotiveerd waarom het kennelijk van oordeel is dat de vrouw wél inkomsten had kunnen verwerven door B&B-werkzaamheden te verrichten als zij in de woning had kunnen blijven en in het andere geval (dus zonder de woning) in het geheel niet. Ook heeft het hof met dit oordeel essentiële stellingen gepasseerd, aldus de man. De man heeft in eerste aanleg namelijk aangegeven dat de vrouw zich zes jaar lang heeft beziggehouden met het runnen van een B&B. De vrouw erkent dit. Blijkens eigen stellingen van de vrouw wilde zij de B&B graag voortzetten. Zonder nadere toelichting is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, omdat het hof kennelijk meent dat de vrouw dus wel gewoon kan werken en daarmee de stelselmatige blokkering van de verkoop van de woning billijkt, maar vervolgens geen enkele verdiencapaciteit aanneemt, aldus de man. In zijn aanvullende procesinleiding (onder 1) wijst de man ter illustratie ook nog op de stelling van de vrouw dat zij dacht dat ze het huis in Nieuw-Zeeland kon runnen met haar eigen salaris in de B&B, waaruit volgens de man blijkt dat de vrouw zich kennelijk in staat achtte en acht om werkzaamheden te verrichten (een B&B voort te zetten).
3.31 Deze klacht faalt. Ten eerste gaat deze uit van onjuiste lezing van het oordeel van het hof. In de overwegingen van het hof dat de vrouw zich sinds 2017 bezig hield met de verhuur van de woning als B&B (r.o. 3.6) en dat het niet onbegrijpelijk is dat zij de wens had de woning te behouden om erin te kunnen blijven wonen en er bovendien inkomsten mee te verwerven door de B&B te (blijven) runnen, ligt niet besloten dat het hof meent dat de vrouw naar actuele omstandigheden "dus gewoon wel kan werken". Het hof stelt immers alleen vast dat de vrouw in het verleden B&B-werkzaamheden heeft verricht en dat zij de wens had deze werkzaamheden voort te zetten. Daarbij gaat het hof er ook van uit dat de vrouw de werkzaamheden in de B&B sinds september 2023 heeft gestaakt (r.o. 5.20). In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Ook betekent dit dat geen sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid in het oordeel van het hof of dat het hof essentiële stellingen van de man gepasseerd zou hebben.
3.32 Daarbij miskent de klacht dat de wens van de vrouw om te werken in de B&B in haar eigen woning, niet betekent dat in het kader van de beoordeling van de verdiencapaciteit in redelijkheid van haar gevergd kan worden dat zij na haar pensioengerechtigde leeftijd ergens anders betaald werk aanneemt. Het hof knoopt in r.o. 5.15 aan bij de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw en oordeelt op grond daarvan dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij weer betaald werk gaat verrichten. In het kader van dit oordeel overweegt het hof dat de vraag of de vrouw weer moet gaan werken een andere vraag is dan of de man (op zijn leeftijd) op vermogen zou moeten interen. Dit oordeel is begrijpelijk en hoefde niet nader gemotiveerd te worden. Een andersluidend oordeel zou immers tot de onaannemelijke en onwenselijke consequentie leiden dat alimentatiegerechtigden in feite gehouden zouden zijn om na hun pensioen - en AOW-gerechtigde leeftijd door te werken naar feitelijk kunnen, zodat de alimentatieplichtige niet hoeft in te teren op diens vermogen, terwijl de pensioen - en AOW-gerechtigde leeftijd nu juist een objectieve grens aangeven van de leeftijd waarna mensen in beginsel niet meer hoeven te werken.
3.33 Subonderdeel II.2, aangevuld in de aanvullende procesinleiding[27] , begrijp ik als volgt. Het oordeel van het hof in r.o. 5.19 dat de vertraging van de verkoop van de woning in Nieuw-Zeeland niet volledig in de risicosfeer ligt van de vrouw omdat aan haar niet kan worden tegengeworpen dat zij de juridische middelen heeft gebruikt die haar ter beschikking stonden, is rechtens onjuist en onbegrijpelijk. Het oordeel is in strijd is met artikel 1:156 BW, op grond waarvan geen recht op alimentatie bestaat als de echtgenoot voldoende inkomsten heeft of deze in redelijkheid kan verwerven. Aangevoerd wordt dat de vrouw weliswaar de wens kan hebben om de woning te behouden, maar dat als die wens irreëel is omdat vaststaat dat de vrouw de man niet kan uitkopen, het verzet tegen de verkoop geheel voor haar risico behoort te komen en zij, zo begrijp ik, dus geacht moet worden in redelijkheid inkomsten te hebben kunnen verwerven (art. 1:156 BW). De vrouw heeft actief verhinderd dat zij de beschikking kreeg over een aanzienlijk liquide vermogen en heeft daarmee zelf behoeftigheid c.q. behoefte aan alimentatie gecreëerd en in stand gehouden. Daarom is het rechtens onjuist en bovendien onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat dit niet volledig voor risico van de vrouw komt.
3.34 Met deze klacht miskent de man dat het hof zijn oordeel dat de vertraging niet volledig in de risicosfeer van de vrouw is te plaatsen, niet alleen heeft gegrond op de proceshouding van de vrouw en de vraag in hoeverre die gerechtvaardigd was, maar ook op een aantal andere factoren. Het hof oordeelt namelijk dat de vertraging niet alleen de vrouw te verwijten is, omdat 1) het haar niet aan te rekenen is dat de beschikking in de appelprocedure tegen de beschikking van de rechtbank waarin zij was veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning lang op zich heeft laten wachten, 2) de man in die appelprocedure zelf in incidenteel appel grieven heeft gericht tegen de beschikking van de rechtbank; 3) het na het tekenen van de volmacht door de vrouw met betrekking tot de verkoop van het huis nog maanden heeft geduurd voordat de woning daadwerkelijk door de man te koop werd gezet; en 4) de vrouw geen zeggenschap heeft over het verkoopproces en dus geen invloed heeft op het moment van verkoop en de verkoopprijs van de woning die zij in mede-eigendom heeft. De man gaat met deze klacht dus uit van een te beperkte lezing van het oordeel van het hof, waardoor de klacht feitelijke grondslag mist. Overigens merk ik op dat het hof in r.o. 5.25 ook nog benoemt dat de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat de woningmarkt in Nieuw-Zeeland is ingestort, hetgeen ook een omstandigheid is die niet aan de vrouw te wijten is.
3.35 Voor zover het onderdeel zo moet worden begrepen dat de man klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat bovengenoemde omstandigheden niet opwegen tegen de omstandigheid dat de vrouw vertraging heeft veroorzaakt door het voeren van procedures om de verkoop van de woning tegen te gaan, voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen omdat deze niet ingaat op de vier omstandigheden. Bovendien vergt dit een herwaardering van omstandigheden, waarvoor in cassatie geen ruimte is.
3.36 In subonderdeel II.3 klaagt de man dat het hof met zijn oordeel in r.o. 5.4 en 5.19 het partijdebat miskent en essentiële stellingen passeert en dat dit oordeel in strijd met artikel 149 en 150 Rv is, althans dat het onbegrijpelijk dan wel niet voldoende gemotiveerd is. In dit verband wijst de man op een aantal stellingen en omstandigheden, waaraan de man – kort gezegd – de conclusie verbindt dat het hof niet tot zijn oordeel heeft kunnen en mogen komen.
3.37 Ik geef dit veelomvattende subonderdeel II.3 als volgt weer.
3.38 De man beroept zich op een aantal stellingen en omstandigheden die samengevat op het volgende neerkomen. De vrouw kon de woning niet overnemen.[28] De rechtsverhouding tussen partijen stond vast na de eerste tussen partijen gevoerde cassatieprocedure, in die zin dat daarmee vast is komen te staan dat de huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldig waren.[29] Toch is de vrouw daarna nog procedures gestart met als doel de woning in Nieuw-Zeeland te behouden, waarbij zij in de procedure in Nieuw-Zeeland onware stellingen heeft ingenomen. De uitkomst van die procedures was uiteindelijk dat zij alsnog moest meewerken aan de verkoop van de woning.[30] De vrouw heeft de woning in deplorabele staat achtergelaten, het meubilair daaruit laten halen, waaronder de laptop waarmee de apparatuur in huis bediend kon worden, en zonder overleg nutsvoorzieningen opgezegd.[31] Deze laatste stellingen met betrekking tot de staat van de woning hebben in cassatie hypothetische feitelijke grondslag, aldus de man. In cassatie moet er dus van worden uitgegaan dat, nadat de man eindelijk na vele procedures de verkoop ter hand kon nemen, de woning door toedoen van de vrouw in een zodanige staat was dat het noodzakelijk was dat de woning eerst verkoopbaar zou worden gemaakt.
3.39 Het voorgaande leidt tot de klachten dat het oordeel van het hof dat de vertraging van de verkoop niet uitsluitend voor rekening en risico van de vrouw komt rechtens onjuist, onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd is. Aansluitend werpt de man de motiveringsklacht op dat onbegrijpelijk is dat het hof in r.o. 5.4 het oordeel van de rechtbank overneemt dat niet zou zijn gebleken dat de door de vrouw ingezette rechtsmiddelen zonder enige rechtsgrond zijn ingezet. De man voert aan dat zijn stellingen niet anders kunnen worden begrepen dan dat de vrouw tegen beter weten in kansloze procedures heeft gevoerd, waarbij de woning door de vrouw in zodanige staat is gebracht dat die niet zonder nadere werkzaamheden daaraan verkocht kon worden. Daaruit volgt dat elke vertraging van de verkoop volledig door toedoen van de vrouw is veroorzaakt, waarmee de vrouw het dus zelf in de hand heeft gewerkt dat zij nog niet eerder over haar deel van de overwaarde kon beschikken. Ook deze feiten en omstandigheden hebben in cassatie hypothetische feitelijke grondslag. Als het hof deze feiten en omstandigheden in de beoordeling zou hebben meegenomen, had het hof nooit kunnen oordelen dat het de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden om de woning te behouden, en dat het niet redelijk is om het gegeven dat de woning op 1 juni 2023 nog niet was verkocht volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen. Het hof miskent volgens de man daarbij dat een partij die een rechtsmiddel instelt verantwoordelijk is voor de vertraging die dat met zich meebrengt.
3.40 Gelet op "deze vaststaande feiten" werpt de man verder de klachten op dat het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en dat het onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat het niet redelijk is om al voor het moment van verkoop rekening te houden met de opbrengst daarvan. Het gaat hier evident om een vorm van vrijwillig inkomensverlies. Als de vrouw de verkoop niet had tegengewerkt, had zij voldoende vermogen gehad om in haar levensonderhoud te voorzien. De man voert bovendien aan dat het hof de stellingen van de vrouw aangaande de betwisting van de vrouw met betrekking tot het door de man gestelde misbruik van recht kennelijk ten grondslag heeft gelegd aan de motivering van de behoeftigheid. De vraag of de procedures misbruik van recht opleveren is echter een andere dan de vraag of de vrouw de verkoop van de woning in het kader van behoeftigheid had mogen tegenhouden. Dat miskent het hof, waardoor zijn beslissing onbegrijpelijk is, aldus de man.
3.41 De klachten van dit subonderdeel stuiten af op het volgende.
3.42 In de eerste plaats kan een redelijkheidsoordeel niet worden bestreden met de klacht dat het rechtensonjuist is dat het hof op basis van bepaalde omstandigheden niet tot zijn conclusie had kunnen komen. Dit oordeel is immers aan de feitenrechter, en kan in cassatie alleen op juistheid worden getoetst.
3.43 Verder ziet het leerstuk van de hypothetische feitelijke grondslag op feitelijke stellingen van een partij die door de feitenrechter expliciet of impliciet in het midden zijn gelaten en dus ook niet impliciet zijn verworpen. Beroept de eiser tot cassatie zich op deze grondslag, dan moet in de klacht worden aangegeven waarom van de juistheid van die grondslag mag worden uitgegaan.[32] Dat wil zeggen dat aangegeven moet worden dat de feitelijke stelling is feitelijke instanties is ingenomen en dat de feitenrechter deze in het midden heeft gelaten. Aan deze eisen voldoet het subonderdeel niet. Als sprake is van een hypothetische feitelijke grondslag, dan moet bij de beoordeling van de klacht veronderstellenderwijs worden uitgegaan van het vaststaan van het hypothetische feit. Dit leerstuk is beperkt tot hypothetische feiten. Gevolgtrekkingen uit een gestelde hypothetische feitelijke grondslag – zoals de gevolgtrekking in het onderdeel dat elke vertraging van de verkoop van de woning volledig door toedoen van de vrouw is veroorzaakt – vormen geen onderdeel van die hypothetische feitelijke grondslag, tenzij die feitelijke gevolgtrekking ook door eiser als feitelijke stelling in feitelijke instantie is ingenomen en door de feitenrechter buiten beschouwing is gelaten. Ook hierop stuit het subonderdeel af.
3.44 Ook vindt de opvatting van de man dat een partij die een rechtsmiddel instelt verantwoordelijk is voor de vertraging die dat met zich meebrengt, geen steun in het recht, ook niet voor de situatie dat het rechtsmiddel zonder succes is ingesteld. In het kader van de bepaling van een alimentatiebedrag kan de proceshouding van de alimentatiegerechtigde wel worden meegewogen. Welk gewicht aan een bepaalde proceshouding moet worden toegekend in het kader van de vaststelling of wijziging van alimentatie, is inderdaad een andere vraag dan de vraag of sprake is van misbruik van procesrecht. Of de proceshouding van de vrouw misbruik van procesrecht oplevert, is in dit geval echter wel relevant bij de duiding van de proceshouding en ook voor de redelijkheid van het verbinden van gevolgen van die proceshouding in het kader van het bepalen van de hoogte van alimentatie.
3.45 Verder betrekt de man in zijn klachten niet de door het hof ook aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden dat het hof relatief lang heeft laten wachten op zijn arrest van 13 juni 2023,[33] dat de man zelf ook grieven heeft gericht tegen het vonnis van de rechtbank van 22 juli 2020, en dat de vrouw geen zeggenschap heeft over het verkoopproces en dus geen invloed heeft op het moment van verkoop en de verkoopprijs van de woning. De klacht voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen, omdat niet is onderbouwd waarom het oordeel van het hof in weerwil van deze omstandigheden onbegrijpelijk is.
3.46 Uit stellingen waarnaar de man verwijst in verband met de staat van de woning waarin de vrouw deze heeft achtergelaten, volgt niet dat sprake was van een deplorabele staat die veroorzaakt was door toedoen van de vrouw. De man stelde namelijk (slechts) dat de makelaar de man heeft verzocht om opknap - en herstelwerkzaamheden, omdat dat in zijn ogen nodig was voor een woning in de luxeklasse, dat die werkzaamheden enige tijd hebben geduurd, dat de woning opgeruimd moest worden, en dat hij de woning heeft laten stylen door een interieurstylist omdat de vrouw meubilair uit de woning had laten halen. In dit verband stelt de man voorts dat het presentabel en verkoopklaar maken van de woning sowieso nogal een klus was vanwege het ontbreken van de laptop met het besturingssysteem en de afsluiting van de nutsvoorzieningen door de vrouw. Uit deze stellingen kan naar mijn oordeel niet meer worden opgemaakt dan dat de vrouw het huis niet verkoopklaar heeft achtergelaten. In ieder geval bevatten de passages waarnaar wordt verwezen niet de stelling dat sprake was van een deplorabele staat en in zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
3.47 Ten aanzien van de hiervoor onder 3.39 genoemde motiveringsklacht dat onbegrijpelijk is dat het hof het oordeel van de rechtbank overneemt dat niet zou zijn gebleken dat de vrouw zonder enige rechtsgrond de voor haar beschikbare middelen heeft ingezet om de verkoop van de woning in Nieuw-Zeeland tegen te gaan, geldt het volgende. Dit oordeel moet worden beschouwd in het licht van de overwegingen van het hof in r.o. 5.4 en van de overwegingen van de rechtbank, die het hof in genoemde rechtsoverweging tot de zijne maakt. Die overwegingen van de rechtbank luiden als volgt:[34]
"5.6 De rechtbank stelt vast dat er tussen partijen veel procedures zijn gevoerd. Dit levert evenwel niet zonder meer misbruik van procesrecht op. Er is sprake van misbruik van procesbevoegdheid, wanneer men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Dat wordt niet snel aangenomen. Het procesrecht voorziet in de bevoegdheid geschillen ter beslechting aan de rechter voor te leggen in het kader van een procedure. Gelet op het wezenlijke recht op toegang tot de rechter, dat besloten ligt in het in artikel 6 Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) verankerde recht op een eerlijk proces, past dan ook terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure.Van misbruik van procesrecht of onrechtmatigheid door een procedure te voeren is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan pas sprake zijn als een eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen enkele kans van slagen hadden. Dat is hier niet aan de orde. Niet is gebleken dat de door de vrouw ingezette rechtsmiddelen door haar zonder enige redelijke grond zijn ingezet.
Dat desalniettemin het procesgedrag van de vrouw ertoe leidt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud van de man verlangt, is evenmin gebleken.De rechtbank ziet dan ook geen misbruik van recht, onrechtmatige daad en/of grievend gedrag en wijst het verzoek van de man op dit punt af."
3.48 Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering. In dit verband wijs ik ten eerste op de vereiste terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure, in verband met het grondrecht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM).[35] Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het starten van een procedure gaat het, kort gezegd, om evidente kansloosheid. Een geringe kans op succes is niet gelijk aan evidente kansloosheid. Ook wijs ik erop dat niet alle procedures die tussen partijen zijn gevoerd, zien op het tegenhouden van de verkoop van het huis.
3.49 Daarbij komt dat het in dit geval gaat om een woning waarin de vrouw wilde wonen en werken, wat op zichzelf geen marginaal belang van de vrouw is. Opgemerkt zij bovendien dat de vrouw blijkens het arrest van het hof van 13 juni 2023 meende dat zij de financiële mogelijkheid had om de woning aan haar te laten toedelen.[36] In cassatie kan dus niet worden vastgesteld of de wens van de vrouw om de woning te behouden evident kansloos was.
3.50 Specifiek ten aanzien van de procedure in Nieuw-Zeeland merk ik op dat deze feitelijk niet voor substantiële extra vertraging (ten opzichte van de Nederlandse procedure) van de verkoop heeft geleid, omdat deze vrijwel parallel liep aan de appelprocedure in Nederland en de vrouw haar hoger beroep tegen de uitspraak van de Nieuw-Zeelandse rechter heeft ingetrokken. Blijkens het arrest van het hof van 13 juni 2023 heeft de man zich ook in die appelprocedure op het standpunt gesteld dat de vrouw misbruik van procesrecht zou hebben gemaakt door het starten en voortzetten van de procedure in Nieuw-Zeeland en dat hij meent dat de vrouw de door hem in dit verband gemaakte kosten moet vergoeden.[37] Het hof heeft geoordeeld dat het aan de Nieuw-Zeelandse rechter is om een en ander te beoordelen. Ik wijs erop dat de man de uitspraak van de Nieuw-Zeelandse rechter met daarin de proceskostenveroordeling (en de onderbouwing daarvan) niet in zijn procesdossier heeft opgenomen en daarvan ook geen melding maakt in zijn procesinleiding (dan wel gedingstukken in het procesdossier).
3.51 Gelet op het voorgaande kunnen ook de klachten van dit subonderdeel (zie hiervoor onder 3.39 en 3.40) gericht tegen het oordeel van het hof dat de vertraging van de verkoop van de woning in Nieuw-Zeeland niet uitsluitend voor rekening en risico van de vrouw wordt gelaten en tegen het oordeel dat het niet redelijk is om al voor het moment van verkoop van die woning rekening te houden met de opbrengst ervan, niet slagen.
3.52 Ook subonderdeel II-4 is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.19 dat het de vrouw niet kan worden tegengeworpen dat zij gebruik maakte van de middelen die haar ter beschikking stonden om de woning te behouden en dat het niet redelijk is om het gegeven dat de woning op 1 juni 2023 niet was verkocht volledig in de risicosfeer van de vrouw te plaatsen en daaraan het gevolg te verbinden dat zij vanaf de ingangsdatum met dit fictieve vermogen voor de helft in haar behoefte geacht wordt te voorzien. De klachten in dit subonderdeel luiden dat dit oordeel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, omdat ook gewezen echtelieden zich jegens elkaar dienen te gedragen in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid, althans, is het oordeel onbegrijpelijk, gelet op de stellingen hierover, die het hof ten onrechte gepasseerd heeft. De man verwijst hierbij naar zijn stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als je een vonnis van een Nederlandse rechter negeert en naar de rechter in Nieuw-Zeeland stapt, in strijd met de waarheid stellend dat je daar woont. De man verwijst ten aanzien van deze stelling naar twee gedingstukken van de procedure in eerste aanleg: zijn pleitaantekeningen en zijn inleidend verzoekschrift. Daarbij komt, volgens de man, dat de vrouw heeft erkend dat zij de betaalde alimentatie (hoofdzakelijk) heeft gebruikt om advocaat - en proceskosten te betalen.[38] Door de verkoop van de woning al die jaren tegen te houden krijgt de vrouw in wezen dubbelop: de nog onverdeelde helft van de woning in Nieuw-Zeeland waarmee zij in haar behoefte had kunnen voorzien[39] en alimentatie van opgeteld ruim € 1,5 miljoen.[40] Ook heeft de man al in eerste aanleg gewezen op deze "filmsterrenalimentatie" van ruim € 300.000 per jaar.[41]
3.53 Voor de klacht in dit subonderdeel dat het hier bestreden oordeel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid geldt dat deze faalt, omdat deze een waardering van feiten en omstandigheden vergt, waarvoor in cassatie geen ruimte is.
3.54 Voor zover de man in de motiveringsklacht in dit subonderdeel beoogt te klagen dat het hof met zijn oordeel essentiële stellingen van de man gepasseerd heeft, merk ik het volgende op.
3.55 Met betrekking tot de door de man ten eerste genoemde stelling over het aanspannen van de procedure in Nieuw-Zeeland door de vrouw, geldt dat de verwijzing van de man naar zijn pleitaantekeningen in eerste aanleg in dit verband niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Een specifiek rand - of paginanummer ontbreekt, terwijl de pleitaantekeningen tien pagina's lang zijn. Daarmee vormt de klacht op dit punt te zeer een zoekplaatje.
3.56 Verder is uit het inleidende verzoekschrift ook niet deze door de man genoemde (essentiële) stelling op te maken. Het klopt dat de man op de plek waarnaar hij verwijst, gesteld heeft dat de vrouw in strijd met de waarheid heeft gezegd dat ze in Nieuw-Zeeland woont (domiciled is). In het specifieke randnummer waarnaar de man verwijst staat echter niet dat dit naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bovendien is het randnummer onderdeel van de paragraaf "Inleiding" van het verzoekschrift, en is een en ander door de man dus niet gekoppeld aan de behoeftigheid van de vrouw. De klacht mist op dit punt dus ook feitelijke grondslag.
3.57 De erkenning van de vrouw dat zij een groot deel van de betaalde alimentatie heeft uitgegeven aan advocaat - en proceskosten, is geen stelling van de man.
3.58 Ten aanzien van de stelling van de man dat de vrouw in wezen dubbelop krijgt door de verkoop van de woning in Nieuw-Zeeland al jaren tegen te houden, stuit de motiveringsklacht af op de hierna te volgen bespreking van de tweede klacht van onderdeel III (onder 3.65 e.v.).
3.59 Voor zover de man met dit onderdeel beoogt te klagen dat het hof, gelet op deze stellingen en omstandigheden, anders had moeten oordelen, faalt deze klacht. Ook die klacht vergt immers een waardering van feiten en omstandigheden.
Onderdeel III: vermogenspositie van de vrouw
3.60 Het derde onderdeel is gericht tegen r.o. 5.20, die ik hier citeer:
"Inkomsten uit B&B
5.20 De man heeft nog aangevoerd dat de vrouw zich heeft verrijkt met NZ$ 130.000, - uit de B&B door persoonlijke lasten zoals reiskosten en juridische kosten uit de B&B te betalen. Voor zover de man bedoeld heeft te stellen dat met inkomsten uit de B&B rekening moet worden gehouden, stuit dat af op de ingangsdatum van de alimentatie (1 juni 2023). Deze ligt dermate dicht bij het moment waarop de vrouw de werkzaamheden in de B&B heeft gestaakt (september 2023) dat het hof alleen al om die reden daarmee geen rekening zal houden, nog daargelaten dat de vrouw de stelling van de man gemotiveerd heeft weersproken."
3.61 Het onderdeel is ook gericht tegen r.o. 5.14 tot en met 5.21, waarin het hof de behoeftigheid van de vrouw beoordeelt, en de bestreden beschikking als geheel.
3.62 De klachten in dit onderdeel begrijp ik als volgt.[42]
3.63 De eerste klacht is dat het hof met zijn oordeel in r.o. 5.20 miskent dat, omdat de vrouw verrijkt is met een bedrag van NZ$ 130.000, - uit de B&B door persoonlijke lasten zoals reiskosten en juridische kosten daarvan te betalen, zij dat bedrag dus aan alimentatie moet hebben overgespaard.
3.64 Deze klacht faalt. Het hof oordeelt immers dat de vrouw de betreffende stelling van de man gemotiveerd heeft weersproken. Daardoor is dus niet komen vast te staan dat de vrouw zich heeft verrijkt, waardoor het hof niet toekwam aan de vraag of de vrouw dit bedrag heeft overgespaard aan alimentatie. De klacht mist daarmee feitelijke grondslag. Los daarvan vraagt de klacht om een feitelijk oordeel – namelijk of de vrouw alimentatie heeft overgespaard of niet – waarvoor in cassatie geen ruimte is. Ten overvloede merk ik bovendien op dat oversparen van alimentatie niet per definitie volgt uit een verrijking van de alimentatiegerechtigde.
3.65 De tweede klacht houdt in dat de bestreden beschikking rechtens onjuist en onbegrijpelijk is omdat in r.o. 5.14 tot en met 5.21 en ook elders niet kenbaar is ingegaan op de stelling van de man dat de vrouw op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in haar behoeftigheid en evenmin in haar huidige vermogenspositie, terwijl de man inmiddels € 1,5 miljoen aan alimentatie heeft betaald en daar nog een substantieel deel van over moet zijn.[43] In dit verband is het ook onbegrijpelijk dat de vrouw volgens het hof kon volstaan met een blote ontkenning van, zo begrijp ik, oversparing[44] en geen inzage hoefde te geven in haar inkomsten en uitgavenpatroon sinds de aanvang van de alimentatie en dus in de vermogensopbouw. De man voert aan dat wie de gelegenheid heeft om vermogen op te bouwen, daarop ook kan en mag interen, net zoals het hof ten aanzien van de man aanneemt met betrekking tot zijn vermogen. Voor zover het hof van oordeel is dat de vrouw niet op haar inkomen[45] zoals dat aan de orde is (maar zij niet laat zien) hoeft in te teren, maar de man wel, hoewel hij wel inzage in zijn vermogen geeft (hetgeen het hof ten onrechte als onvoldoende aanmerkt), is dit oordeel rechtens onjuist dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus de man.
3.66 Deze klacht stuit af op het volgende.
3.67 Ten eerste stelt de man dat van de reeds betaalde alimentatie van € 1,5 miljoen nog een "substantieel bedrag over moet zijn", waardoor de vrouw dus vermogen heeft kunnen opbouwen. Het hof heeft deze stelling in de overweging betrokken in r.o. 5.13, waarin het hof overweegt dat de vrouw gemotiveerd heeft bestreden dat zij geld heeft kunnen overhouden.[46] De stelling is daarmee niet onbesproken gelaten. Ook oordeelt het hof niet dat de vrouw niet hoeft in te teren op haar (overgespaarde) vermogen, want het stelt nu juist vast dat de vrouw gemotiveerd heeft weersproken dat zij geld heeft kunnen overhouden. Hierdoor mist de klacht feitelijke grondslag. De klacht mist bovendien feitelijke grondslag op het punt van de "blote ontkenning" van oversparing door de vrouw. Onder een blote ontkenning wordt immers in algemene zin verstaan: een ontkenning zonder enige onderbouwing. De vrouw heeft de stelling van de man betwist aan de hand van de stelling dat zij geen geld heeft overgehouden van de betaalde alimentatie en ook niet uit de exploitatie van de B&B. Die stelling heeft zij gemotiveerd en onderbouwd met diverse kostenposten, waarbij zij verwijst naar diverse producties.[47] Van een blote ontkenning is daarmee geen sprake.
3.68 Bovendien lijkt de man met zijn stelling en klacht te miskennen dat het enkele feit dat een relatief hoog alimentatiebedrag is vastgesteld en ook al is uitbetaald door de man, niet zonder meer maakt dat de vrouw vermogen kan opbouwen. De partneralimentatie is immers mede gebaseerd op de welstand van partijen tijdens huwelijk en een daarbij behorend uitgavenpatroon tijdens het huwelijk. Op de vrouw rustte in verband met de vaststelling van haar behoefte/behoeftigheid geen plicht om in de wijzigingsprocedure inzicht te geven in haar huidige uitgavenpatroon. Het is voor een alimentatiegerechtigde immers niet verplicht om de alimentatie gedurende de gehele looptijd van de alimentatie uit te geven conform de uitgangspunten/bedragen die aan de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte ten grondslag lagen. Voor zover de man bepleit dat de vrouw vanwege het relatief hoge alimentatiebedrag feitelijk kan sparen en dat daarom ook moet doen, zodat zij vervolgens met het daardoor opgebouwde vermogen voor een deel in haar behoefte kan voorzien, miskent de man de strekking van de partneralimentatie.
3.69 Het hof houdt, conform zijn plicht om de alimentatie naar de actuele omstandigheden te beoordelen, bovendien rekening met de actuele vermogenspositie van de vrouw. Het hof toetst namelijk in hoeverre de door haar ontvangen erfenis en het vermogen uit de woning in Nieuw-Zeeland van invloed zijn op de behoeftigheid (r.o. 5.16 t/m 5.19). Daarbij onderkent het hof dat de vrouw niet met stukken heeft onderbouwd dat zij (een deel van) de erfenis besteed heeft aan door haar gestelde kosten, op grond waarvan het hof tot uitgangspunt neemt dat de vrouw rendement kan behalen uit het door de erfenis verkregen vermogen. Het hof houdt rekening met een netto rendement van € 2.596, - per jaar (r.o. 5.17), wat vervolgens verdisconteerd is in de hoogte van het door de man verschuldigde alimentatiebedrag (r.o. 5.21).
Onderdeel IV: eerste voortbouwklacht
3.70 Het vierde onderdeel bevat de voortbouwklacht dat het slagen van een of meerdere klachten van de onderdelen I tot en met III betekent dat ook r.o. 5.14 en 5.21 tot en met 7 (dictum) niet in stand kunnen blijven. Omdat onderdelen I-III worden verworpen, slaagt ook deze klacht niet.
3.71 Onderdeel V: draagkracht
3.72 Het vijfde onderdeel is gericht tegen r.o. 5.23 en 5.24 van de bestreden beschikking. Ik citeer deze, inclusief de daaraan voorafgaande r.o. 5.22:
"Draagkracht van de man
5.22 Beide partijen hebben grieven gericht tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man. De vrouw betoogt dat de man in haar volledige behoefte kan voorzien. De man stelt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om een uitkering hoger dan maximaal € 4.500, - bruto per maand aan de vrouw te betalen. Hij acht het niet redelijk dat de rechtbank heeft overwogen dat van de man kan worden verwacht dat hij inteert op zijn vermogen, vooral niet als in aanmerking wordt genomen dat hij destijds onverplicht de woning in Nieuw-Zeeland mede op naam van de vrouw heeft laten zetten (hetgeen de vrouw niets heeft gekost maar waarvan zij wel profiteert). Bovendien is het voor de man niet mogelijk om de uitkering uit zijn vermogen te voldoen; als hij de door de rechtbank bepaalde uitkering moet blijven betalen, is zijn vermogen na een kleine twee jaar opgesoupeerd. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst de man naar het rapport van [registeraccountant] van 25 mei 2023.
5.23 Het hof overweegt als volgt. De man heeft een wettelijke onderhoudsverplichting jegens de vrouw. Als uitgangspunt geldt dat het aan de man is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij onvoldoende draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw te kunnen voorzien aangezien hij zich op het daaruit voortvloeiende rechtsgevolg beroept, te weten nihilstelling cq verlaging van de alimentatie.
In hoger beroep heeft de man ter toelichting op het gestelde gebrek aan draagkracht vooral verwezen naar eerder in het geding gebrachte stukken, met name naar het genoemde rapport van de accountant van 25 mei 2023, maar ook naar de bij zijn inleidend verzoek gevoegde draagkrachtberekening en de ter zitting van de rechtbank voorgedragen pleitnota. Het hof stelt vast dat zich verder in het dossier bevinden: de jaarstukken van Bailiff B.V. (de onderneming van de man) van 2023, de aangifte IB 2023 en de aanslagen IB van 2019 tot en met 2022, overgelegd als bijlagen bij het rapport van 25 mei 2023.
Met het voorgaande heeft de man, naar het oordeel van het hof, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat het hem aan draagkracht ontbreekt om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. Deze stukken zijn namelijk vooral gebaseerd op de situatie tot en met 2022, met een prognose voor 2023 terwijl inmiddels bekend is dat laatstgenoemd jaar in financieel en fiscaal opzicht een afwijkend jaar was, omdat de man in het kader van de Wet excessief lenen zijn financiën aanzienlijk heeft moeten herstructureren, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht. Hij heeft in 2023 eenmalig een regulier voordeel genoten - althans in zijn aangifte IB opgevoerd - van € 3.347.006,-.
Het had op de weg van de man gelegen om een deugdelijk inzicht te geven in zijn actuele inkomens - en vermogenspositie. Ook had hij een actuele draagkrachtberekening moeten indienen, rekening houdend met de recent verkregen liquiditeiten. In de door de man op 19 augustus 2024 ingediende vermogensopstelling gaat de man uit van een aanvangsvermogen van € 4.195.867, - per 1 januari 2024, maar zonder een toereikende toelichting, die ontbreekt is niet duidelijk hoe hij aan dat bedrag komt (de enkele verwijzing naar pagina '5 van 8 en 2 van 3' levert de verlangde helderheid niet op).
Uit de aangifte IB 2023 van de man blijken de volgende bezittingen per einde 2023:
Bank - en spaartegoeden (Nederland) : € 175.450, - Bank - en spaartegoeden (buitenland) : € 5.943, - Aandelen en obligaties : € 1.218.942, - Vorderingen : € 47.837, - Onroerende zaken in Nederland : € 2.617.000 (Loosdrecht)
Onroerende zaken in het buitenland : € 1.170.000, - (aandeel man Nieuw-Zeeland)
Totaal : € 5.235.172, - Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat de woning in Loosdrecht is verkocht voor € 2.250.000, - en dat deze woning is geleverd op 14 juni 2024. Het moet ervoor worden gehouden dat de beschikbaar gekomen overwaarde liquide is (geweest).
De totale waarde van de (box 3) bezittingen is in 2023 verminderd van € 7.965.377, - tot
€ 5.235.172,-. Het hof begrijpt: voornamelijk als gevolg van de overheveling van een deel van de effectenportefeuille naar de eigen BV, de verkoop van de woning in België en de verkoop van (de economische eigendom van) het appartement in Frankrijk aan de BV.
De schuldenlast in box 3 is in 2023 teruggebracht van € 5.645.588 naar € 628.234,-. Het hof begrijpt dat dit voornamelijk het gevolg is van de aflossing van de lening van de man bij zijn BV (€ 3.959.458,-) – onder andere met genoemde dividenduitkering - en de overheveling van de schuld bij InsingerGilissen Bankiers (€ 1.125.000,-) naar – kennelijk - de BV.
Van genoemde schuld van € 628.234, - per einde 2023 maakte deel uit de hypothecaire schuld voor de woning in Loosdrecht (€ 412.500,-). Die is afgelost.
Wat betreft de vennootschap van de man: de rechtbank heeft terecht gewezen op de winstreserve per einde 2023. Blijkens de aangifte VpB bedroeg het fiscaal ondernemingsvermogen eind 2023 nog € 6.357.910, - waarvan € 6.203.625, - winstreserves. De grootste activa zijn: het appartement in Frankrijk (€ 555.000,-), de deelneming (€ 619.286,-), de vordering op de man (€ 1.915.542,-) – het hof begrijpt: wegens lening voor verbouwingskosten van de woning aan het [plein] – de lening aan de kinderen (€ 1.125.000,-), kortlopende vorderingen op participanten (€ 213.852,-) – het hof begrijpt: de rekening-courantschuld van de man - en effecten (€ 3.187.033,-). Het totaal van de activa bedraagt per einde 2023 € 7.770.142,-.
Aan de passivakant zijn de belangrijkste posten: de pensioenvoorziening (€ 278.644,-) en de schuld aan een kredietinstelling (€ 1.125.000,-). Uit de fiscale winstberekening (PvB) valt op te maken dat Bailiff BV als zelfstandige eenheid (dus de pensioen-BV weggedacht) geen bijzondere uitgaven heeft, terwijl zij wel over rente-inkomsten en inkomsten uit beleggingen beschikt.
De man heeft bij herhaling verwezen naar het accountantsrapport van 25 mei 2023. Dit rapport is echter niet actueel aangezien het is gebaseerd op de jaren 2019 tot en met 2022. Het hof stelt voorts vast dat het rapport niet volledig is, met name niet omdat de accountant geen rekening ermee lijkt te houden dat de man de alimentatie als persoonsgebonden aftrek ook in aftrek kan nemen in achtereenvolgens box 3 en box 2. Draagkrachtberekeningen van de man waaruit blijkt dat hij met deze aftrek rekening houdt ontbreken.
5.24 Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, moet het ervoor worden gehouden dat de man naast zijn AOW-uitkering, pensioenuitkeringen, dividenduitkering en beleggingsinkomsten kan beschikken over een zodanig (liquide) vermogen dat hij op dit moment de partneralimentatie kan dragen, althans de man heeft niet deugdelijk onderbouwd dat dit anders is.
Anders dan de man meent, kan in de gegeven omstandigheden van hem worden verlangd dat hij op zijn vermogen (behoudens op het hem toekomende verkoopaandeel in de woning in Nieuw-Zeeland, zoals hiervoor in 5.20 overwogen) inteert, al dan niet in de vorm van dividenduitkeringen, teneinde aan zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw te voldoen. Dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld om hun vermogens gescheiden te houden, maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak heeft het interen op vermogen betrekking op de onderhoudsverplichting en die staat los van de huwelijkse voorwaarden. Ook laat het hof in dit verband meewegen dat partijen tijdens hun huwelijk ook (goeddeels) al leefden van het vermogen van de man."
3.73 De man klaagt in subonderdeel V.1 dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op zijn in appel onbetwiste stelling dat zijn pensioen € 70.000 per jaar beloopt[48] , en zijn met een accountantsrapport van mei 2023 ondersteunde stelling dat het niet mogelijk is om onverminderd te blijven interen op zijn vermogen omdat het langer voortduren van de alimentatie ervoor zorgt dat de man dan binnen 1,9 jaar op zijn vermogen inteert en er uiteindelijk niets meer resteert.[49] Volgens de man is het onverantwoord om hem op zijn vermogen te laten interen voor het betalen van alimentatie. Het hof oordeelt weliswaar dat het mogelijkis om nog verder in te teren, maar laat daarbij onbesproken, althans motiveert zijn uitspraak onvoldoende naar aanleiding van de stelling van de man dat dit onverantwoord is. De man heeft immers toegelicht[50] dat wanneer hij moet interen op dat vermogen, hij dat moet doen door middel van het te gelde maken van vermogensbestanddelen die nu juist bedoeld zijn om in stand te blijven en rendement te maken. Het te gelde maken levert weliswaar liquiditeit op, maar verhindert ook toekomstig rendement. Bovendien zal daarvoor nodig zijn dat dividend wordt opgenomen, waardoor het een en ander een veelvoud kost, aldus de man.[51]
3.74 De klacht faalt.
3.75 Met betrekking tot de stelling van de man dat zijn pensioen € 70.000 per jaar beloopt, voldoet de klacht niet aan de daaraan te stellen eisen. De man licht immers niet toe welk specifieke gedeelte van r.o. 5.23 en/of 5.24 onbegrijpelijk is vanwege deze stelling, en zet ook niet uiteen waaruit die onbegrijpelijkheid volgens hem bestaat.
3.76 Ten aanzien van de stelling van de man dat het onverantwoord zou zijn hem te laten interen op zijn vermogen, stel ik voorop wat het hof in dat kader heeft overwogen. In r.o. 5.22 benoemt het hof expliciet de stelling van de man dat het voor hem niet mogelijk is om de uitkering uit zijn vermogen te voldoen en dat als hij de door de rechtbank bepaalde uitkering moet blijven betalen, zijn vermogen na een kleine twee jaar opgesoupeerd is. Ook benoemt het hof dat de man in dit verband verwijst naar het accountantsrapport van mei 2023. Het hof heeft in r.o. 5.24 vervolgens geoordeeld dat de man, naast zijn AOW-uitkering, pensioenuitkeringen, dividenduitkering en beleggingsinkomsten kan beschikken over een zodanig (liquide) vermogen dat hij op dit moment de partneralimentatie kan dragen, althans dat de man niet deugdelijk heeft onderbouwd dat dit anders is. Ook overweegt het hof expliciet dat in de gegeven omstandigheden van de man kan worden verlangd dat hij inteert op zijn vermogen (behalve op het hem toekomende verkoopaandeel in de woning in Nieuw-Zeeland). Ook overweegt het hof dat het feit dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld om hun vermogens gescheiden te houden, dit niet anders maakt. Het hof acht ook van belang dat partijen tijdens hun huwelijk ook (goeddeels) al leefden van het vermogen van de man. In r.o. 5.25 oordeelt het hof vervolgens dat bij de bepaling van de hoogte van alimentatie nog geen rekening kan worden gehouden met de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland, omdat nog onzeker is wanneer de woning zal worden verkocht en tegen welke prijs. Vervolgens overweegt het hof dat daarbij komt dat de man nu weliswaar geacht kan worden de partneralimentatie (goeddeels) te voldoen door in te teren op zijn vermogen, maar dat het de vraag is of dat mogelijk is voor de gehele resterende duur van de partnerverplichting. Ook blijkt dat het hof heeft overwogen de zaak aan te houden tot het huis verkocht wordt. Het hof heeft daarvan afgezien omdat de man ter zitting heeft aangegeven dat de woningmarkt in Nieuw-Zeeland is ingestort en het volgens het hof niet waarschijnlijk is dat de woning binnen afzienbare tijd (voor een goede prijs) verkocht zal zijn. Tot slot overweegt het hof dat gezien de daarvoor geschetste onzekere gebeurtenissen, dit wel betekent dat (een van de) partijen de alimentatie opnieuw aan de orde kunnen stellen zodra de woning is verkocht, en wijst het hof erop dat bij verkoop van de woning niet "enig" vermogen voor de vrouw beschikbaar zal komen maar naar verwachting een vermogen van een substantiële omvang.
3.77 In dit alles ligt besloten dat het, naar de actuele vastgestelde omstandigheden, volgens het hof van de man kan worden verlangd dat hij moet interen op zijn vermogen. In het oordeel ligt echter ook besloten dat het hof kennelijk verwacht dat de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland voor een (substantiële) wijziging van de behoeftigheid van de vrouw en daarmee de hoogte van de verschuldigde partneralimentatie zal zorgen, waardoor de man wellicht niet de gehele resterende alimentatieduur gehouden is in te teren op zijn vermogen in de mate waarin hij dat nu moet. Hierin ligt besloten dat het hof ook onderkent dat, hoewel het hof meent dat de man de alimentatie op dit moment kan dragen, althans dat de man niet voldoende onderbouwd heeft dat hij dat niet kan, op enig moment mogelijk wel een situatie zou kunnen ontstaan waarin de man niet langer voldoende draagkrachtig geacht moet worden. Tegelijkertijd zal ook de verkoopopbrengst van de woning in Nieuw-Zeeland de man (liquide) vermogen opleveren. Met deze toekomstige onzekere omstandigheden kan het hof echter nu nog geen rekening houden, zo begrijp ik het oordeel van het hof.
3.78 Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering van zijn oordeel en het oordeel is ook niet anderszins onbegrijpelijk. Dat de man zou moeten interen op niet-liquide vermogen maakt immers op zichzelf niet dat het betalen van alimentatie niet van een alimentatiegerechtigde kan worden verlangd. Die opvatting vindt geen steun in het recht (en zou bovendien een perverse prikkel opleveren voor alimentatieplichtigen om zoveel mogelijk vermogen in niet-liquide vorm "vast te zetten" om de draagkracht te beïnvloeden. Dat het hof de onderbouwing van de stelling van de man door middel van het inbrengen van het accountantsrapport van mei 2023 onvoldoende acht, blijkt uit het slot van r.o. 5.23. Daarin overweegt het hof immers dat dit rapport niet actueel is omdat het gebaseerd is op de jaren 2019 tot en met 2022, en dat het rapport ook niet volledig is.
3.79 Subonderdeel V.2 klaagt dat het oordeel van het hof, erop neerkomend dat de man ten aanzien van zijn inkomenspositie niet aan zijn stelplicht zou hebben voldaan, rechtens onjuist is. Het oordeel is volgens de man in strijd met artikel 149 Rv omdat het hof een te strenge maatstaf ten aanzien van de stelplicht heeft aangelegd. Deze als rechtsklacht ingestoken klacht kan niet tot cassatie leiden. Beantwoording van de vraag of een partij heeft voldaan aan diens stelplicht is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie dus slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. De klacht dat het hof een te strenge maatstaf ten aanzien van de stelplicht van de man zou hebben aangelegd, komt in feite neer op een herbeoordeling van die vraag.
3.80 Volgens het vervolg van de klacht is genoemd oordeel onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd. In dit verband wijst de man op een aantal omstandigheden en door hem overgelegde stukken, waaronder stukken die zien op (prognoses voor) de financiële situatie in 2023 en 2024. De klacht komt neer op het volgende. Volgens de man blijkt uit die omstandigheden en stukken dat "dus" geen sprake is van verouderde en/of onvoldoende stukken. Ook uit de stellingen en stukken die de man naar voren heeft gebracht in het kader van de derde grief in het incidenteel appel, volgt volgens de man genoegzaam dat de man eenvoudigweg geen middelen heeft voor alimentatie en dus dat hij zijn stelling dat zijn draagkracht het niet toelaat wel degelijk voldoende heeft onderbouwd. Ook is het volgens de man rechtens onjuist en onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat, gelet op de betwisting door de vrouw, de man te weinig zou hebben gesteld. Volgens de man heeft de vrouw geen adequaat weerwoord gegeven op de stelling dat de man het betalen van de (door de rechtbank vastgestelde) alimentatie niet kan volhouden. Ook is het hof kennelijk uitgegaan van onjuiste aannames. In dit verband wijst de man op de overweging van het hof in r.o. 5.23 dat de man uitgaat van een aanvangsvermogen van € 4.195.867, - en dat niet blijkt waarop dat gebaseerd is. Volgens de man volgt dit wel duidelijk uit de door de man gegeven verwijzing, kort gezegd omdat duidelijk wordt verwezen naar een tweetal pagina's uit de aangifte IB 2023, die bij de vermogensopstelling als bijlage is gevoegd. Dat het hof oordeelt dat geen actuele draagkrachtberekening door de man is overgelegd, is ook onbegrijpelijk. Dat er in het geheel geen draagkracht meer is omdat het gehele vermogen in korte tijd wordt verbruikt, maakt dat een alimentatieberekening naar de aard niet van toegevoegde waarde is, aldus de man.
3.81 De klacht faalt. De klacht komt erop neer dat het hof op basis van de door de man genoemde feiten en omstandigheden anders had moeten oordelen. Daarmee beoogt de man een herwaardering van feiten en omstandigheden, waarvoor in cassatie geen ruimte is. Het oordeel van het hof dat de herkomst van het door de man gestelde aanvangsvermogen van € 4.195.867, - onduidelijk is, is bovendien niet onbegrijpelijk. Het klopt dat in de vermogensopstelling duidelijk wordt verwezen naar paginanummers van de aangifte IB 2023 en dat het hof de verwijzing naar de aangifte IB 2023 niet heeft genoemd in r.o. 5.23, maar enkel de paginanummers. Op de betreffende pagina's van de aangifte IB 2023 is het door de man gestelde bedrag van € 4.195.867, - echter niet terug te vinden. Indien dit bedrag berekend is aan de hand van een of meerdere posten op de betreffende pagina's van de IB-aangifte, had het op de weg van de man gelegen deze berekening te specificeren. Nu deze berekening ontbreekt, is het oordeel van het hof dat het door de man gestelde aanvangsvermogen niet toereikend gemotiveerd is niet onbegrijpelijk. Het oordeel dat de man te weinig zou hebben gesteld is ook overigens niet onbegrijpelijk. Ik wijs er in dit verband op dat het hof in aanmerking neemt dat de man stukken met betrekking tot 2024 heeft overgelegd (zo volgt uit r.o. 5.23, waarin het hof wijst op de door de man op 19 augustus 2024 ingediende vermogensopstelling), en ook dat de man prognoses over 2023 en 2024 heeft overgelegd. Het hof heeft deze stukken dus niet onbesproken gelaten, maar geoordeeld dat deze onvoldoende onderbouwing vormen. Dit is niet onbegrijpelijk en had ook niet nader gemotiveerd hoeven te worden. In dit verband merk ik op dat prognoses zien op verwachtingen en, hoe zorgvuldig ook, niet op de feitelijke actuele omstandigheden. Tot slot merk ik op dat de overweging van het hof dat geen draagkrachtberekening door de man is overgelegd, een feitelijke vaststelling van het hof is. De daartegen gerichte motiveringsklacht mist doel. Voor zover de man met zijn klacht beoogt te bepleiten dat het hof niet had mogen oordelen dat de man zijn stelling dat hij geen draagkracht heeft onvoldoende heeft onderbouwd door geen draagkrachtberekening over te leggen, omdat een draagkrachtberekening niet van toegevoegde waarde zou zijn, miskent de klacht dat het hof juist vaststelt dat de man te weinig inzage heeft gegeven in de actuele inkomens - en vermogenssituatie van de man, waardoor er niet van kan worden uitgegaan dat de man geen draagkracht heeft.
3.82 De klacht in subonderdeel V.3 is dat het oordeel van het hof dat de man in 2023 een eenmalig regulier voordeel heeft genoten, althans in zijn IB-aangifte heeft opgenomen, onbegrijpelijk is (r.o. 5.23). De man voert in dit verband aan dat zowel in het accountantsrapport van mei 2023, als in de aangifte, als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, omstandig is uitgelegd dat de man, als gevolg van de Wet Excessief Lenen, een (straf-)dividend ontving om de lening van zijn onderneming Bailiff van € 7.000.000, - te kunnen terugbrengen naar het door de fiscus verlangde niveau (maximaal € 700.000,-).[52] Dit dividend heeft de schuld van de man aan zijn onderneming verlaagd en hem in privé geen enkel voordeel opgeleverd. Sterker nog, de man heeft ten gevolge hiervan ook in privé een deel van de dividendbelasting moeten betalen (€ 495.000,-). Het hof miskent dat een dividenduitkering ter verlaging van een rekening-courantverhouding per saldo niets anders is dan een vorm van alsnog belasting betalen over reeds genoten inkomen, hetgeen ook de achterliggende gedachte is van de Wet Excessief Lenen.[53] Het hof heeft daardoor de financiële situatie/het vermogen van de man voor € 3.842.000, - te hoog ingeschat. Daarmee is de conclusie van het hof in r.o. 5.24 dat de man kan beschikken over zodanig (liquide) vermogen dat hij op dit moment de partneralimentatie kan dragen onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd, aldus de man.
3.83 Deze klacht kan niet tot cassatie leiden omdat deze gericht is tegen een niet-dragende overweging van het hof. Het hof overweegt in r.o. 5.23 dat de man zich in het kader van zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft om te voorzien in de aanvullende behoefte van de vrouw, met name heeft beroepen op het accountantsrapport van mei 2023, en ook op een aantal andere stukken uit 2023. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw acht het hof die onderbouwing onvoldoende. Daaraan legt het hof ten grondslag dat de stukken vooral gebaseerd zijn op de situatie tot en met 2022, met een prognose voor 2023 terwijl inmiddels bekend was dat 2023 in financieel en fiscaal opzicht een afwijkend jaar was, omdat de man in het kader van de Wet Excessief Lenen zijn financiën aanzienlijk heeft moeten herstructureren, zoals de man volgens het hof zelf naar voren heeft gebracht. Daarbij benoemt het hof dat de man in 2023 een regulier voordeel heeft genoten, althans in zijn aangifte IB heeft opgevoerd, van € 3.347.006,-. Het had, zo vervolgt het hof, op de weg van de man gelegen om een deugdelijk inzicht te geven in zijn actuele inkomens - en vermogenspositie, en een actuele draagkrachtberekening in te dienen, rekening houdend met de recent verkregen liquiditeiten.
3.84 Deze overwegingen moeten niet zo worden gelezen dat het hof bij de bepaling van het actuele (liquide) vermogen van de man rekening houdt met voornoemd voordeel van € 3.347.006, - en het vermogen daarom te hoog heeft ingeschat met een bedrag van € 3.842.000,-. Deze overweging is immers een niet-dragende uitwerking van de overweging dat de man zijn actuele inkomens - en vermogenspositie tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw niet voldoende heeft onderbouwd omdat de door hem ingebrachte stukken met name zien op de periode tot en met 2022, terwijl er sinds die tijd belangrijke wijzigingen zijn geweest. Ten overvloede merk ik op dat de herkomst van het door de man genoemde bedrag van € 3.842.000, - niet blijkt uit of kan worden afgeleid uit de procesinleiding.
3.85 Subonderdeel V.4 is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.23 dat het accountantsrapport van mei 2023 niet actueel is, aangezien het is gebaseerd op de jaren 2019 tot en met 2022, en dat het rapport niet volledig is, met name niet omdat de accountant er geen rekening mee lijkt te houden dat de man de alimentatie als persoonsgebonden aftrek ook in aftrek kan nemen in achtereenvolgens box 3 en box 2, en dat draagkrachtberekeningen van de man waaruit blijkt dat hij met deze aftrek rekening houdt ontbreken. De klacht van de man komt erop neer dat het hof met dit oordeel miskent dat de aftrekbaarheid de man kort gezegd feitelijk niets oplevert vanwege onder andere de recente afschaling van de aftrekbaarheid en het beperkte vermogen in box 3. Daarmee getuigt het oordeel van het hof dat het rapport niet volledig is van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, aldus de man. Ook r.o. 5.24 kan om deze reden volgens de man niet in stand blijven.
3.86 Ook deze klacht is gericht tegen een niet-dragende overweging, waardoor de man belang mist bij het slagen van de klacht en de klacht faalt. De bestreden overweging betreft namelijk een uitwerking van de overweging van het hof dat het accountantsrapport niet volledig is. Deze overweging moet worden bezien tegen het licht van het oordeel van het hof dat de man zijn gebrek aan draagkracht onvoldoende heeft onderbouwd (r.o. 5.23, eerste paragraaf, zie ook de voorgaande klacht). Dit oordeel baseert het hof er ook op dat het accountantsrapport niet actueel is, hetgeen in cassatie in stand blijft en het oordeel van het hof ook zelfstandig kan dragen.
3.87 In subonderdeel V.5 klaagt de man dat het hof de stelling van de man dat hij in staat moet blijven om de kosten van zijn eigen levensonderhoud te betalen, terwijl niet te voorzien is hoe lang hij nog mag leven en welke kosten nog op hem zullen afkomen met het stijgen van de leeftijd, onbesproken heeft gelaten.[54]
3.88 De klacht moet van de hand worden gewezen. Nog los van de omstandigheid dat de klacht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen omdat de man nalaat te onderbouwen dat deze stelling een essentiële stelling is, en aan het onbesproken laten ervan door de man ook geen consequentie (zoals onbegrijpelijkheid) wordt verbonden, stuit de klacht erop af dat ook het hof geen glazen bol heeft en dat mogelijke toekomstige oplopende (zorg)kosten, waarvoor nu nog geen concrete aanwijzingen zijn, een reden kunnen zijn voor een eventuele volgende wijzigingsprocedure.
Onderdeel VI: uitsluiting wettelijke indexering
3.89 Het zesde onderdeel is gericht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.27 dat, in weerwil van het oordeel in eerste aanleg, onvoldoende grond bestaat voor uitsluiting van de wettelijke indexering. Ik citeer:
"5.27 Voor uitsluiting van de wettelijke indexering, zoals de man heeft verzocht, bestaat onvoldoende grond. De tegen dit oordeel van de rechtbank gerichte grief van de vrouw slaagt. Dat de man als draagplichtige niet of onvoldoende zou kunnen profiteren van, in elk geval, rendement op beleggingen, is onvoldoende gebleken."
3.90 De man klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende toereikend gemotiveerd is. De man onderbouwt dit als volgt. Het hof heeft de stelling van de man in zijn inleidende verzoekschrift[55] dat door indexering het alimentatiebedrag uit de pas gaat lopen met de vastgestelde alimentatie onbesproken gelaten. Hetzelfde geldt voor de betwisting door de man van de stelling van de vrouw dat de stijging van de waarde van de woning door de jaren heen als indexering moet worden beschouwd. De man heeft dit betwist door aan te voeren dat de jaarlijkse lasten van de woning in Nieuw-Zeeland meer zijn dan de indexatie en de geïndexeerde WOZ-waarden de lasten van de man juist verhogen.[56] Daarin ligt besloten dat er dus geen rendement wordt gemaakt en de lasten alleen maar omhoog gaan. Ook wijst de man erop dat hij inmiddels vele vermogensbestanddelen heeft moeten en moet liquideren om aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen. Na liquidatie is het niet mogelijk om nog rendement te maken, laat staan rendement dat gelijke tred houdt met de inflatie. Gelet op het voorgaande is het zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat niet zou zijn gebleken dat de man als draagplichtige niet (voldoende) zou kunnen profiteren van, in elk geval, rendement op beleggingen.
3.91 Bij de beoordeling van deze klacht stel ik het volgende voorop.
3.92 Artikel 1:402a lid 1 BW bepaalt dat de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor alimentatie jaarlijks van rechtswege worden gewijzigd met een door de minister van justitie vast te stellen percentage.[57] De gedachte achter deze automatische indexering is dat daarmee wordt voorkomen dat steeds om een verhoging van alimentatie moet worden verzocht in verband met stijgende prijzen (en stijgende lonen) door inflatie.[58]
3.93 Artikel 1:402a lid 5 BW bepaalt dat partijen of de rechter de wettelijke indexering tijdelijk of voor de gehele duur van de alimentatieplicht kunnen uitsluiten. De rechter kan de indexering op verzoek van een partij maar ook ambtshalve[59] uitsluiten. De uitsluiting van de indexering door de rechter moet, gelet op de aan indexering ten grondslag liggende gedachte dat het inkomen van de alimentatieplichtige stijgt vanwege inflatie, gegrond zijn op de omstandigheid dat deze veronderstelling in het individuele geval niet geldt.[60] Met andere woorden: een gelijkblijvend of zelfs lager wordend inkomen van de alimentatieplichtige kan leiden tot uitsluiting van de indexering. Het is de alimentatieplichtige om aan te tonen dat de vermoedelijke stijging van inkomsten waarvan artikel 1:402a BW uitgaat voor zijn geval niet geldt.[61] De uitsluiting van de indexering mag door de rechter niet worden gegrond op niet-financiële factoren.[62] In zijn beoordeling moet de rechter de voortdurende ontwikkeling van de inkomenspositie betrekken.[63]
3.94 Ik keer terug bij de klacht, die tevergeefs is voorgesteld.
3.95 Nog daargelaten de vraag of uit de door hem in dit verband aangehaalde stellingen volgt dat door indexering het bedrag uit de pas gaat lopen met het inkomen van de man[64] en dat geen rendement wordt gemaakt op het huis in Nieuw-Zeeland en de lasten alleen maar omhoog gaan, is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor uitsluiting van de wettelijke indexering. Het was aan de man om te stellen en zo nodig te bewijzen dat zijn inkomen niet of onvoldoende zou meestijgen met wettelijke indexeringspercentages. Nog afgezien van het feit dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen door de man niet is aangevoerd in het kader van de verzochte uitsluiting van de wettelijke indexering, betekent het liquideren van bepaalde vermogensbestanddelen waardoor die vermogensbestanddelen niet meer renderen, niet dat het inkomen uit het vermogen als geheel gelijk blijft of lager wordt. De man heeft verder niet gesteld en onderbouwd in welke mate zijn inkomen als geheel (dus niet alleen het rendement op alle vermogensbestanddelen, maar ook zijn andere inkomen als pensioen, dividend en zijn AOW-uitkering) gelijk blijft of verlaagd is en hoe een en ander zich verhoudt ten opzichte van de wettelijke indexering. Dit had wel op zijn weg gelegen. Gelet hierop is het oordeel van het hof niet onvoldoende gemotiveerd en ook niet anderszins onbegrijpelijk.
Onderdeel VII: tweede voortbouwklacht
3.96 Het zevende onderdeel houdt een voortbouwklacht in, die inhoudt dat het slagen van een of meerdere van de voorgaande klachten betekent dat ook r.o. 5.24 tot en met r.o. 6 en het dictum niet in stand kunnen blijven.[65] Het onderdeel faalt in het kielzog van de overige onderdelen.
3.97 De slotsom is dat alle onderdelen falen.
4 Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
De feiten zijn ontleend aan r.o. 3.1-3.5 van de in cassatie bestreden beschikking.
Zaaknummer / rekestnummer C/13/643105 / FA RK 18-784 en C/13/651517 / FA / RK 18-4572 (niet gepubliceerd).
ECLI:NL:GHAMS:2020:306.
ECLI:NL:HR:2021:1041.
Voor zover hier van belang. Zie voor het volledige procesverloop in eerste aanleg de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2024, zaaknummer / rekestnummer: C/13/734394 / FA RK 23/35058 (niet gepubliceerd), r.o.4.1-4.3 Zie voor het volledige procesverloop in hoger beroep r.o. 4.1-4.6 van de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 10 december 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3412.
De beschikking van de rechtbank vermeldt niet dat proces-verbaal is opgemaakt van de mondelinge behandeling. Het door de man gefourneerde procesdossier bevat het proces-verbaal wel (tab 10).
Deze zijn door de man overgelegd in zijn procesdossier.
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/734394 / FA RK 23/35058 (niet gepubliceerd).
Het appel betreft de procedure met zaaknummer 200.342.256/01. Voor de volledigheid merk ik op dat de vrouw daarbij ook verzocht heeft om op grond van art. 223 Rv een voorziening te treffen (zaaknummer 200.342.256/02). Dit verzoek, waarin zij door het hof niet-ontvankelijk is verklaard, laat ik buiten bespreking omdat dit niet van belang is in de voorliggende cassatieprocedure.
Zo vermeldt de bestreden beschikking in r.o. 2.5. Het procesdossier van de man bevat slechts de spreekaantekeningen van de man, niet die van de vrouw. De spreekaantekeningen van zowel de man als de vrouw zijn aangehecht aan het later toegezonden proces-verbaal (zie onder 2.17).
ECLI:NL:GHAMS:2024:3412.
Aanvullende procesinleiding, onder 1-3.
Aanvullende procesinleiding, onder 4.
HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3478, NJ2016/124 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2016/8 m.nt. J.P.M. Bol, r.o. 4.2, onder verwijzing naar HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5803, NJ 2007/563 en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262. Zie ook o.a. Asser/Kolkman & Salomons 1-II 2023/638 en 646 en M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, Den Haag: Sdu 2020, p. 27.
Zie over deze bepaling nader o.m.: S.F.M. Wortmann, GS Personen - en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 1 e.v. (actueel t/m 01-01-2025); M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, Den Haag: Sdu 2020, p. 109 e.v.; Asser/ De Boer , Kolkman & Salomons 1-I 2020/602 e.v.
Zie o.a. S.F.M. Wortmann, GS Personen - en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 1 (actueel t/m 01-01-2025).
S.F.M. Wortmann, GS Personen - en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 6 (actueel t/m 01-01-2025), onder verwijzing naar HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3842, NJ 2003/3, r.o. 3.3.2.
HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2109, NJ2014/153 m.nt. S.F.M. Wortmann, JBPr2014/8 m.nt. E. Gras, JPF2014/49 m.nt. P. Vlaardingerbroek, JIN2014/32 m.nt. A.H. van Haga, r.o. 3.3, onder verwijzing naar HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0902, NJ 2007/518 m.nt. S.F.M. Wortmann. Vgl. ook HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2381, NJ 2019/89 m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 4.2.2.
Zie o.m. HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1480 (niet gepubliceerd), NJ 1995/60, r.o. 3.3.
HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0356, NJ2013/377 m.nt. S.F.M. Wortmann, r.o. 5.4 en 5.5.
Vgl. M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, Den Haag: Sdu 2020, p. 98.
Zie in die zin ook S.F.M. Wortmann in haar NJ-noot onder HR 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO:4015 in NJ2004/475.
Zie de uitwerking van de man van zijn stellingen onder i-v van subonderdeel I.2.3 en in de aanvullende procesinleiding, onder 3.
Zie subonderdeel I.2.3, p. 12, eerste alinea.
Inleidend verzoek van de man, sub i.
HR 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1041.
Aanvullende procesinleiding, onder 2.
Zie de door de man in de procesinleiding op p. 16 genoemde stellingen onder het tweede t/m het zesde streepje.
Zie de door de man in de procesinleiding op p. 16 genoemde stelling onder het zevende streepje.
Zie de door de man genoemde stellingen onder het achtste en negende streepje.
Zie de door de man genoemde stellingen onder het Zie de door de man genoemde stellingen onder het tiende streepje.
Vgl. B.T.M. van der Wiel, Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 125, nr. 117 met verwijzing naar de NJ-noot van W.D.H. Asser onder HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5889, NJ2003/707, par. 7 en A.E.B. ter Heide, 'Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken', in: WB der Nederlanden, Nijmegen: WLP 2003, p. 200.
ECLI:NL:GHAMS:2023:1358.
Rechtbank Amsterdam 6 mei 2024, zaaknummer / rekestnummer: C/13/734394 / FA RK 23/35058 (niet gepubliceerd).
Vgl. o.m. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1.
ECLI:NL:GHAMS:2023:1358, r.o. 4.31.
ECLI:NL:GHAMS:2023:1358; zie r.o. 4.45-4.46.
Hierbij verwijst de man naar het verweerschrift en zelfstandig verzoek van de vrouw van 26 juli 2023, randnr. 15.
Hierbij verwijst de man naar zijn verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel van 2 augustus 2024, randnr. 28.
Hierbij verwijst de man naar zijn pleitaantekeningen van 30 augustus 2024.
Hierbij verwijst de man naar zijn inleidend verzoekschrift, randnr. 26, zijn verweerschrift op zelfstandig verzoek tevens houdende vermeerdering van verzoeken van 25 augustus 2023, randnr. 12, en wat betreft de appelprocedure zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van 2 augustus 2024, randnr. 48.
Onderdeel III bevat geen apart genummerde subonderdelen.
De man verwijst hierbij naar "Bijvoorbeeld verweerschrift op zelfstandige verzoeken rnrs. 2, 7, 9, 10, verweerschrift in appel rnrs. 48, 50, 60. Pleitaantekeningen man 30 augustus 2024".
Hierbij verwijst de man naar r.o. 5.13, waarin het hof dat de vrouw gemotiveerd heeft bestreden dat zij geld heeft kunnen overhouden. Het hof verwijst daarbij naar het verweerschrift van de vrouw in het incidenteel hoger beroep, randnrs. 9 tot en met 14.
De procesinleiding vermeldt hier "inkomen". Ik meen dat de man hier doelt op "vermogen" en niet op "inkomen".
Daarbij verwijst het hof naar een conclusie van 12 januari 2018, onder 2.12 en 2.13. Daarmee doelt het hof kennelijk op een conclusie van voormalig A-G Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2018:41.
Verweerschrift in incidenteel appel, randnrs. 9 t/m 17.
Hierbij verwijst de man naar zijn verweerschrift in appel, randnr. 68.
Hierbij verwijst de man naar zijn verweerschrift in appel, randnr. 68 en Productie 20 (rapport van mei 2023 van [registeraccountant] ).
De man verwijst hierbij naar zijn inleidend verzoekschrift, nrs. 31 t/m 47, zijn pleitaantekeningen van 2 april 2024 ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, nrs. 9 t/m 19, het proces-verbaal van 2 april 2024, nrs. 2-3, en zin verweerschrift in appel, randnr. 68.
De man verwijst hierbij naar zijn pleitaantekeningen van 2 april 2024 ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, randnr. 19.
De man verwijst hierbij naar productie 20, p. 5, tweede woordblok (overgelegd bij zijn inleidende verzoekschrift).
De man verwijst hierbij naar productie 20, p. 5, vijfde woordblok (overgelegd bij zijn inleidende verzoekschrift).
De man verwijst hierbij naar zijn verweerschrift in hoger beroep, randnr. 68.
De man verwijst hierbij naar randnr. 70.
De man verwijst hierbij naar zijn verweerschrift in appel, randnr. 45.
In 2025 bedraagt het indexeringspercentage 6,5%.
Zie Kamerstukken II 1970-1971, 11 166, nr. 135b, p. 1. Zie over de ratio van de wettelijke indexeringsregeling uitgebreid A-G Haak in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1980:AC3465), onder 3, voor HR 14 maart 1989, ECLI:NL:HR:1980:AC3465. Zie o.m. ook P. Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen - en familierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 605; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, Den Haag: Sdu 2020, p. 109 e.v. en ook haar conclusie van (ECLI:NL:PHR:2020:1107), randnr. 3.16, voor HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:594. Zie ook recent: HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, NJ2025/257 m.nt. S.F.M. Wortmann.
HR 1 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7325 (niet gepubliceerd), NJ1979/632.
Vgl. HR 13 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4262 (niet gepubliceerd), NJ1982/305 m.nt. E.A.A. Luijten, r.o. 6.
HR 13 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0542, r.o. 3.5.
HR 12 november 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC2695 (niet gepubliceerd), NJ 1977/277 m.nt. E.A.A. Luijten en HR 1 juli 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4627 (niet gepubliceerd), NJ 1984/50.
HR 1 februari 1980, ECLI:NLHR:1980:AB7419 (niet gepubliceerd), NJ1980/317, r.o. 8.
In zijn procesinleiding spreekt de man over "uit de pas lopen met de vastgestelde alimentatie". In zijn inleidende verweerschrift, waarnaar hij in dit verband verwijst, spreekt hij over "uit de pas gaat lopen met de draagkracht van de man" (randnr. 70).
Ik merk op dat deze voortbouwklacht gedeeltelijk overlapt met de eerste voortbouwklacht in onderdeel IV. - - - ## Voetnoten