Terug naar bibliotheek
Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:192 - Hoge Raad - 10 februari 2026
Arrest
ECLI:NL:HR:2026:192•10 februari 2026
Arrest inhoud
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02802
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003611-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
2.1 Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat artikel 126w van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een wettelijke grondslag biedt voor de inzet van een 'criminele burgerinfiltrant'. Het tweede cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de resultaten van de inzet van een 'criminele burgerinfiltrant' van het bewijs moeten worden uitgesloten op grond van artikel 359a Sv.
2.2 De cassatiemiddelen falen. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/02748, ECLI:NL:HR:2026:178.
3 Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verbeurdverklaring van een woning en een personenauto.
3.2 Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 18-730001-21 bewezenverklaard dat:
"1. (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 24 augustus 2018 tot en met 19 oktober 2018 in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, - van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 195.000 euro (met als omschrijving op zijn bankrekening 'Darlehn laut vertrag'), de herkomst heeft verhuld en heeft verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was en - een voorwerp, te weten een geldbedrag van (ongeveer) 200.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit bedrag (200.000) contant te overhandigen aan een ander persoon en dit bedrag (195.000) te laten storten op een Duitse bankrekening en via die bankrekening dat bedrag vervolgens met als omschrijving 'Darlehn laut vertrag' naar zijn eigen bankrekening te laten overmaken en dit bedrag vervolgens aan te wenden voor de aankoop van een woning,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
- (zaaksdossier 18)
hij in de periode van 27 juni 2019 tot en met 2 maart 2020, in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, - heeft verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met [kenteken] was en - een voorwerp, te weten een BMW 740 Ld Xdri met [kenteken] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt en - een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.000 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, omgezet en van dat voorwerp gebruik heeft gemaakt door dit geldbedrag contant te overhandigen aan een ander en een ander van dat geldbedrag een BMW 740 Ld Xdri te laten kopen en de BMW op naam van een Duits bedrijf (te weten [A] ) te laten zetten en vervolgens zelf deze BMW te gebruiken,
terwijl hij en zijn mededader wisten dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf."
3.3 Het hof heeft over de bewezenverklaring van deze feiten overwogen:
"Feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 19 oktober 2018 een woning aan [a-straat 1] te [plaats] heeft gekocht voor € 200.000,-. De woning is niet bezwaard met een hypotheek of andere beslagen. Ten aanzien van de financiering van de woning is gebleken dat op 15 oktober 2018 € 204.956,71 is overgemaakt naar de notaris [betrokkene 1] . Dit geld is afkomstig van de bankrekening van verdachte. Op 11 september 2018 is € 195.000, - op de bankrekening van verdachte gestort door [betrokkene 2] onder vermelding 'Darlehn laut vertrag'.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte bij hem is gekomen met een contant geldbedrag van € 200.000,00 en aan hem heeft gevraagd dit bedrag naar de bankrekening van verdachte over de maken. Volgens [betrokkene 2] wou verdachte een vastgoedobject aflossen. [betrokkene 2] zou € 5.000,00 krijgen. [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat de overboeking geen lening betreft en dat hij financieel ook niet in staat was om een dergelijk bedrag aan een derde te lenen.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar 'rechtbank' staat, moet nu 'hof' worden gelezen.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [betrokkene 2] door verdachte is ingezet als geldezel (money mule of katvanger) om € 195.000,00 naar de rekening van verdachte over te maken. Voor deze handeling kreeg [betrokkene 2] een "provisie" van € 5.000,00. [betrokkene 2] heeft € 200.000,00 aan contanten van verdachte ontvangen. [betrokkene 2] heeft vervolgens € 195.000,00 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de rekening van verdachte. Deze heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [betrokkene 2] geleverde € 200.000,00 van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [betrokkene 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte dan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen."
Aanvullend overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft gesteld dat uit de bankafschriften van [betrokkene 2] blijkt dat er grote bedragen heen en weer worden gestort die niet zijn te relateren aan een leven op bijstandsniveau. Hoewel uit het dossier blijkt dat er grote bedragen worden bij - en afgeschreven op de rekening van [betrokkene 2] stelt het hof vast dat het begin - en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € - 8,74 en € 5,97 ligt. Daarin ziet het hof aanleiding ervan uit te gaan dat [betrokkene 2] meerdere malen als katvanger is gebruikt. [betrokkene 2] heeft uitleg gegeven en ook toegegeven dat hij met het voorstel van verdachte snel geld kon verdienen. Het hof ziet daarin in ieder geval geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot de gang van zaken van de door verdachte aan [betrokkene 2] gegeven € 200.000 te twijfelen. De verklaring van [betrokkene 2] vindt ondersteuning in ander bewijs. Verdachtes verklaring daarentegen niet, deze wordt weersproken door het bewijs. Van de door verdachte gefingeerde lening is nooit sprake geweest. Het hof stelt vast dat verdachte door middel van een schijnconstructie een legale geldstroom heeft gecreëerd. Over de herkomst van het omvangrijke contante geldbedrag heeft verdachte ook in hoger beroep geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Feit 2
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. Op 17 juni 2019 wordt een BMW 740LD aangekocht bij [B] te [plaats] . Het voertuig wordt contant betaald. Ten behoeve van de betaling is op 5 juni 2019 € 5.000,00 en op 17 juni 2019 € 70.000,00 en € 700,00 contant bij de kassa gestort. Het voertuig is gekocht door [C] en het voertuig is opgehaald door [C] . Hij is tevens de persoon die de contante geldbedragen heeft gestort.
[betrokkene 2] heeft verklaart dat [verdachte] geïnteresseerd was in een personenauto van het merk BMW 7-serie. [betrokkene 2] vond dit voertuig bij [B] in [plaats] . [verdachte] heeft [betrokkene 2] geld gegeven voor de aankoop van de auto. Het betrof € 75.000,00 aan contanten. [betrokkene 2] ontving € 2.500,00 provisie. De auto is gekocht met het contante geld van [verdachte] . De aankoop van de auto verliep via het agrarische bedrijf van [verdachte] : [C] . [betrokkene 2] heeft verder verklaard (op 18 augustus 2020) dat [verdachte] de BMW met [kenteken] sinds vorige zomer (het hof begrijpt: 2019) heeft.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Ook het handschriftonderzoek dat op verzoek van de verdediging is verricht geeft daartoe, bezien in het licht van het geheel van de bewijsmiddelen, naar het oordeel van het hof geen aanleiding. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar 'rechtbank' staat, moet nu 'hof' worden gelezen.
"Het verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en de aan die bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van die bewijsmiddelen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [betrokkene 2] ook hier door verdachte is ingezet als geldezel. [betrokkene 2] heeft € 75.000,00 contant van verdachte gekregen om voor verdachte een BMW aan te schaffen. [betrokkene 2] krijgt voor deze transactie een provisie van € 2.500,00. [betrokkene 2] laat de BMW aanschaffen en zet de auto op naam van zijn niet-actieve bedrijf. Feitelijk is verdachte echter de eigenaar van de auto en maakt hij daarvan gebruik. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [betrokkene 2] geleverde € 200.000,00(het hof begrijpt: € 75.000,-)van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag en de BMW niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de BMW te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling op naam van een ander dan de werkelijke eigenaar er toe strekt om het eigendom te verhullen.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [betrokkene 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander ( [betrokkene 2] ) opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
3.4 Het hof heeft over de verbeurdverklaring van de woning en de personenauto overwogen en beslist:
"Het hof acht de hieronder genoemde goederen vatbaar voor verbeurdverklaring. Naar het oordeel van het hof betreffen het voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Het hof overweegt dat bij de afweging of de woning en auto moeten worden verbeurdverklaard in aanmerking is genomen dat hierboven is vastgesteld dat zij zijn aangekocht met geld dat uit witwassen voortkomt. De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Het hof heeft bij de verbeurdverklaring rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. - woning; adres [a-straat 1] te [plaats] - BMW 740 [kenteken] (nummer […] )
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - woning; adres [a-straat 1] te [plaats] - BMW 740 [kenteken] (nummer […] )."
3.5 De volgende bepalingen zijn van belang. - Artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
"Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen". - Artikel 36e lid 1 en 2 Sr:
"1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
- De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan."
3.6 Op grond van artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels 'door middel van of uit de baten van' het strafbare feit zijn verkregen.
3.7.1 Het hof heeft over het in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 1 tenlastegelegde feit de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft een contant geldbedrag van € 200.000 voorhanden gehad waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft dit bedrag overgedragen aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft vervolgens € 195.000 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de rekening van de verdachte. De verdachte heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een woning.
3.7.2 Het hof heeft over het in de zaak met parketnummer 18-730001-21 onder 2 tenlastegelegde feit de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft een contant geldbedrag van € 75.000 voorhanden gehad waarvan hij wist dat het afkomstig was uit enig misdrijf. Hij heeft dit bedrag overgedragen aan [betrokkene 2] . [betrokkene 2] heeft vervolgens een BMW laten aanschaffen en op naam van een niet-actief bedrijf laten zetten. De verdachte werd feitelijk de eigenaar van deze auto en maakte daarvan gebruik.
3.8 Het cassatiemiddel doet een beroep op de rechtspraak van de Hoge Raad die erop neerkomt dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt dat op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan worden ontnomen (vgl. HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1077). Het betoogt dat die rechtspraak ook van toepassing is op de verbeurdverklaring die wordt opgelegd op grond van artikel 33a lid 1, aanhef en onder a, Sr. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Aan de genoemde rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat het enkele verrichten van witwashandelingen niet tot gevolg heeft dat de opbrengst die met het gronddelict is behaald, toeneemt (vgl. HR 9 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:194). Voor verbeurdverklaring op de grond dat het voorwerp geheel of grotendeels 'door middel van of uit de baten van' het strafbare feit is verkregen, is echter niet vereist dat ook kan worden vastgesteld dat dit voorwerp een vermogensvermeerdering als gevolg van het strafbare feit belichaamt. Het volstaat dat kan worden vastgesteld dat de veroordeelde als gevolg van het strafbare feit de beschikking heeft gekregen over het betreffende voorwerp.
3.9 Het op de onder 3.7.1 en 3.7.2 weergegeven vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de woning en de BMW telkens zijn verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit – welk strafbaar feit telkens bestond in het witwassen van geldbedragen – getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
4 Beoordeling van het derde, het vierde en het zesde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.