Terug naar bibliotheek
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

ECLI:NL:OGEAM:2025:142 - Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten - 12 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:OGEAM:2025:14212 december 2025

Uitspraak inhoud

Zaaknummer: SXM202501207
Vonnisdatum: 12 december 2025
in de zaak van
de vennootschap naar Frans recht BAKKARIS SCI,
gevestigd in La Hay Pesnel (Frankrijk),
eiseres,
gemachtigden: mr. P.P. Soons en mr. C. Fiévez,
tegen
de vereniging naar het recht van Sint Maarten
DAWN BEACH CLUB ASSOCIATION,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. K. Huisman.
Partijen zullen hierna Bakkaris en DBCA worden genoemd.
De zaak in het kort
Bakkaris heeft een bedrag in zekerheid gestort op een Escrow-rekening bij de notaris. In eerste aanleg is aan DBCA een bedrag toegewezen dat inmiddels is uitbetaald. Bakkaris vordert uitkering van het resterende bedrag. DBCA vordert in hoger beroep alsnog toewijzing van een hoger bedrag dan het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten heeft gedaan en verzet zich tegen uitkering. Het Gerecht oordeelt in kort geding dat niet de regels voor opheffing van beslag (artikel 705 Rv) gelden, maar de tussen partijen gesloten Escrow-overeenkomst. Het is niet onaanvaardbaar een beroep te doen op de bepaling dat de zekerheid pas wordt vrijgegeven als het vonnis tussen partijen in kracht van gewijsde is gegaan. Vordering afgewezen.
The case in brief
Bakkaris deposited a sum of money in an escrow account with the notary. In the first instance, DBCA was awarded a sum that has since been paid out. Bakkaris is claiming payment of the remaining amount. DBCA is appealing for an award of a higher amount than that awarded by the Court of First Instance of Sint Maarten and is opposing payment. In summary proceedings, the Court ruled that the rules for lifting a lien (Article 705 of the Dutch Code of Civil Procedure) do not apply, but rather the escrow agreement concluded between the parties. It is not unacceptable to invoke the provision that the security will only be released once the judgment between the parties has become final. Claim rejected.

1 Verloop van de procedure

1.1. Bakkaris heeft op 7 november 2025 een verzoekschrift ingediend. DBCA heeft op 27 november 2025 zes producties ingediend. Vervolgens heeft op 28 november 2025 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij mr. C. Fiévez voor Bakkaris en C. Schneider voor DBCA en de gemachtigde van DBCA zijn verschenen en het woord hebben gevoerd. Beide gemachtigden hebben een pleitnota voorgedragen en aan het Gerecht overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat over en weer is verklaard.
1.2. Vonnis is bepaald op vandaag.

2 Het geschil

2.1. Bakkaris vordert dat het Gerecht DBCA zal bevelen om de notaris te instrueren om USD 48.479,72, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag aan zekerheid vrij te geven aan Bakkaris, binnen zeven dagen na het door het Gerecht te geven bevel, op straffe van een dwangsom van USD 5.000, - per dag of dagdeel dat DBCA in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen en DBCA te veroordelen in de kosten van dit geding.
2.2. Bakkaris legt aan haar vordering ten grondslag dat de vervangende zekerheid is gesteld naar aanleiding van het beslag. De regels voor opheffing
of vermindering van dit beslag zijn aldus hetzelfde als voor opheffing van een conservatoir beslag. Gegeven het feit dat DBCA in de Escrow overeenkomst bedongen heeft dat bij toewijzing van haar vordering de notaris direct de zekerheid aan haar zou vrijgeven, brengt de redelijkheid met zich dat dit andersom ook te gelden heeft voor Bakkaris. Dat zij nu moet wachten totdat in appel is beslist om haar geld terug te krijgen is niet redelijk. Door toch aan de overeenkomst vast te houden, maakt DBCA misbruik van recht.
2.3. DBCA voert tot haar verweer dat Bakkaris kan worden gehouden aan de tussen partijen gesloten overeenkomst en dat de regels voor het opheffen van een conservatoir beslag niet van toepassing zijn.
2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

Spoedeisend belang
3.1. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering van Bakkaris. Zij heeft het geld uit de Escrow-rekening op zeer korte termijn nodig voor de door haar gestelde aankoop van een onroerende zaak in Frankrijk.Achtergrond
3.2. Op 21 februari 2024 heeft Bakkaris haar perceel grond in de wijk Plateau Estate op de Oyster Pond Hill verkocht voor USD 327.500,-. Op 27 februari 2024 heeft DBCA na verkregen verlof van het Gerecht conservatoir beslag gelegd op het perceel en daardoor de levering bemoeilijkt. Bakkaris heeft ter opheffing van het beslag zekerheid aangeboden voor het in het verlof begrote bedrag van de vordering inclusief kosten. DBCA heeft dat geweigerd en aanvullende eisen gesteld: Bakkaris diende bovenop het verlofbedrag ook nog USD 15.903,04 en een bedrag van USD 2.500, - aan DBCA te voldoen voor de kosten van opheffing van de beslagen. Bakkaris heeft onder protest voldaan aan aanvullende eisen van DBCA om te bewerkstelligen dat zij het beslag zou opheffen. De verlangde bedragen zijn in Escrow onder de notaris gestort. Vervolgens is het beslag opgeheven.
3.3. In de hierop volgende bodemprocedure heeft Bakkaris in reconventie gevorderd DBCA te veroordelen de aanvullende bedragen van USD 15.903,04 en USD 2.500, - door de notaris aan Bakkaris te laten afdragen. Die vordering is door het Gerecht toegewezen.[1]
3.4. Partijen hebben een en ander afgewikkeld en op dit moment staat er nog een bedrag van USD 53.010,13 in Escrow bij de notaris. Een bedrag van USD 3.484,93 zou volgens Bakkaris nog aan DBCA kunnen worden afgedragen; de rest zou naar Bakkaris moeten.Toe te passen maatstaf
3.5. Bakkaris stelt dat de toets die bij haar vordering tot het vrijgeven van het in Escrow gestorte bedrag moet worden aangelegd, volgt uit artikel 705 lid 2 Rv. DBCA stelt zich op het standpunt dat het beslag is opgeheven, dat partijen ter opheffing van het beslag een overeenkomst hebben gesloten en dat die overeenkomst geldig is en moet worden uitgevoerd.
3.6. Het Gerecht is het met DBCA eens. Artikel 705 lid 2 Rv ziet op de opheffing van een conservatoir beslag. Dat beslag is er niet meer. De door Bakkaris gestelde zekerheid is wel in de plaats gekomen van het beslag, maar dat wil niet zeggen dat de maatstaf voor het vrijgeven van de zekerheid hetzelfde is als die voor het opheffen van een beslag. Over de vraag wanneer de zekerheid moest worden vrijgegeven, hebben partijen immers zelf een overeenkomst gesloten. In die overeenkomst zijn de regels voor opheffing van een conservatoir beslag niet van overeenkomstige toepassing verklaard.De Escrow-overeenkomst
3.7. Het gaat daarom om de toepassing van de bepalingen in de Escrow-overeenkomst. Voor zover voor dit geschil relevant, houdt die overeenkomst in dat de notaris het Escrow-bedrag vrijgeeft als:a. partijen een schriftelijke vaststellingsovereenkomst sluiten, ofb. in het geval van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten gunste van DBCA voor het toegewezen bedrag, ofc. een tussen partijen gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
3.8. Er is tussen partijen geen schriftelijke vaststellingsovereenkomst gesloten. Het aan DBCA toekomende bedrag op grond van het vonnis van 19 augustus 2025 is tussen partijen inmiddels afgewikkeld. Vaststaat dat DBCA tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van dit Gerecht, zodat dat vonnis niet in kracht van gewijsde is gegaan.Geen van de drie vermelde gevallen in de overeenkomst doet zich dus voor.
3.9. Bakkaris heeft aangevoerd dat DBCA misbruik maakt van haar rechten en dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om het bedrag niet vrij te geven. Volgens Bakkaris is het evident dat het vonnis van het Gerecht in stand zal blijven in hoger beroep en is het DBCA uitsluitend te doen om het principiële punt van de verplichtingen van de niet-leden van DBCA, zoals Bakkaris.
3.10. Anders dan Bakkaris vindt het Gerecht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat DBCA een beroep doet op de tussen Bakkaris en DBCA gesloten overeenkomst. De overeenkomst is voordelig voor DBCA, omdat alleen in een voor DBCA gunstig geval zal worden uitgekeerd zonder dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Voor Bakkaris geldt dat pas zal worden uitgekeerd als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Maar dat maakt het nog niet onaanvaardbaar om op dat laatste een beroep op te doen. Immers, het geld is voor Bakkaris niet "weg" als het op de Escrow-rekening staat en de tekst van de overeenkomst is destijds na overleg tussen partijen opgesteld door de gemachtigde van Bakkaris. De bepaling dat pas wordt uitgekeerd als een vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, is bovendien een veelgebruikte clausule in zekerheidstellingen.
3.11. Daar komt nog het volgende bij. Het Gerecht wil niet vooruitlopen op de door het Hof te zijner tijd te nemen beslissing in deze zaak, maar merkt wel op dat een hoger beroep niet alleen bedoeld is om een uitgesproken vonnis te laten toetsen, maar ook om in eerste aanleg ingenomen stellingen en standpunten nader te onderbouwen en eventuele fouten te herstellen. In dit kort geding heeft DBCA aangetoond dat zij in hoger beroep haar grieven met nieuwe stukken heeft onderbouwd. Dat geldt in ieder geval op de punten van de verjaring en de schatting die het Gerecht heeft gedaan op de weinige jaarstukken die in eerste aanleg door DBCA waren gepresenteerd. Het zou best kunnen dat het Hof op grond van deze nieuwe stukken en de nieuwe onderbouwing tot een andere beslissing komt dan dit Gerecht en dat de uiteindelijke uitspraak gunstiger is voor DBCA. Ook in dat opzicht is het standpunt van DBCA niet onaanvaardbaar en maakt zij geen misbruik van haar recht.
3.12. De vordering zal daarom worden afgewezen.proceskosten
3.13. Bakkaris is de in het ongelijk gestelde partij en zal worden veroordeeld in de proceskosten. Die bedragen aan de kant van DBCA Cg 1.500, - aan salaris van de gemachtigde van DBCA.

4 De beslissing in kort geding

Het Gerecht:
4.1. wijst de vordering af;
4.2. veroordeelt Bakkaris in de proceskosten, aan de zijde van DBCA tot op heden begroot op Cg 1.500,-;
4.3. verklaart onderdeel 3.2. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 19 augustus 2025, ECLI:NL:OGEAM:2025:66 - - - ## Voetnoten
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 19 augustus 2025, ECLI:NL:OGEAM:2025:66