Terug naar bibliotheek
Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:59 - Hoge Raad - 16 januari 2026
Arrest
ECLI:NL:HR:2026:59•16 januari 2026
Arrest inhoud
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/04619
Datum16 januari 2026
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024, nr. LEE 23/5244[1] , betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake belastingrente.
1 Geding in cassatie
1.1 De Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. Waaijer en R.J.E. Dijkstra, heeft een verweerschrift ingediend.
1.2 De Hoge Raad heeft op grond van artikel 29 AWR in samenhang gelezen met artikel 8:12b Awb anderen dan partijen in de gelegenheid gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken en heeft naar aanleiding daarvan 149 schriftelijke reacties ontvangen.[2] De Staatssecretaris en belanghebbende zijn in de gelegenheid gesteld om op die schriftelijke opmerkingen te reageren. De Staatssecretaris heeft een inhoudelijke reactie ingediend.
1.3 De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 26 september 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.[3] Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten in cassatie
2.1 Belanghebbende heeft op 27 juni 2023 voor het boekjaar 2021 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan en daarin een belastbaar bedrag aangegeven van € 4.034.204.
2.2 De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 juli 2023 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2021 opgelegd in overeenstemming met de ingediende aangifte. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 90.969 aan belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023. Deze belastingrente is berekend naar het percentage van 8 dat in die periode voor de vennootschapsbelasting gold volgens artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting - en invorderingsrente (tekst 2022 en 2023; hierna: het Besluit).
2.3 Op grond van die bepaling is het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting[4] gelijk aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente wegens vertraging in de voldoening van een geldsom bij een handelsovereenkomst, als bedoeld in de artikelen 6:119a en 6:119b BW, met dien verstande dat het percentage ten minste 8 bedraagt. Voor andere belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, geldt volgens artikel 1, letter a, van het Besluit een lager rentepercentage.
3 De oordelen van de Rechtbank
3.1 Voor de Rechtbank was in geschil of de bepaling in het Besluit waarin de hoogte van het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting is geregeld, is vastgesteld in strijd met algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel.
3.2.1 De Rechtbank heeft in het kader daarvan in de eerste plaats beoordeeld of de regelgever de te toetsen bepaling zorgvuldig heeft voorbereid en voldoende heeft gemotiveerd, in die zin dat het op basis van die motivering voor de rechter mogelijk is om te toetsen aan – in dit geval – het evenredigheidsbeginsel.
3.2.2 De Rechtbank is van oordeel dat de bestreden bepaling in het Besluit aan die eisen voldoet. Zij heeft daartoe overwogen dat de motivering van het voor de vennootschapsbelasting gehanteerde percentage van de belastingrente kan worden opgemaakt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling. De Rechtbank wijst in dat verband op de totstandkoming van de Verzamelspoedwet COVID-19[5] . Die wet bevat de delegatiebepaling van artikel 30hb AWR, op grond waarvan het percentage van de belastingrente niet meer in de wet wordt geregeld maar in een algemene maatregel van bestuur. De wetgever heeft verwezen naar de percentages die golden onder het oude regime. Onder dat oude regime is uitdrukkelijk aandacht besteed aan de gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen. Het hanteren van een hoger rentepercentage voor die groep is destijds gemotiveerd door erop te wijzen dat het voornamelijk ondernemers zijn, zodat het logisch is om aan te sluiten bij de gedachte achter de wettelijke rente die geldt in het handelsverkeer, waar een hoger rentepercentage geldt dan in het niet-handelsverkeer. Verder heeft de regelgever naar het oordeel van de Rechtbank bij het voorbereiden van het besluit om de hoogte van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting na een coulanceperiode in verband met de coronapandemie als uitgangspunt weer op minimaal 8 procent te stellen, de negatieve gevolgen daarvan voor de hiervoor bedoelde groep belastingplichtigen betrokken. De Rechtbank is van oordeel dat het mogelijk is om op basis van deze onderbouwing de bestreden regeling in het Besluit inhoudelijk te toetsen aan het materiële evenredigheidsbeginsel.
3.3.1 Bij die toetsing heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de rechter de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt toen hij de regel invoerde, terughoudend moet toetsen en ervoor moet zorgen dat hij niet vaart op zijn eigen inzichten over de wenselijkheid van de regel of op zijn eigen (rechtspolitieke) voorkeuren. Waar het bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel op neerkomt, is dat de rechter moet bekijken of de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de desbetreffende regel heeft kunnen komen, aldus de Rechtbank.
3.3.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de regelgever in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot het koppelen van het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting aan de wettelijke rente voor handelstransacties, met een ondergrens van 8. Daartoe heeft de Rechtbank overwogen dat een nog niet geformaliseerde, materiële belastingschuld niet is aan te merken als een handelsvordering en daarmee ook niet vergelijkbaar is.
3.3.3 Verder heeft de Rechtbank overwogen dat de nadelige gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen evident zijn: een minimumpercentage van 8 is in absolute zin reeds fors en was in de praktijk in feite steeds het dubbele van wat andere belastingplichtigen voor de kiezen kregen.
3.3.4 Wat betreft het doel dat de wet - en regelgever met betrekking tot het (hogere) rentepercentage voor vennootschapsbelastingplichtigen voor ogen heeft gehad, heeft de Rechtbank overwogen dat het haar de nodige moeite heeft gekost om dat doel te achterhalen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de wettelijke regeling van de belastingrente met ingang van 2013 heeft de Rechtbank afgeleid dat de belangen van de regelgever toen zagen op een tijdige vaststelling van belastingaanslagen, zodat sparen bij de Belastingdienst door belastingplichtigen werd voorkomen, en dat de belastingrenteregeling is gebaseerd op de regeling van de verzuimrente in het bestuursrecht (de Awb). De Rechtbank heeft geconstateerd dat die regeling in de Awb betrekking heeft op te late betaling, en dat de regelgever bij de invoering van de belastingrenteregeling een andersoortig verzuim voor ogen stond, te weten het niet tijdig of niet correct doen van aangifte. De Rechtbank heeft in de verwijzing naar de verzuimrente in het bestuursrecht dan ook geen rechtvaardiging gezien voor de onderhavige regel.
3.3.5 Gelet op dit een en ander is de Rechtbank tot de conclusie gekomen dat de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de betrokken regel heeft kunnen komen. De duidelijke, aanzienlijk nadelige gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen zijn naar haar oordeel onevenredig in verhouding tot de met de regel te dienen, onduidelijke doelen die op een zwak fundament rusten, aldus de Rechtbank. Zij acht artikel 1, letter b, van het Besluit daarom onverbindend.
3.3.6 De Rechtbank heeft de bij beschikking vastgestelde belastingrente om die reden verminderd en vastgesteld naar een percentage van 4, in overeenstemming met het – voor dat geval – gezamenlijke standpunt van partijen.
4 Beoordeling van het middel
4.1 Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.3.1 tot en met 3.3.5 weergegeven oordelen van de Rechtbank. Het betoogt dat uit de delegatiebepaling van artikel 30hb AWR volgt dat het percentage van de belastingrente voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld, en dat met artikel 1 van het Besluit uitvoering is gegeven aan hetgeen de wetgever bij de totstandkoming van de Verzamelspoedwet COVID-19 heeft beoogd. Het middel betoogt verder dat het een bewuste keuze van de wetgever (en in navolging daarvan van de regelgever) is geweest om voor de belastingrente voor de vennootschapsbelasting aansluiting te zoeken bij de wettelijke rente voor handelstransacties. Een belastingvordering voor een ondernemer in de vennootschapsbelasting is volgens de wetgever en de regelgever een vordering die vergelijkbaar is met een handelstransactie, omdat deze is verricht in de uitoefening van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit. Wat betreft de doelen van de bestreden regel wijst het middel op de wetsgeschiedenis. De aansluiting bij de hogere wettelijke rente voor handelstransacties is bedoeld als extra prikkel tot het correct voldoen aan financiële verplichtingen en leidt daarnaast tot een budgettaire opbrengst. Verder wijst het middel erop dat de regeling geldt zowel bij het in rekening brengen als bij het vergoeden van belastingrente. Naar de mening van de Staatssecretaris is daarom geen sprake van schending van enig algemeen rechtsbeginsel.
Uitgangspunten
4.2 Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad voorop dat de regel van artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit blijft binnen de ruimte die de wetgever met de algemeen geformuleerde delegatiebepaling van artikel 30hb AWR heeft geboden. Anders dan de Advocaat-Generaal in de onderdelen 10.9 tot en met 10.12 van zijn conclusie betoogt, biedt die bepaling geen grond om aan te nemen dat de besluitgever het rentepercentage niet hoger mag vaststellen dan het door de Staat geleden rentenadeel. De memorie van toelichting,[6] waarin wordt uitgegaan van een terugkeer naar het voorheen geldende rentepercentage van 8, wijst op het tegendeel.
4.3 Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad verder voorop dat de Rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat het Besluit een algemeen verbindend voorschrift is dat niet is aan te merken als wetgeving in formele zin, en dat de rechter daarom kan en mag toetsen of een bepaling uit het Besluit in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel, zoals het evenredigheidsbeginsel.
Zorgvuldige voorbereiding en motivering
4.4.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen, kan de rechter een algemeen verbindend voorschrift eveneens toetsen aan het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 Awb) en het beginsel van een deugdelijke motivering.[7] Indien het bestreden voorschrift een fiscaal voorschrift is dat een lastenverzwaring inhoudt, dient de belastingrechter bij de toetsing aan deze beginselen in de eerste plaats te onderzoeken of de door de belanghebbende aangevoerde gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen die daardoor worden geraakt, zijn meegewogen. Komt de belastingrechter tot de slotsom dat die belangen niet zijn meegewogen, dan dient hij op grond daarvan ervan uit te gaan dat sprake is geweest van een onzorgvuldige voorbereiding en een gebrekkige motivering van het desbetreffende voorschrift. Indien de belastingrechter als gevolg van een dergelijke onzorgvuldige voorbereiding of gebrekkige motivering niet kan beoordelen of het voorschrift in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit ertoe leiden dat die rechter het voorschrift buiten toepassing laat en een daarop berustend besluit zo nodig om die reden vernietigt of aanpast.[8] Bij de toets aan deze beginselen komt het niet erop aan of de gegeven motivering steekhoudend is. Die vraag komt pas aan de orde bij de beoordeling of het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
4.4.2 Met betrekking tot de regel die hier ter discussie staat, moet worden aangenomen dat de belangen van de betrokken vennootschapsbelastingplichtigen kenbaar zijn meegewogen. Bij de totstandkoming van de wettelijke regeling die in artikel 1, letter b, van het Besluit is overgenomen, is namelijk opgemerkt dat het kabinet begrip heeft voor het feit dat de verhoging van de rentepercentages door betrokken belastingplichtigen veelal als lastenverzwaring zal worden beleefd, dat het dan ook goed begrijpt dat het voorstel niet door iedereen als wenselijk wordt ervaren, maar dat het niettemin van mening is dat het een gerechtvaardigd voorstel is.[9] De Rechtbank is dan ook terecht ervan uitgegaan dat artikel 1, letter b, van het Besluit zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
4.4.3 De Rechtbank heeft het in artikel 1, letter b, van het Besluit neergelegde hogere belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting daarom terecht getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel. Daaraan staat niet in de weg dat de inhoud van deze bepaling overeenstemt met wat de wetgever bij de totstandkoming van de delegatiebepaling van artikel 30hb AWR heeft beoogd. Evenmin staat daaraan in de weg dat in deze bepaling is geregeld dat het percentage van de belastingrente voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld. In beide opzichten heeft de formele wetgever de besluitgever beslissingsruimte gelaten, en kan de rechter de keuze die de regelgever daarbinnen heeft gemaakt, daarom toetsen aan algemene rechtsbeginselen.
Evenredigheidsbeginsel
4.5.1 Bij haar toetsing aan het evenredigheidsbeginsel heeft de Rechtbank terecht als criterium gehanteerd dat de nadelige gevolgen van een lastenverzwaring voor de betrokken belastingplichtigen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de doelen die met de desbetreffende regel worden gediend. Daarbij kan de rechter de geschiktheid, de noodzaak en de evenwichtigheid van de regel beoordelen.[10]
4.5.2 Ook is de Rechtbank terecht ervan uitgegaan dat de rechter bij inhoudelijke toetsing van regelgeving aan het evenredigheidsbeginsel, de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt, terughoudend dient te beoordelen. In overeenstemming met de rechtspraak van de andere hoogste bestuursrechters is de Hoge Raad van oordeel dat de toetsing in dit geval materieel terughoudend dient te zijn, aangezien bij de totstandkoming van artikel 1, letter b, van het Besluit politiek-bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt.[11]
4.6 Terecht heeft de Rechtbank bij haar beoordeling de belangen betrokken van de groep belastingplichtigen die worden geconfronteerd met de negatieve gevolgen van een aanzienlijke verhoging van het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting.[12]
4.7.1 Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat met artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit een budgettair doel wordt gediend.[13]
4.7.2 In zijn reactie op schriftelijke inbreng van derden heeft de Staatssecretaris opgemerkt dat belastingrente volgens de wetgever ook een belangrijke prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of om (tijdig) om een voorlopige aanslag te verzoeken. Of dit ook kan worden gezien als doel van de regeling waarin specifiek voor de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage wordt gehanteerd, kan in het midden blijven. In elk geval kan dit argument bij de beoordeling van de proportionaliteit van dat hogere percentage geen gewicht in de schaal leggen. Zonder nadere toelichting, die de wetgever noch de Staatssecretaris heeft gegeven, valt namelijk niet in te zien waarom bij de vennootschapsbelasting een in vergelijking met andere belastingen hoger rentepercentage nodig zou zijn om dit doel te bereiken.
4.8.1 Gelet op het voorgaande brengt de toets aan het evenredigheidbeginsel in dit geval mee dat moet worden beoordeeld of de hiervoor in 4.6 bedoelde nadelige gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de met artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit te dienen doelen, waarvan alleen het hiervoor in 4.7.1 vermelde budgettaire doel gewicht in de schaal kan leggen.
4.8.2 Een lastenverzwaring die geheel of in overwegende mate op budgettaire motieven berust, komt onder meer in strijd met het evenredigheidsbeginsel indien de hogere lasten zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd. Als gevolg van het ongefundeerde selectieve karakter van de lastenverzwaring wordt die groep belastingplichtigen daardoor onevenredig getroffen. Het evenredigheidsbeginsel loopt in zoverre parallel met het gelijkheidsbeginsel.
4.8.3 In dit geval dient daarom – met de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – te worden onderzocht of de besluitgever zonder goede grond het percentage van de belastingrente alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting heeft verhoogd tot 8.
4.8.4 De Hoge Raad overweegt daartoe in de eerste plaats dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente zijn te beschouwen als gelijke gevallen.
4.8.5 Een rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid kan niet zijn gelegen in het door het middel aangevoerde argument dat is aangesloten bij de gedachte achter de wettelijke rente die geldt in het handelsverkeer, op grond waarvan in de artikelen 6:119a en 6:119b BW voor handelsvorderingen is voorzien in een hoger rentepercentage dan voor vorderingen buiten het handelsverkeer.[14] De Rechtbank heeft terecht overwogen dat een nog niet geformaliseerde materiële belastingschuld niet is aan te merken als een handelsvordering en daarmee in dit verband ook niet vergelijkbaar is. Zoals de Advocaat-Generaal heeft uiteengezet in onderdeel 10.31 van zijn conclusie, gaan ook de – onder meer in onderdeel 10.30 van zijn conclusie genoemde – argumenten op grond waarvan een hogere wettelijke rente voor handelingsvorderingen geldt, niet op voor de belastingrente die in rekening wordt gebracht bij de formalisering van materiële vennootschapsbelastingschulden.
4.8.6 Het argument van de wetgever dat tegelijkertijd met de verhoging van het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting het drempeltijdvak voor de berekening van belastingrente is verlengd,[15] kan het gemaakte onderscheid evenmin rechtvaardigen. Die omstandigheid neemt namelijk niet weg dat de verhoging van het rentepercentage voor (alleen) de vennootschapsbelasting veelal per saldo zal leiden tot een financieel nadeel voor de betrokken belastingplichtigen, zoals wordt bevestigd door de budgettaire doelstelling van de regel.
4.8.7 Verder heeft de wetgever het hogere rentepercentage voor de vennootschapsbelasting onderbouwd met het argument dat belastingplichtigen het in rekening brengen van belastingrente zoveel mogelijk kunnen vermijden door de inspecteur tijdig te verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen of aan te passen, dan wel door tijdig een juiste aangifte voor de vennootschapsbelasting te doen.[16] Dit argument kan evenmin als rechtvaardiging voor de verhoging van het rentepercentage worden aanvaard. Ook voor zover een lastenverzwaring vermijdbaar is, mag zij immers niet onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee nagestreefde doelen.
4.8.8 De Hoge Raad ziet evenmin een rechtvaardiging in het argument dat het hogere rentepercentage voor de vennootschapsbelasting eveneens geldt in het geval belastingrente wordt vergoed. Die omstandigheid kan geen rechtvaardiging vormen voor de hoogte van dat percentage in gevallen waarin belastingrente niet wordt vergoed maar in rekening wordt gebracht, nog daargelaten dat het aantal gevallen waarin belastingrente voor de vennootschapsbelasting kan worden vergoed, beperkt is.
4.8.9 Ook voor het overige heeft de Hoge Raad geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen.
4.8.10 Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden. Met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid komt de Hoge Raad daarom tot de slotsom dat de besluitgever met artikel 1, letter b, van het Besluit een lastenverzwaring heeft doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van de belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen worden gelegd. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.8.2 is overwogen, moet daarom worden geconcludeerd dat deze bepaling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en – zoals volgt uit hetgeen hiervoor in de laatste volzin van 4.8.2 is overwogen – bovendien met het gelijkheidsbeginsel. Artikel 1, letter b, van het Besluit is daarom onverbindend en zal als gevolg daarvan buiten toepassing moeten blijven.
4.9 Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de belastingrente in dit geval moet worden berekend op basis van een percentage van 4.
4.10 Hetgeen hiervoor in 4.2 tot en met 4.9 is overwogen, brengt mee dat het middel faalt.
Ten overvloede gegeven overwegingen
4.11.1 Met het oog op de vele procedures waarin het percentage van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting eveneens ter discussie staat, en waarin geen overeenstemming bestaat over het percentage dat geldt indien artikel 1, letter b, van het Besluit niet kan worden toegepast, overweegt de Hoge Raad ten overvloede het volgende.
4.11.2 De onverbindendheid van de bijzondere regel van artikel 1, letter b, van het Besluit heeft tot gevolg dat het voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van de belastingrente moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van artikel 1, letter a, van het Besluit, dus naar het percentage dat ook geldt voor andere belastingen.[17] Met deze vorm van rechtsherstel wordt een resultaat bereikt waarbij geen sprake is van een ongefundeerde selectieve lastenverzwaring.
4.11.3 Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen.
4.11.4 Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt.
4.11.5 In het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5.[18] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat (i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt, (ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht, (iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen,[19] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en (iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft. Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.
4.11.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een 'fair balance' tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
4.11.7 Van het in artikel 1, letter a, van het Besluit genoemde rentepercentage kan tot slot niet worden gezegd dat het een punitief karakter heeft en daarom getoetst zou moeten worden aan de in de artikelen 6 en 7 van het EVRM en de artikelen 48 tot en met 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie opgenomen regels over punitieve sancties. De toepassing van dit percentage vindt namelijk niet plaats met het oogmerk van bestraffing;[20] het is ook geen reactie op de overtreding van een bepaalde norm. Toetsing aan artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM komt om dezelfde reden niet aan de orde, nog daargelaten dat dit protocol door Nederland niet is geratificeerd.
5 Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6 Beslissing
De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren M.W.C. Feteris, E.F. Faase en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt voor de behandeling van het beroep in cassatie een griffierecht geheven.
ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.
Zie onderdeel 5.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
ECLI:NL:PHR:2025:1044.
Het hogere rentepercentage dat voor de vennootschapsbelasting geldt, is eveneens van toepassing op de bronbelasting als bedoeld in de Wet bronbelasting 2021.
Stb. 2020, 195.
Kamerstukken II 2019/20, 35 457, nr. 3, blz. 7.
Vgl. CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016, rechtsoverweging 7.5.2, eerste volzin, en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, rechtsoverweging 6, derde alinea, eerste volzin.
Vgl. HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.4.1, en HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1385, rechtsoverweging 5.3.1.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 6, blz. 2.
Vgl. CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, rechtsoverweging 6.6.
Vgl. CRvB 1 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2016, rechtsoverweging 7.5.1, en CBb 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, rechtsoverweging 6.5. Vgl. ook ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1257, rechtsoverweging 7.1.
Vgl. HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1178, rechtsoverweging 4.5.1.
Zie Kamerstukken I, 2013/14, 33 752, nr. D, blz. 48.
Zie voor dit argument ook Kamerstukken I, 2013/14, 33 752, nr. D, blz. 49.
Kamerstukken I, 2013/14, 33 752, nr. D, blz. 49.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverweging 5.8.
Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.
Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.
Vgl. HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, rechtsoverweging 6.4. - - - ## Voetnoten