Terug naar bibliotheek
Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:57 - Hoge Raad - 16 januari 2026
Arrest
ECLI:NL:HR:2026:57•16 januari 2026
Arrest inhoud
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/03757
Datum 16 januari 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: J. den Hoed,
tegen
- [verweerder], h.o.d.n. [A],
wonende te [woonplaats],
- ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V., h.o.d.n. INTERPOLIS,
gevestigd te Apeldoorn,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: [verweerders],
advocaat: N.T. Dempsey.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 8497390 CV EXPL 20-8103 van de rechtbank Amsterdam van 27 november 2020, 1 oktober 2021 en 2 december 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.531/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2024.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerders] mede door N. Lgarah.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
2.1 In deze zaak is aan de orde hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd. Die kwalificatie is van belang bij beantwoording van de vraag of [verweerder] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden letselschade.
2.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder] heeft een eenmanszaak, [A] (hierna: [A]). [A] organiseert zeilreizen. [verweerder] is de schipper op deze reizen.
(ii) Achmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van [A].
(iii) Op 17 februari 2015 is [eiseres] een ongeval overkomen terwijl zij deelnam aan een reis op een zeilschip, georganiseerd door [A]. De reis vond plaats in de Caribische zee rondom Sint Maarten.
(iv) [eiseres] heeft bij het ongeval een traumatische dwarslaesie opgelopen.
2.3 In dit geding vordert [eiseres] , kort gezegd, een verklaring voor recht dat [verweerder], handelend onder de naam [A], aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] door de gebeurtenis op 17 februari 2015 heeft geleden, alsmede veroordeling van [verweerders] tot vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden, op te maken bij staat. De kantonrechter[1] heeft de vordering afgewezen.
2.4 Het hof[2] heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.
"4.3 Het hof bespreekt thans de grieven 1 en 2, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. De beide grieven stellen de kwalificatie van de tussen [verweerder] en [eiseres] bestaande rechtsverhouding aan de orde. Met de grieven betoogt [eiseres] dat de kantonrechter deze rechtsverhouding ten onrechte niet heeft gekwalificeerd als een werkgeversrelatie waarop art. 7:658 lid 4 BW van toepassing is. Volgens [eiseres] heeft [verweerder] haar gevraagd een promotiefilm te maken. Volgens [eiseres] behoort het maken van filmbeelden tot de bedrijfsactiviteiten van [verweerder]. In het verleden heeft [verweerder] ook zelf filmopnames gemaakt en er zijn afspraken gemaakt over de invulling van de filmwerkzaamheden. Bovendien is [verweerder] als kapitein eindverantwoordelijke en bepaalde hij de werkomstandigheden van [eiseres] . [eiseres] was dan ook volledig afhankelijk van hem, zodat de tussen hen bestaande rechtsverhouding ongelijkwaardig was. Het incident dat de schade heeft veroorzaakt, heeft plaatsgevonden tijdens het maken van de filmopnames. Volgens [eiseres] is geen sprake van een overeenkomst van personenvervoer over zee, omdat de kenmerkende prestatie het maken van een promotiefilm is en het vervoer over zee hieraan ondergeschikt is. Indien geen sprake is van een werkgeversrelatie, dan is de rechtsverhouding volgens [eiseres] te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. Als dat volgens het hof evenmin het geval is, dan gaat het volgens [eiseres] om een reisovereenkomst in de zin van art. 7:500 lid 1 onder b (oud) BW. [eiseres] zou immers een promotiefilm voor [verweerder] maken met als tegenprestatie de deelname aan de meezeilreis. De zeilreis omvatte niet alleen een overnachting aan boord van het schip, maar ook een zeiltocht waarbij mocht worden meegezeild. Tot slot stelt [eiseres] dat aansprakelijkheid bestaat op grond van onrechtmatige daad in de zin van art. 6:162 BW, dan wel op grond van art. 6:170 BW.
4.4 Het hof is van oordeel dat het in de onderhavige zaak gaat om een overeenkomst van personenvervoer over zee in de zin van art. 8:500 BW. Vast staat dat [eiseres] en [verweerder] elkaar vriendschappelijk kenden en dat zij tijdens een ontmoeting in 2015 hebben gesproken over de reeds geplande zeilreis van [verweerder] in de Cariben. Volgens het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting zijdens [verweerders] dat [eiseres] graag eens met [verweerder] meewilde op een zeilreis, niet vast komen te staan dat het hen ging om het maken van een promotiefilm. Naar het oordeel van het hof zijn [verweerder] en [eiseres] overeengekomen dat [eiseres] deel zou nemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken.
4.5 Volgens het hof is [verweerder] niet aan te merken als werkgever en is art. 7:658 lid 4 BW evenmin van toepassing. Ingevolge art. 7:658 lid 4 BW is hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 en 2 van art. 7:658 BW aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. [verweerders] heeft gemotiveerd betwist dat [eiseres] en [verweerder] afspraken hebben gemaakt over de invulling van het promotiefilmpje en dat sprake was van ondergeschiktheid. Daarnaast staat vast dat [verweerder] op kleine schaal zeilreizen organiseert, hij tijdens deze zeilreizen de schipper is en er geen personeel in dienst is. Het hof is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van het geval, het maken van een promotiefilm niet tot de bedrijfsactiviteiten van [verweerder] behoort. Dat [verweerder] in het verleden enkele filmpjes op social media heeft geplaatst om de zeilreizen te promoten, maakt het voorgaande niet anders. Niet weersproken is dat het gaat om filmpjes die eenvoudig zijn gemaakt op de smartphone van [verweerder].
4.6 Naar het oordeel van het hof is evenmin sprake van een overeenkomst van opdracht, nu het gaat om vervoer van personen."
3 Beoordeling van het middel
3.1 De onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 van het middel zijn gericht tegen rov. 4.6. Zij klagen onder meer dat het hof heeft miskend dat de kwalificatie van de rechtsbetrekking als overeenkomst van personenvervoer niet uitsluit dat daarnaast een overeenkomst van opdracht bestond of een gemengde overeenkomst tot stand kwam.
3.2 Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een overeenkomst van personenvervoer, waarbij [eiseres] , als wederdienst voor het personenvervoer, een film zou maken (rov. 4.4, eerste en laatste volzin). Naar het oordeel van het hof zou [eiseres] dus in natura betalen, door middel van het maken van een promotiefilm. Het hof was kennelijk van oordeel dat geen sprake was van een opdracht van [verweerder] aan [eiseres] dan wel van een gemengde overeenkomst. In dit licht moet ook rov. 4.6 worden begrepen.
3.3 Onderdeel 1.4 klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, aangezien [eiseres] heeft aangevoerd dat het ongeval haar overkwam bij de uitvoering van de opdracht en dat in zoverre de overeenkomst van opdracht prevaleert boven de overeenkomst van personenvervoer over zee. Volgens het onderdeel is onbegrijpelijk waarom het hof niet uitgaat van een overeenkomst van opdracht, althans niet beoordeelt of [A] als opdrachtgever jegens [eiseres] als opdrachtnemer aansprakelijk is.
3.4 Deze klacht faalt. Het hof heeft, zo blijkt uit rov. 4.3, onderkend dat [eiseres] heeft aangevoerd dat de kenmerkende prestatie is het maken van een promotiefilm, dat het vervoer over zee hieraan ondergeschikt is en dat volgens [eiseres] sprake is van (onder meer) een overeenkomst van opdracht. Het hof heeft daarover in rov. 4.4 overwogen dat niet is komen vast te staan dat het [verweerder] en [eiseres] ging om het maken van een promotiefilm. Het hof heeft bij dit oordeel acht geslagen op de gemotiveerde betwisting door [verweerders], waarbij het hof klaarblijkelijk doelt op hun betwisting van de stelling van [eiseres] dat het ging om het maken van een promotiefilm. Die betwisting is gemotiveerd doordat [verweerders] hebben aangevoerd dat [eiseres] graag eens met [verweerder] meewilde op een zeilreis. Het hof heeft die betwisting geplaatst tegen de achtergrond van de vaststaande feiten dat [verweerder] en [eiseres] elkaar vriendschappelijk kenden en dat zij tijdens een ontmoeting in 2015 hebben gesproken over de reeds geplande zeilreis. Het oordeel van het hof dat [eiseres] zou deelnemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken, is in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval [eiseres] overkwam bij het maken van de promotiefilm.
3.5 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad: - verwerpt het beroep; - veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 2.897,- - aan verschotten en € 2.200,- - voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.E.B. ter Heide, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 16 januari 2026.
Rechtbank Amsterdam 2 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7143.
Gerechtshof Amsterdam 9 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1891. - - - ## Voetnoten