Terug naar bibliotheek
Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:15 - Hoge Raad - 6 januari 2026

Arrest

ECLI:NL:HR:2026:156 januari 2026

Arrest inhoud

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03117 P
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 28 juli 2023, nummer 22-001921-17, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de betrokkene.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand en dat het hof daarom niet gehouden was een opvolgend raadsman aan de betrokkene toe te voegen.
2.2.1 Het procesverloop in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2. Daaruit volgt onder meer dat: - de betrokkene in hoger beroep rechtsbijstand heeft gehad van de [advocaat] , die op grond van artikel 27 lid 3 in samenhang met artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) als zijn raadsman is aangewezen; - op de regiezitting van 8 september 2020 alleen de [advocaat] is verschenen, die meedeelde dat de betrokkene op de hoogte was van die terechtzitting en dat hij door hem uitdrukkelijk was gemachtigd om de verdediging te voeren; - op de terechtzitting van 28 juni 2022 de betrokkene en zijn raadsman niet zijn verschenen en dat de raadsman daaraan voorafgaand het hof heeft bericht dat er aan de zijde van de verdediging geen onderzoekswensen waren en geen behoefte bestond aan een schriftelijke ronde om haar standpunt nader toe te lichten; - op de terechtzitting van 16 juni 2023 de betrokkene en zijn raadsman niet zijn verschenen en dat de raadsman daaraan voorafgaand het hof bij e-mail van 2 juni 2023 heeft bericht dat hij zich als raadsman onttrok, en daarbij daarnaar gevraagd heeft geantwoord over de reden daarvoor geen mededeling te kunnen doen omdat dat valt onder zijn geheimhoudingsplicht, en bij e-mail van 8 juni 2023 dat hij de Raad voor rechtsbijstand heeft gevraagd de toevoeging in te trekken en het ressortsparket heeft gevraagd de aanwijzing in te trekken. Het hof heeft de zaak op deze terechtzitting inhoudelijk behandeld, na onder meer te hebben vastgesteld dat de betekening van de oproeping voor die terechtzitting correct heeft plaatsgevonden, en het onderzoek op de terechtzitting gesloten.
2.2.2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 juni 2023 houdt onder meer in:
"De voorzitter doet mededeling van een e-mailbericht van 2 juni 2023 van mr. [advocaat] , advocaat te [plaats] , inhoudende dat hij zich als raadsman onttrekt aan de zaak, alsmede van een e-mailbericht van 8 juni 2023 van mr. [advocaat] waarin hij desgevraagd mededeelt dat hij de Raad voor de Rechtsbijstand heeft gevraagd de toevoeging in te trekken en het Ressortsparket heeft gevraagd de aanwijzing in te trekken.
Desgevraagd verzoekt de advocaat-generaal om verstek te verlenen en het onderzoek ter zitting voort te zetten.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Het onderzoek wordt hervat. De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede:
Na de zitting van 8 september 2020 heeft het hof, ondanks de andersluidende mededeling van de raadsman, geen e-mail ontvangen met een postadres van betrokkene in Nederland. Het hof concludeert dat de oproeping rechtsgeldig is betekend. Het hof behoeft geen verstek te verlenen, nu op 8 september 2020 een gemachtigd raadsman ter zitting is verschenen. Met betrekking tot het recht op rechtsbijstand stelt het hof het volgende vast. Twee weken voor de zitting heeft het hof een e-mail ontvangen van mr. [advocaat] dat hij zich als raadsman heeft onttrokken. Het hof heeft telefonisch navraag gedaan over de redenen van onttrekking. Daarop antwoordde mr. [advocaat] dat hij daar geen mededeling over kan doen, omdat dit onder zijn geheimhoudingsplicht valt. Desgevraagd heeft mr. [advocaat] te kennen gegeven dat hij heeft verzocht de verstrekte toevoeging en aanwijzing in te trekken. Het hof constateert dat vandaag de betrokkene noch een raadsman ter zitting is verschenen.
Met betrekking tot de procesgang in hoger beroep stelt het hof het volgende vast. Er heeft een regiezitting plaatsgevonden op 25 september 2019. Daarna heeft een regiezitting plaatsgevonden op 8 september 2020, waar een gemachtigd raadsman is verschenen en het verzoek van de verdediging tot verstrekking van de telefoongesprekken aan de orde is gesteld. De raadsman heeft tijdens de zitting medegedeeld dat eerder is afgesproken dat betrokkene de telefoongesprekken op het politiebureau kon gaan uitluisteren, maar dat dit er niet van is gekomen. Het onderzoek ter zitting werd aangehouden om de betrokkene in de gelegenheid te stellen de telefoongesprekken alsnog uit te luisteren. Op 28 juni 2022 is het onderzoek ter zitting voortgezet. Nadat voorafgaand aan de zitting was medegedeeld dat de verdediging geen onderzoekswensen heeft, is ter zitting de betrokkene noch zijn raadsman verschenen.
De betekening van de oproeping voor de zitting van 16 juni 2023 heeft correct plaatsgevonden en er is een afschrift verzonden naar het BRP-adres te Marokko en naar de laatst bekende adressen van betrokkene in Nederland. Sinds 18 mei 2017 betreft het BRP-adres van betrokkene voornoemd adres te Marokko en daar zijn ook de oproepingen voor eerdere zittingen naar toe gezonden. Het hof gaat er daarom van uit dat de betrokkene gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden op de hoogte is van de zitting van vandaag. Het belang voor de betrokkene in deze zaak houdt in dat mogelijk aan hem een ontnemingsmaatregel van een aanzienlijk bedrag wordt opgelegd. Anderzijds houdt het hof rekening met de voortgang van de afdoening van de zaak. Ook houdt het hof rekening met de omstandigheid dat van de betrokkene kan worden verlangd dat hij inspanningen verricht om zelf te verschijnen danwel een gemachtigd raadsman ter zitting laat verschijnen en de verdediging te (laten) voeren, indien hij daartoe behoefte heeft.
Gelet op deze voorgeschiedenis en de rechtsgeldige betekening van de oproeping is het hof van oordeel dat het onderzoek ter zitting kan worden voortgezet."
2.2.3 Het arrest van het hof houdt onder meer in:
"De betrokkene noch een raadsman is op de terechtzitting van de inhoudelijke behandeling op 16 juni 2023 verschenen.
Het hof dient te beoordelen of de betrokkene, aan wie ambtshalve een raadsman was toegevoegd, afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.
Het hof gaat uit van de volgende omstandigheden. Betrokkene staat sinds 18 mei 2017 ingeschreven op zijn adres in [plaats in Marokko] . Na 18 mei 2017 hebben er in deze zaak bij het hof, voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2023, zittingen plaatsgevonden op 25 september 2019, 8 september 2020 en 28 juni 2022. De zitting van 25 september 2019 is op voorhand aangehouden wegens verhindering van de raadsman. Op 8 september 2020 was de raadsman als gemachtigd raadsman aanwezig. Hij heeft toen meegedeeld dat betrokkene op de hoogte was van de zitting. Hij heeft als mondelinge grief opgegeven dat de verdediging het niet eens is met de berekening. Verder zijn de onderzoekswensen van de verdediging besproken.
Deze hielden in dat de betrokkene stelde met de afgeluisterde telefoongesprekken te kunnen aantonen dat hij in de onderzoeksperiode op legale wijze de beschikking had over hogere bedragen in contanten. Het verzoek van de verdediging om de tapgesprekken te verkrijgen was reeds op 15 september 2014 door de rechtbank toegewezen en uit een proces-verbaal van de zitting bij het hof van 30 januari 2015 in de onderliggende strafzaak blijkt dat de verdediging op dat moment de tapgesprekken inderdaad had ontvangen. Ter zitting in hoger beroep van 8 september 2020 bleek dat de verdediging de tapgesprekken nog niet had uitgeluisterd. De raadsman heeft medegedeeld dat het er niet van was gekomen om de tapgesprekken op het politiebureau uit te luisteren, hoewel eerder was afgesproken dat de betrokkene dat zou gaan doen. Het onderzoek is op die zitting geschorst om de betrokkene de gelegenheid te geven alsnog de tapgesprekken uit te luisteren.
Vervolgens heeft de raadsman zich voor de zitting van 28 juni 2022 afgemeld. Hij had op voorhand aan het hof laten weten dat de verdediging geen onderzoekswensen had en evenmin behoefte had aan een schriftelijke ronde. De betrokkene is toen evenmin verschenen.
Het hof concludeert uit het voorgaande dat de verdediging slechts één algemene grief heeft ingediend. Tevens heeft de betrokkene verzuimd de aan hem ter beschikking gestelde tapgesprekken te beluisteren en aan te geven welke delen daarvan het standpunt van de verdediging zouden kunnen ondersteunen. Er zijn verder geen onderzoekswensen ingediend. De verdediging heeft geen concrete bezwaren tegen het vonnis opgegeven en heeft afgezien van nader onderzoek in de zaak.
Het hof concludeert uit het voorgaande tevens dat de betrokkene op de hoogte is van het feit dat de ontnemingszaak in hoger beroep bij het hof aanhangig is en dat er zittingen zijn gepland.
Aangaande de vraag of de betrokkene op de hoogte is van de zitting van 16 juni 2023 concludeert het hof als volgt. De oproeping voor de zitting van 16 juni 2023 is verzonden naar hetzelfde adres als de oproepingen voor de zittingen van 25 september 2019, 8 september 2020 en 28 juni 2022, zijnde het adres in [plaats in Marokko] waarop hij volgens de Basisregistratie Personen sedert 18 mei 2017 is ingeschreven.
De raadsman die de betrokkene ook in eerste aanleg heeft bijgestaan, heeft zich relatief kort voor de zitting van 16 juni 2023, ruim na ontvangst van de oproeping, onttrokken. Het hof acht het, mede gezien de voorgeschiedenis, aannemelijk dat de betrokkene niet 'zoek' is en weet dat zijn raadsman zich heeft onttrokken en dat hij er – mede gelet op de verzending van de oproeping naar het reeds genoemde BRP-adres waarop ook eerdere oproepingen hem kennelijk hebben bereikt – van op de hoogte was dat op 16 juni 2023 de behandeling van zijn ontnemingszaak zou worden voortgezet.
De betrokkene is zelf niet ter zitting verschenen noch heeft hij een aanhoudingsverzoek gedaan.
Uit deze gang van zaken concludeert het hof dat betrokkene geen inhoudelijke bijdragen meer levert aan het door hem ingestelde hoger beroep en zich feitelijk uitsluitend passief opstelt in het hoger beroep. Het hof acht deze constatering van belang voor de vraag of betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand. De onttrekking van de raadsman in een laat stadium past in dit patroon van passiviteit en terugtrekking van de betrokkene.
Betrokkene heeft naar het oordeel van het hof – ook nu sprake is van een ambtshalve toevoeging – een eigen verantwoordelijkheid om zich actief in te spannen om hetzij een raadsman of - vrouw in te schakelen, hetzij zelf in de procedure te verschijnen, te meer nu het hoger beroep ook namens de betrokkene is ingesteld. Nu betrokkene wist van de zitting, hij in het proces niet meer heeft gehandeld op een manier die redelijkerwijs van een belanghebbende procespartij kan worden verwacht, hij geen vervangende raadsman of - vrouw heeft gestuurd noch zelf is verschenen, concludeert het hof dat de betrokkene onomwonden afstand heeft gedaan van het recht op rechtsbijstand ter zitting. Tot toevoeging van een andere raadsman was het hof gelet daarop niet gehouden."
2.3 De volgende verdragsrechtelijke en wettelijke bepalingen zijn van belang. - Artikel 6 lid 3, aanhef en onder c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in de Nederlandse vertaling:
"Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;" - Artikel 28 lid 1 en 2 Sv:
"1. De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.
  1. Aan de verdachte wordt overeenkomstig de wijze bij de wet bepaald door een aangewezen of gekozen raadsman rechtsbijstand verleend." - Artikel 28a lid 1 Sv:
"De verdachte kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doen van het recht op rechtsbijstand, bedoeld in artikel 28, eerste lid, tenzij in dit wetboek anders is bepaald."
2.4.1 Het hof heeft vastgesteld dat ambtshalve aan de betrokkene een raadsman is toegevoegd en dat deze raadsman, twee weken voor de inhoudelijke behandeling van de ontnemingsvordering op de terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2023, aan de voorzitter van het hof heeft bericht dat hij zich als raadsman heeft onttrokken. Het hof heeft verder onder meer vastgesteld dat voorafgaand aan die inhoudelijke behandeling van de zaak terechtzittingen hebben plaatsgevonden op 25 september 2019, 8 september 2020 en 28 juni 2022, dat de oproepingen voor de terechtzittingen telkens zijn verzonden naar het adres in [plaats in Marokko] waarop de betrokkene volgens de basisregistratie personen (hierna: BRP) sinds 18 mei 2017 was ingeschreven en dat de betrokkene bij geen van de terechtzittingen aanwezig was.
2.4.2 Het hof heeft vastgesteld dat de oproeping voor de terechtzitting van 16 juni 2023 en voor de eerdere terechtzittingen telkens naar hetzelfde BRP-adres in [plaats in Marokko] is verzonden en dat de raadsman op de terechtzitting van 8 september 2020 heeft meegedeeld dat de betrokkene op de hoogte was van die terechtzitting. Uitsluitend deze vaststellingen kunnen niet het oordeel van het hof dragen dat de betrokkene op de hoogte was van de terechtzitting van 16 juni 2023 en dat hij weet dat zijn raadsman zich heeft onttrokken. Het hierop voortbouwende oordeel van het hof dat de betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand is daarom ontoereikend gemotiveerd. Dat de betrokkene rechtsgeldig afstand heeft gedaan van dat recht kan ook niet worden gebaseerd op de verdere door het hof aangeduide omstandigheden met betrekking tot de procesopstelling van de betrokkene. Gelet op een en ander is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
2.5 Het cassatiemiddel slaagt in zoverre.

3 Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

4 Beslissing

De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026.