Terug naar bibliotheek
Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:193 - Hoge Raad - 6 februari 2026
Arrest
ECLI:NL:HR:2026:193•6 februari 2026
Arrest inhoud
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00576
Datum 6 februari 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werkneemster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de werkneemster,
advocaat: S.F. Sagel,
tegen
STICHTING ANTONIUS ZORGGROEP,
gevestigd te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Antonius,
advocaat: F.M. Dekker.
1 Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak 10932299 \ AR VERZ 24-5 van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.344.582/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2024.
De werkneemster heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Antonius heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de werkneemster heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2 Uitgangspunten en feiten
2.1 Het gaat in deze zaak om de vraag naar het belang van de WW-uitkering die de voormalige werknemer zou kunnen ontvangen bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding bedoeld in art. 7:671b lid 9, onder c, BW.
2.2 De werkneemster is in 2018 bij Antonius in dienst getreden als klinisch chemicus. De kantonrechter[1] heeft op verzoek van Antonius in deze procedure de arbeidsovereenkomst ontbonden op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). De kantonrechter heeft voorts, onder meer, de werkneemster een billijke vergoeding toegekend van drie jaarsalarissen, in totaal € 443.916,- - bruto, op de grond dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Antonius.
2.3 Het hof[2] heeft de ontbinding van de arbeidsovereenkomst bekrachtigd en heeft aan de werkneemster een billijke vergoeding toegekend van € 170.000,--. Het heeft over de billijke vergoeding onder meer overwogen:
"3.34 Het ernstige verwijt dat Antonius wordt gemaakt van de ontstane grond voor ontbinding heeft betrekking op twee kwesties: schending van verplichtingen tijdens re-integratie, waaronder het aansturen op beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens ziekte, en de gang van zaken nadat [de werkneemster] in 2024 (zo goed als) hersteld was. Daardoor werd ontbinding onvermijdelijk en dat rechtvaardigt een billijke vergoeding.
Bij het bepalen van de hoogte daarvan dient het hof de werknemer te compenseren voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. De hoogte moet worden bepaald op een wijze en een niveau waarmee wordt aangesloten bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.
(…)
3.36 (…) Ook wijst Antonius er terecht op dat geen rekening is gehouden met het recht op een WW-uitkering gedurende 24 maanden. (…)
(…)
3.39 (…) Een en ander afwegend vindt het hof het redelijk om in dit geval, de goede en kwade kansen afwegend, tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband na 1 augustus 2024 nog twee jaar zou hebben voortgeduurd. Uitgaande van het dan geldende maandloon met emolumenten van € 11.367,35 bruto komt dat neer op bijna € 273.000, - bruto gemist loon. Het hof acht het redelijk daarvan af te trekken wat [de werkneemster] in die periode aan WW-uitkering zou kunnen ontvangen. Gelet op het maximum dagloon is dat ongeveer € 4.305, - bruto per maand. Het hof gaat er in een alternatief scenario van uit dat [de werkneemster] in de komende tijd een andere baan zal kunnen krijgen waarmee zij tenminste een bruto maandloon ter hoogte van de maximale WW kan verdienen. Dat leidt tot een aftrek van ruim € 103.000, - bruto over de twee jaar. Daarmee komt het geschatte inkomensverlies over twee jaar uit op € 170.000,- - bruto.
In deze wijze van berekening wordt geen rekening gehouden met de duur van het dienstverband en de duur van de arbeidsongeschiktheid en het hof ziet ook geen reden om de uitkomst te matigen met het oog op die argumenten.
Voor het verhogen is evenmin aanleiding. Niet is gebleken dat bij Antonius sprake was van kwade opzet of een vooropgezet plan om re-integratieverplichtingen niet correct uit te voeren, wel van onvoldoende professionele regie. Het ernstige verwijt in verband met het staken van de loondoorbetaling in 2024 is ook al 'bestraft' met de maximale wettelijke verhoging."
3 Beoordeling van het middel
3.1 Het middel bestrijdt het oordeel van het hof dat de WW-uitkering waarop de werkneemster aanspraak zou kunnen maken in mindering moet worden gebracht op de billijke vergoeding. Het betoogt onder meer dat het hof heeft miskend dat wanneer de billijke vergoeding wordt begroot op basis van het loon dat de werknemer zou hebben verdiend gedurende de periode dat het dienstverband nog zou hebben voortgeduurd bij gebreke van het ernstig verwijtbare gedrag van de werkgever dat tot de beëindiging heeft geleid, de WW-uitkering alleen in bijzondere omstandigheden bij het bepalen van de billijke vergoeding in mindering dient te worden gebracht.
3.2 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient de rechter de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Hij dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Bij billijke vergoedingen die zijn gebaseerd op ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever, gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer voor dit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten wordt gecompenseerd. Daarbij kan rekening worden gehouden met inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd, met eventueel ander werk dat de werknemer inmiddels heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven.[3]
3.3 De beslissing van het hof is in overeenstemming met hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen. Het hof heeft in rov. 3.34 vooropgesteld dat de billijke vergoeding moet worden bepaald op een wijze die, en een niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval en dat het erom gaat de werkneemster te compenseren voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Het heeft vervolgens de financiële gevolgen van het einde van de arbeidsovereenkomst voor de werkneemster vastgesteld en daarbij rekening gehouden met de tijd die de arbeidsovereenkomst waarschijnlijk nog zou hebben voortgeduurd als deze niet in deze procedure zou zijn ontbonden. Op de gemiste inkomsten heeft het hof in mindering gebracht de inkomsten die de werkneemster als alternatief zou kunnen verwerven (een WW-uitkering of inkomen uit een andere baan). Het heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het verhogen of matigen van de aldus bepaalde vergoeding.
3.4 Anders dan het middel betoogt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering op het gederfde loon in mindering heeft gebracht. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst – zoals het hof in deze zaak heeft gedaan – ligt het immers voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon) maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen. In welke mate de aldus vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering. Uiteindelijk komt het immers aan op een beoordeling van alle omstandigheden in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. Het hof heeft dat niet miskend.
3.5 De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4 Beslissing
De Hoge Raad: - verwerpt het beroep; - veroordeelt de werkneemster in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Antonius begroot op € 905,- - aan verschotten en € 1.800,- - voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de werkneemster deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 februari 2026.
Rechtbank Noord-Nederland 8 mei 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:1856.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7011.
Vgl. HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle I), rov. 3.4.2-3.4.5; HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia), rov. 3.3.4; HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow), rov. 3.4.2-3.4.4; HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955 (Blue Circle), rov. 3.2.2. - - - ## Voetnoten