Terug naar bibliotheek
Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:189 - Hoge Raad - 10 februari 2026
Arrest
ECLI:NL:HR:2026:189•10 februari 2026•Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald
Arrest inhoud
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02860
Datum10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003622-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1 Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en A.A. Boersma bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden Baumgardt en Van Berlo hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering niet een begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid.
2.2.1 Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"hij omstreeks 4 september 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, één kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, tezamen en in vereniging met die mededader, - naar [A] in [plaats] is gereden en - naar [plaats] is gereden (in de buurt van [station] ) en - met een persoon contact heeft gehad om een kilo cocaïne aan te schaffen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".
2.2.2 De bewijsvoering is weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2024:4633. De bewijsvoering houdt onder meer in:
"Op 4 september 2018 krijgt [codenaam 1] de opdracht om samen met [codenaam 2] [verdachte] te ontmoeten in [A] te [plaats] . Daarbij krijgt [codenaam 1] de opdracht om maximaal één kilo cocaïne te kopen van [verdachte] voor een bedrag van maximaal € 30.000,00. Diezelfde dag, omstreeks 19.00 uur, vindt in [A] [plaats] een ontmoeting plaats tussen [codenaam 2] , [codenaam 1] en [verdachte] . (...)
[codenaam 1] verklaart over dit deel van de ontmoeting dat hij aan heeft gegeven dat hij één kilogram cocaïne van [verdachte] wil kopen. [verdachte] geeft aan dat dit mogelijk is, maar dat de prijs is gestegen. [verdachte] en [codenaam 2] spreken als prijs af een bedrag van € 30.000,00. Van dit bedrag krijgt [codenaam 2] van zowel [codenaam 1] als [verdachte] € 500,00 voor het introduceren.
[codenaam 1] geeft aan dat hij de aankoop bij voorkeur vanavond afrondt. [verdachte] kan de kilogram cocaïne niet van zijn gebruikelijke lokale leveranciers krijgen omdat er niets beschikbaar is. Hij moet de cocaïne daarom in de buurt van Schiphol (het hof begrijpt: [plaats] ) halen. [codenaam 1] heeft het geld bij zich. [verdachte] en [codenaam 1] spreken af dat [verdachte] met een vriend het een en ander gaat bespreken en dat hij probeert om de cocaïne geleverd te krijgen. [codenaam 2] en [codenaam 1] wachten in de lobby tot [verdachte] terugkomt.
Omstreeks 19.29 uur verlaat [verdachte] het hotel en stapt hij in een Volkswagen Polo. Deze Volkswagen is voorzien van [kenteken] . Om 19.30 uur vertrekt de Volkswagen vanaf [a-straat 1] te [plaats] . Op dit adres is [A] gevestigd. Tussen 19.30 uur en 19.45 uur rijdt de Volkswagen vanaf [A] naar [plaats] .
Het inschakelen van de hulp van [betrokkene]
Uit de tap op het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer 1] ) blijkt dat hij om 19.36 uur een telefoongesprek voert met een man met een Antilliaans accent ( [telefoonnummer 2] ). [verdachte] vraagt aan de man of hij thuis is. De man bevestigt dit. [verdachte] wil een bakje koffie komen drinken. [verdachte] vraagt aan de man of hij het vest van de club nog even moet hebben. De man antwoordt daarop bevestigend. [verdachte] en de man spreken af bij de carpool. De stem van de man wordt herkend als de stem van " [betrokkene] ".
(...)
Het briefje van [verdachte]
Op 2 maart 2020 wordt tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] een foto gemaakt van een handgeschreven briefje met daarop de woorden " [station] ", " [woonwijk] " en "29500". Deze woorden zijn geschreven op briefpapier van [A] . Aan [verdachte] wordt een foto van een briefje voorgehouden. [verdachte] verklaart over de geschreven tekst dat het zijn handschrift kan zijn.
De reis naar [plaats]
Omstreeks 21.20 uur verlaat [verdachte] de Volkswagen en loopt hij het hotel weer in.
Nadat [codenaam 1] de rekening heeft betaald gaat hij bij [codenaam 2] en [verdachte] staan, [codenaam 2] en [verdachte] hebben op dat moment al afgesproken waar ze elkaar in [plaats] gaan ontmoeten.
(...)
[codenaam 2] verklaart over dit deel van de ontmoeting dat [verdachte] aan zijn vriend zou vragen om een voorstel voor een plek waar ze elkaar zouden ontmoeten in [plaats] . De plaats waar de ontmoeting plaats zal vinden is [station] in [plaats] .
[codenaam 1] verklaart over dit deel van de ontmoeting dat [codenaam 1] [verdachte] € 29.500,00 zal betalen en [codenaam 2] € 1.000,00. [codenaam 1] verklaart verder dat [verdachte] een afspraak heeft gemaakt voor de levering van één kilogram cocaïne in [plaats] . [verdachte] en zijn vriend gaan daar eerst naartoe om het te controleren. [verdachte] ontmoet [codenaam 1] en [codenaam 2] dan daar in de buurt. [verdachte] neemt [codenaam 1] vervolgens mee naar het huis om de deal af te ronden. [codenaam 2] en [codenaam 1] verlaten het hotel en gaan op weg naar [plaats] .
Omstreeks 21.30 uur verlaat [verdachte] het hotel en stapt de Volkswagen in.
(...)
De Volkswagen rijdt via […] in de richting van […] . Omstreeks 22.20 uur staat de Volkswagen geparkeerd bij de [B] , gelegen aan de […] te [plaats] . Op het parkeerterrein voert de man met de haarzak (hierna: [betrokkene] ) nabij de Volkswagen een telefoongesprek. Te horen is dat [betrokkene] zegt: "Ik ben bijna in [plaats] . Met alles erop en eraan. Ik heb die mensen allemaal in laten stappen. Ik ben bijna bij jullie." Om 22.34 uur vertrekt de Volkswagen vanaf de parkeerplaats bij de [B] gelegen aan de […] te [plaats] .
(...)
Omstreeks 23.30 uur bevinden [codenaam 2] en [codenaam 1] zich in de omgeving van [station] . Omstreeks 23.59 uur loopt [verdachte] [b-straat] op. Bij [station] vindt een ontmoeting plaats tussen [codenaam 2] , [codenaam 1] en [verdachte] . Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met een technisch hulpmiddel. De opname van dit gesprek is uitgewerkt. Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[codenaam 1] : Wat is er aan de hand?
[verdachte] : Ik heb het ding gezien.
[verdachte] : Het was niet goed.
[verdachte] : Ik kan het niet versturen. Voor een keer is het goed genoeg maar dan zeggen ze: "nah." Maar nu zijn we ... naar iemand anders.
(...)
Omstreeks 0.34 uur bevindt de Volkswagen zich op het parkeerterrein van de [B] aan de [c-straat] te [plaats] . [verdachte] gaat de [B] in. In de [B] ontmoet [verdachte] [codenaam 2] en [codenaam 1] . Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met een technisch hulpmiddel. De opname van dit gesprek is uitgewerkt. Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[verdachte] : Ik heb het voor nu afgezegd.
[codenaam 1] : Het duur te lang?
[verdachte] : Ja, het duurt te lang.
[verdachte] : Ik zei: "we gaan het niet forceren."
[verdachte] : De man van de eerste, van die normaal heeft, zegt dat hij morgen een andere kan hebben.
[codenaam 1] : Ik denk dat ik morgen niet kan. Ik denk dat we elkaar gewoon de hand moeten schudden en weglopen. We proberen het een andere keer weer.
(...)
Het hof kan zich grotendeels met de bewijsoverwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overwegingen hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar 'rechtbank' staat, moet nu 'hof' worden gelezen.
"Uit deze bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte en [betrokkene] voornemens waren om tezamen en in vereniging een kilo cocaïne aan te schaffen in [plaats] . Tussen [betrokkene] en verdachte is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het gezamenlijk uitvoeren van het gezamenlijk plan om voornoemd misdrijf te voltooien. Uit het samenstel van gedragingen van [betrokkene] en verdachte valt af te leiden dat zij samen al in vergaande mate feitelijk uitvoering hadden gegeven aan dit plan en dat de verwerkelijking van dit misdrijf bovendien nabij was, zowel in tijd als in plaats. De cocaïne was beschikbaar en [codenaam 1] bevond zich reeds, op aanwijzen van verdachte, in de nabije omgeving van [betrokkene] en verdachte (en de beschikbare cocaïne) met het geldbedrag dat aan verdachte betaald zou moeten worden bij de levering, zodat de levering prompt verwerkelijkt kon worden. De kwaliteit van de cocaïne bleek echter niet goed te zijn, waardoor de beschikbare cocaïne niet aan [codenaam 1] geleverd werd. Vervolgens hebben [betrokkene] en verdachte nog een poging gedaan om via een andere leverancier, diezelfde nacht, dan wel de volgende dag, een kilo cocaïne geleverd te krijgen voor [codenaam 1] . Dit is echter niet doorgegaan omdat de cocaïne van de tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd (diezelfde nacht) beschikbaar zou zijn, en omdat [codenaam 1] de volgende dag verhinderd was om de cocaïne op te halen. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat het samenstel van de gedragingen van [betrokkene] en verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden. Het samenstel van deze gedragingen kan daarmee worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en levert dus een strafbare poging op. De omstandigheid dat de cocaïne nog niet was aangekocht door [betrokkene] en verdachte doet hier niets aan af. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte zich tezamen en in vereniging met [betrokkene] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging om opzettelijk buiten het grondgebied van(de Hoge Raad begrijpt: Nederland)brengen van één kilo cocaïne. Het ten laste gelegde medeplegen bestond in de kern uit een gezamenlijke uitvoering van het feit."
Dat verdachte die nacht enkel naar [plaats] is gereden om de schijn op te houden, zodat het leek alsof hij dienstig was aan [codenaam 2] teneinde [codenaam 2] van zich af te krijgen, acht het hof op grond van de bewijsmiddelen en de door verdachte verrichte handelingen en uitlatingen zoals die daaruit naar voren komen niet geloofwaardig. Van aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte eigenlijk niet verder wilde en slechts een rol speelde is het hof niet gebleken. Ook in gesprekken met [betrokkene] die door hem ingeschakeld is, voor wie hij niet de schijn op hoefde te houden en van wie hij niets te vrezen had stelt verdachte zich actief op en is hij gericht op het doen slagen van de transactie en bovendien op toekomstige handel in verdovende middelen en de daarmee gepaard gaande verdiensten. Het hof overweegt voorts dat [verdachte] op 24 mei 2018 een gesprek heeft met [codenaam 2] . In dat gesprek geeft [codenaam 2] aan dat hij iemand heeft voor die 'snelle', Ieren. Verdachte vraagt vervolgens: "Willen ze het hier oppakken?" en zegt: "Beter is hier." en "Ik wil aan deze kant blijven". Het hof neemt voorts in aanmerking dat [betrokkene] in een telefoongesprek in de nacht van 4 op 5 september 2018 met NNM zegt: "Je maakt een afspraak en zegt tegen hen: Ik heb dat ding voor jou. Dan betalen die mensen hun tickets en zaken. Die mensen komen aan. Die mensen betalen voor een hotel. Die mensen betalen alles. (...) Elke dag dat die mensen hier blijven kost meer geld broer." Uit deze gesprekken, in combinatie met de feitelijke handelingen in de nacht van 4 op 5 september 2018, leidt het hof af dat alles wat in de nacht van 4 op 5 september 2018 is gebeurd er op was gericht om de Ierse afnemer met een kilo cocaïne terug naar Ierland te laten gaan."
2.3 De volgende bepalingen zijn van belang. - Artikel 1 lid 5 van de Opiumwet:
"Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2, 2a, eerste lid, en 3, is begrepen:
het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer - of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen." - Artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet:
"Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen." - Artikel 45 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht:
"Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard."
2.4 Op grond van artikel 1 lid 5 Opiumwet is 'onder buiten het grondgebied van Nederland brengen' als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder A, Opiumwet mede begrepen het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden (vgl. HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2529).
2.5 Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479).
2.6.1 Het hof heeft de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte en [codenaam 2] spraken af dat zij op 4 september 2018 [codenaam 1] (' [bijnaam] ') zouden ontmoeten bij [A] in [plaats] . Bij die ontmoeting bestelde [codenaam 1] één kilo cocaïne bij de verdachte en gaf daarbij te kennen dat hij de cocaïne nog diezelfde avond zou willen afnemen en dat iemand anders de cocaïne mee terug naar 'huis' zou nemen. De verdachte liet toen weten hierover met een vriend (de mededader [betrokkene] ) te willen spreken en de cocaïne in [plaats] te zullen gaan halen zodat hij deze nog dezelfde avond zou kunnen leveren. [betrokkene] regelde met zijn broer dat er een kilo cocaïne in [plaats] zou klaarliggen. De verdachte en [betrokkene] spraken met de afnemers [codenaam 2] en [codenaam 1] af dat zij hen in [plaats] zouden ontmoeten met het oog op de overdracht, waarbij [codenaam 2] en [codenaam 1] het geld zouden meenemen. Later die avond vertrokken de verdachte en [betrokkene] met de auto naar [plaats] en enige tijd daarna arriveerden zij daar vlakbij [station] , terwijl [codenaam 2] en [codenaam 1] iets later arriveerden op de afgesproken locatie ( [station] ). Vervolgens vertelde de verdachte hun dat hij 'het ding' had gezien, dat het 'niet goed' was en dat hij het niet kon versturen. De verdachte en [betrokkene] hebben nog geprobeerd om via een andere leverancier een kilo cocaïne geleverd te krijgen voor [codenaam 1] . Dit is echter niet doorgegaan omdat de cocaïne van de tweede leverancier niet binnen afzienbare tijd beschikbaar zou zijn, en omdat [codenaam 1] de volgende dag verhinderd was om de cocaïne op te halen.
2.6.2 Op deze vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat het samenstel van de gedragingen van de verdachte en [betrokkene] "naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet en rechtstreeks gericht was op een prompte voltooiing van het voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging opzettelijk één kilo cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden", en dat dat samenstel daarmee kan worden beschouwd als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en een strafbare poging oplevert. Dat oordeel getuigt in het licht van wat onder 2.4 en 2.5 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de vastgestelde gedragingen van de verdachte en de mededader [betrokkene] in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om cocaïne met bestemming naar het buitenland ten vervoer aan te bieden.
2.7 Het cassatiemiddel faalt.
3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4 Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.