Terug naar bibliotheek
Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:115 - Hoge Raad - 27 januari 2026

Arrest

ECLI:NL:HR:2026:11527 januari 2026

Arrest inhoud

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02109
Datum27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nummer 21-002094-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, behoudens de beslissingen inzake het onder 5 tenlastegelegde en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] B.V. en/of [benadeelde 2] alsmede [A] N.V., en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen. In het bijzonder wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de verdachte aan de bewezenverklaarde strafbare feiten een bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht.
2.2.1 De bewezenverklaring – inhoudend, kort samengevat, dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drie pogingen tot het medeplegen van dwang en eenmaal aan het medeplegen van dwang, door een aantal bedrijven brieven te sturen waarin wordt gedreigd met nare consequenties als zij niet stoppen met het faciliteren van de bouw van bepaalde windmolenparken – en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 tot en met 7.
2.2.2 Het hof heeft over het medeplegen het volgende overwogen:
"Medeplegen
Vervolgens is de vraag aan de orde of het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten in de rol als medepleger of - in geval van feit 1 - subsidiair als medeplichtige.
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Nauwe en bewuste samenwerking kan onder meer blijken uit de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang daarvan, zijn aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. In dit opzicht kan ook de aard van het delict een rol spelen. Niet nodig is dat alle medeplegers uitvoeringshandelingen verrichten, maar de samenwerking moet wel intensief zijn. Van de omstandigheden van het geval hangt af of de samenwerking voldoende intensief was om van medeplegen te kunnen spreken. Niet is vereist dat de medeplegers eenzelfde rol vervullen of dezelfde soort gedragingen verrichten bij de uitvoering van het delict, oftewel dat hun rollen inwisselbaar zijn. Wel moet sprake zijn van een wezenlijke bijdrage van de medepleger. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal van voldoende gewicht moeten zijn.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 het volgende af. Het hof zal deze vier feiten samen bespreken vanwege hun samenhang en vanwege de omstandigheid dat meerdere aangevers in de hierna te bespreken ovc-gesprekken voorkomen.
Overeenkomende teksten en afzender
In de eerste plaats stelt het hof vast dat de teksten, zoals tenlastegelegd onder de feiten 1, 2, 3 en 4 meerdere overeenkomsten bevatten of op andere wijze aan elkaar worden gelinkt. De teksten benoemen alle een soortgelijke afzender. Het zwartboek en de brieven uit feiten 1, 2 en 3 zijn afkomstig van [organisatie] c.q. de door de overheid en initiatiefnemers van windparken, belazerde, belaagde, bedreigde en tot nu toe als uitschot behandelde burgers uit Groningen en Drenthe .
De brieven aan [A] / [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (feit 4) noemen als afzender "uw provincie genoten over wiens rug u zich wilt verrijken".
Opvallend is voorts de overeenkomstige stijl, het woordgebruik en strekking van de teksten onder alle vier de feiten. Zoals hiervoor ook reeds onder het kopje "dwang" door het hof is besproken, komen de teksten en brieven qua schrijfstijl en intimiderende, dwingende strekking namelijk overeen en bevatten de teksten dreigementen met soortgelijke feitelijkheden.
Wat betreft feit 4 merkt het hof op dat de afzender van de brief aan [A] / [betrokkene 1] en de brief aan [betrokkene 2] / [B] B.V. (hierna: [betrokkene 2] ), deze nadrukkelijk aan elkaar heeft verbonden, door in de brief aan [betrokkene 2] expliciet te verwijzen naar de brief aan " [betrokkene 1] " ( [A] ) en de brief aan [betrokkene 1] ook als bijlage mee te sturen.
Gelet op dit alles is het hof ervan overtuigd dat dezelfde (mede)plegers het zwartboek en de verschillende tenlastegelegde brieven onder feit 1, 2, 3 en 4 hebben opgesteld.
Ovc-gesprekken
Het dossier bevat een aantal uitgewerkte, heimelijk opgenomen gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] (ovc-gesprekken). Die gesprekken spelen een belangrijke rol in deze zaak. In de ovc-gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] wordt onder meer het volgende gezegd, zakelijk weergegeven: - [medeverdachte] : Bij ons wordt nu ehh ..ntv... [hoogspanningsstation] wordt eh.. daar zijn ze nu begonnen nog eh een stuk bouwrijp maken van ...ntv.. park, ehh daar zit nu een plaatselijk aannemertje te graven en die heeft een brief in de bus
[verdachte] : Kijk eens aan
[medeverdachte] : Die heeft ie ehh gisteren of eergisteren heeft ie die gekregen... [betrokkene 3] ..ntv.. (Opmerking [verbalisant] hoort: [betrokkene 3] ) heeft em opge...ntv..
[verdachte] : Dit is een ehh geweldige samenwerking op deze manier
[medeverdachte] : We gaan ze aanpakken... tuig
[verdachte] : Ja.. honden. - [medeverdachte] : en ehh ja de omslag ligt bij het Dagblad van het Noorden sinds vorige week vrijdag.
[verdachte] : Oké. Kijk aan.
[medeverdachte] : Dus die ehh zullen er mee aan het broeden zijn en ik heb ook liever dat ze dat goed doen
[verdachte] : Ja
[medeverdachte] : Hè Dat ze die..... Het kan twee kanten op ... ze doen niks of ze doen er heel veel mee...
[verdachte] : Ja!
[medeverdachte] : Ik vermoed het laatste, want het is nogal veel omvattend.
[verdachte] : Precies.
[medeverdachte] : (...) maandagmiddag hebben wij ehh in Duitsland hebben we een pakket op de post gedaan.. ja..
[verdachte] : Super.
[medeverdachte] : Onder de ehh [plaats] ... in de buurt van [plaats] daar hebben we het in de post gegooid. Als men dat weet te traceren dan gaat men dat linken aan [plaats] .
[verdachte] : (lacht) het toneelstuk is enorm (lacht).
[medeverdachte] : (lacht) dan wordt het plotseling Duitsland gestuurd, huh?
[verdachte] : (lacht).
[medeverdachte] : En nu? ... Duitsland er ook nog bij.
[verdachte] : (lacht). - [verdachte] : En ik heb natuurlijk nog allemaal.... even op de trom geslagen want dat is om ...ntv.. en even met jouw woorden. Maandag hadden we ook gezegd ... wel of geen brieven wegsturen die geen effect hebben, je moet het goed doen. - [medeverdachte] : Nee wat dat betreft hebben ze van ons meer last.
[verdachte] : Zo is dat! Zo is dat! En daar houden ze ook nog een hele poos last van.
[medeverdachte] : Jaa dat is wel zeker. - [medeverdachte] : Hij moet, hij moet zich wel realiseren, dat als er... ik noem maar wat ... een [C] autootje gezien wordt bij [D] , dat hij ook zo'n omslag krijgt
[verdachte] : Dan is ie ook aan de beurt!
[medeverdachte] : Ja..dat gaan we namelijk gewoon doen hè alles
[verdachte] : Alles
[medeverdachte] : Ook iedereen die zich met transformatorstations die gaan ook gewoon zo'n ding krijgen, dat is dat heeft er allemaal mee te maken.
[verdachte] : Ja!
[medeverdachte] : Laat ze het maar weten!
[verdachte] : Ja..ja .... je moet gewoon ja heel massief maar ook heel consequent zijn. - [medeverdachte] : [verdachte] , ff ehh ik heb wat respijt als ik volgende week donderdag die ehh omslagen heb dan is het vroeg genoeg.... Ik heb [betrokkene 4] en [betrokkene 5] lopen euhm blijf bij [betrokkene 6] (fan) volhouden voor adressen
[verdachte] : Ja dat heb ik gisteren bij [E] ook nog met nadruk gezegd, ik zeg beste mensen ehm ik wil graag van jullie weten wie betrokken zijn bij aanleg bij alles wat om die windturbine en windturbines heen zit, ik heb te weinig adressen in de postbus gehad.
[medeverdachte] : Ja niks .... nee ... nee ik heb er een paar gekregen ehh [F] [verdachte] , wat is dat?
[verdachte] : Dat zit in het centrum van [plaats] , daar zit een ehh dat hoorde ik gisteravond dat hoorde ik gistermorgen ehh wij hebben hier laatst Engelsen horen praten.
[verdachte] : Die zitten in het [F] en dat zijn mensen werken mee waarschijnlijk bij ...ntv...
[medeverdachte] : Precies [G] die ... ntv.. uitbesteed aan Engelsen en het [F] staat ook op onze lijst en die krijgt er ook één (1)
[medeverdachte] : ja het [F] staat op onze lijst.
[verdachte] : We hebben met mensen gesproken (fluistert)
[medeverdachte] : Ja gaat er ook één (1) krijgen...
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte] : en.... waar ik dus naar benieuwd ben [verdachte] , we moeten even een werklocatie hebben van [G] , buiten dit gebied. We gaan [G] aanpakken! Mocht je ergens rondrijden....
[verdachte] : Ja als ik rond rij en ik zie iets dan ehh.... Heel goed.
[medeverdachte] : Ja.... [G] gaan we een [G] zetten, die staat wel op de op de nominatie hoor! En ehh wat.... We hebben de de de projectontwikkelaars, die krijgen hebben dus deze kaft gekregen met een apart schrijven erbij.
[medeverdachte] : Die ehh die hun bladzij die wordt dus nooit uit het boek gescheurd het enigste wat zij kunnen bewerkstelligen is dat als zij ons met rust laten dat wij hun personeel met rust gaan laten, dat is de enigste dat zijn de enige bedrijven waar we ook rechtstreeks zeggen we gaan je personeel benaderen, nou gaan we refereren... we refereren aan de privacybrief weetje wel die we toen gestuurd hebben waarin we hebben geschetst dat wij van alles van ze wisten, eh tot nu toe zijn we daar zéér discreet mee omgegaan, maar het is aan U of we dat blijven doen, dus die ligt bij de Projectontwikkelaars.
[verdachte] : Zo!
[medeverdachte] : Daarnaast wil ik naar de zandboeren en de betonboeren die wil ik een begeleidend briefje sturen of ze zich er een voorstelling van kunnen maken dat er euh asbestvlokken in hun zand en grind voorraad zijn aangetroffen en wat voor invloeden dat heeft op de bedrijfsvoering, misschien kunt u zich daar eens een voorstelling van maken.
[verdachte] : Heel goed zo is het. - [medeverdachte] : [betrokkene 7] die krijgt ehh die krijgt er ook één (1).
[verdachte] : Die is ook aan de beurt... zo ist! Ja.
[medeverdachte] : Het hoofdkantoor krijgt er één (1).
[verdachte] : Juist.
[medeverdachte] : (...) dit soort behandeling roep je over jezelf af in Groningen en Drenthe. Klaar.
[verdachte] : Ja dit is de enigste methode [verdachte] om iets wakker te schudden.
(...)
[verdachte] : Dat ze mee bouwen aan concentratiekampen, dat ehh interesseert ze geen fuck. - [medeverdachte] : Nou en dat hebben we twee keer getest en dat is twee keer recht op em af.... en wat betreft [G] dat hebben we goed ingeschat die hebben we geen ultimatum gegeven.
[verdachte] : Zo is dat dus die dreiging en grote onzekerheid.... ntv....
(...)
[medeverdachte] : Ja dus dat was een goeie inschatting.
[verdachte] : Ja.. ja.
[medeverdachte] : Niet aldoor eh de hoofdprijs willen.
[verdachte] : Klopt (lacht). - [verdachte] : Ik heb jou wel... er zitten wel. Ik heb jou wel 4 adressen in de euh map gestopt. Vier briefjes die ik in de bus had
[medeverdachte] : Oké Goed zo.
[verdachte] : Ik weet niet of [betrokkene 8] daar bij zat. Daar zat [betrokkene 9] (fan) [betrokkene 9] bij. Nou ja in elk geval 4. - [verdachte] : dan denk ik met deze drukker 'de hout' (fon) die zit met zijn fikken aan, ik zeg je moet ze niet aanraken jong
[medeverdachte] : Hij zit daar toch niet met zijn fikken aan?
[verdachte] : Hij zit daar met zijn fikken aan
[medeverdachte] : Ja nou dat is niet handig
[verdachte] : Ik heb hem daar tig keer voor gewaarschuwd.
[medeverdachte] : Ik dacht dat hij dat wel wist
[verdachte] : Ik zeg je moet gewoon met die handjes handschoentjes aandoen. - [verdachte] : Ik zeg iedere keer tegen hem, heb je het weer van je computer afgegooid? Ja, nee ik heb het niet opgeslagen ik heb het direct weer verwijderd. Ik zeg goed.
[verdachte] : Ik geef hem dan dat stickje. Hij kijkt. Zet het even op zijn pc, krijgt het stickje richting mij en als het af is dan euh
(...)
[medeverdachte] : Nou weetje wij raken ze niet aan, allemaal met handschoenen.
[verdachte] : Ja zo is dat. En ik doe het ook dus als ik wat heb dan pak ik even een doekje. Zo werk ik.
[medeverdachte] : Hij moet zijn praatje wel klaar hebben.
[verdachte] : Hij heeft zijn praatje klaar.
Het hof overweegt met betrekking tot de ovc-gesprekken en tapgesprekken in het dossier, dat dergelijke gesprekken vrijwel altijd onderhevig zijn aan de interpretatie die de lezer dan wel luisteraar aan de gesprekken geeft. Het is de taak van de rechter om de inhoud, toon en strekking van ovc - en tapgesprekken te duiden en te beoordelen in relatie tot het tenlastegelegde. In onderhavige zaak doet het hof dat als hieronder opgenomen.
Het hof overweegt dat uit observatieonderzoek, peilbakengegevens, opgenomen (tele)communicatie, historische verkeersgegevens en notities in verdachtes agenda blijkt dat gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] frequent, structureel en veelal bij de McDonalds in alle vroegte plaatsvonden. De ovc-gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] zoals gevoegd in het dossier hadden het karakter van overleg, waarin de voortgang van acties tegen de windmolenparken werd besproken, strategie werd bepaald en bedrijven dan wel personen werden geselecteerd die aangepakt moesten worden, bijvoorbeeld door toezending van (dreig)brieven. Anders dan verdachte stelt, werd tijdens deze ontmoetingen weinig tot niet gesproken over familieonderwerpen of regulier zakelijke onderwerpen, maar hoofdzakelijk over de protestactiviteiten met betrekking tot de bouw van de windparken. Uit de ovc-gesprekken blijkt dat de samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] werd gekenmerkt door meerdere heimelijke aspecten. Tijdens de overleggen werd de telefoon bewust niet meegenomen respectievelijk was de telefoon niet verbonden met het telefoonnetwerk. Bovendien fluisterden verdachte en [medeverdachte] tijdens sommige delen van de gesprekken. Ook gebruikten zij codetaal door over vogels (kijken) te spreken, zoals ook blijkt uit de verklaring van verdachte ter zitting van het hof. Daarnaast blijkt uit de ovc-gesprekken dat verdachte en [medeverdachte] er in hun werkwijze nadrukkelijk voor zorgden dat sporen op drukwerk werden voorkomen dan wel dat digitale sporen met betrekking tot het drukwerk werden uitgewist. Ook probeerden zij ontvangers van brieven op een dwaalspoor te zetten door met extra moeite brieven vanuit Duitsland te verzenden. Het hof plaatst de inhoud van de ovc-gesprekken in deze heimelijke context.
Het hof volgt niet het verweer van de verdediging, dat de ovc-gesprekken moeten worden bezien in de context van de legale verkeersbrief/signaalbrief. Uit de inhoud van de gesprekken alsmede de heimelijke context blijkt immers dat de gesprekken niet of nauwelijks over de hiervoor genoemde legale verkeersbrief gaan, maar over het zwartboek en de andere tenlastegelegde brieven.
Meerdere aspecten uit of met betrekking tot de tenlastegelegde brieven komen terug in de ovc-gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] .
Zo praten zij meermalen over een omslag. Het zwartboek (tekst b, feit 1) betreft een omslag. Dit is wat anders dan de verkeersbrief, waar verdachte naar verwijst.
Onderdelen van de brieven a, b en c komen bovendien nagenoeg letterlijk terug in de gesprekken, zoals het met rust laten van personeel en het sturen van een briefje naar de zandboeren inhoudende of ze zich er een voorstelling van kunnen maken dat er asbest in hun zand - en grindvoorraad is aangetroffen en wat voor invloed dat heeft.
Ook praten verdachte en [medeverdachte] over de eerder verzonden privacybrief, waarnaar verwezen wordt in het begeleidend schrijven van het zwartboek (tekst a). [medeverdachte] zegt: "we refereren aan de privacybrief weet je wel die we toen gestuurd hebben waarin we hebben geschetst dat wij van alles van ze wisten, eh tot nu toe zijn we daar zéér discreet mee omgegaan, maar het is aan U of we dat blijven doen, dus die ligt bij de Projectontwikkelaars." Dit komt vrijwel woordelijk terug in het begeleidend schrijven van het zwartboek.
Daarnaast spreken verdachte en [medeverdachte] in hun plannen over meerdere aangevers die een of meer van de tenlastegelegde teksten hebben ontvangen, waaronder [G] , het [F] , [H] en [betrokkene 10] (het hof begrijpt: [betrokkene 10] , woordvoerder van [I] ), de [J] en [benadeelde 1] . Ook praten zij over de dreigbrieven aan aangevers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Verdachte en [medeverdachte] praten bovendien over verzending van een pakket c.q. post via Duitsland, terwijl een groot deel van de bedrijven die het zwartboek en/of het bijbehorend begeleidend schrijven of de aanvulling hebben ontvangen, die tekst(en) via de Duitse Post heeft ontvangen.
Uit bovenstaande onderdelen blijkt naar het oordeel van het hof evident de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte] bij de tenlastegelegde brieven/teksten.
Het hof begrijpt dat met de voornoemde privacybrief wordt bedoeld de privacyverklaring die in juni en augustus 2018 naar meerdere bedrijven is verzonden, waarin onder meer is opgenomen: - 'Voor zover u het nog niet weet is er, net als in de oorlog, massief en inmiddels ondergronds verzet tegen deze windplannen; mensen die niets te verliezen hebben gaan zich verdedigen en grijpen, nu de overheid en de democratie voor hun niet werkt, in hun wanhoop en in hun overtuiging om hun en het leven van hun kinderen te beschermen, naar andere middelen.' - 'Wie zich verbindt/verrijkt, over onze ruggen, aan de windparken in Groningen en Drenthe wordt als een fascist in beeld gebracht en verklaart zichzelf vogelvrij in geheel Nederland en daarbuiten.' - 'De zware beveiligingsmaatregelen bij windparken zullen dan op alle locaties waar uw bedrijfsnaam in beeld wordt gebracht noodzakelijk zijn.' - 'Kortom: meewerken of verrijken aan onze ondergang zal voor uw bedrijf en uw reputatie verstrekkende gevolgen hebben. Tevens staan wij niet in voor de veiligheid van uw personeel, daar de gemoederen van vele burgers het kookpunt heeft bereikt.' - Wij veronderstellen dat u allicht de hiervoor benoemde aspecten aan het door uw onderneming op welke wijze dan ook medewerking verlenen aan de voorliggende Veenkoloniale windplannen, met nadruk zult meenemen in de door u in dit kader te maken risicoanalyses.
De afzender van de privacyverklaring is: 'De door de overheid en initiatiefnemers van windparken belazerde, belaagde, bedreigde en tot nu toe als uitschot behandelde burgers uit Groningen en Drenthe'.
Opvallend zijn de overeenkomsten met de tenlastegelegde teksten, zowel in woordgebruik als strekking. Daarnaast valt de aankondiging dat 'de acties alleen maar zullen verhevigen' op.
Het hof constateert dat met verzending van de tenlastegelegde teksten onder de feiten 1, 2, 3 en 4 en met de plannen die [medeverdachte] en verdachte tijdens de ovc-gesprekken maakten, de acties in grimmigheid inderdaad toenamen en daarbij een opbouw in intimidatie en agressie is te horen/lezen. Hoewel het ovc-gesprek van 6 juni 2019 van latere datum is dan de meeste verzonden dwangteksten, blijkt uit dit gesprek niet alleen duidelijk de samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] , maar ook dat zij gebruik van geweld niet schuwen. Zij praten over het aanschaffen van een wapen, over het kapotschieten van (een wiek van) een windmolen en over het verklaren van een gebied tot oorlogsgebied. Met betrekking tot de aanschaf van het wapen geeft verdachte aan dat [E] ook nog geld in de kas heeft en dat hij gaat kijken hoe hij dat gaat doen. Het hof begrijpt hieruit dat verdachte gaat kijken hoe hij financiële middelen van [E] kan gebruiken voor het plan om een wapen aan te schaffen. Ook praten zij erover om een kogel door de cabine van een vrachtwagen van [benadeelde 1] heen te 'jassen'.
Verdachte stelt dat hij enkel toehoorder was tijdens de gesprekken met [medeverdachte] . Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat onderdelen uit de ovc-gesprekken juist een contra-indicatie vormen voor wetenschap bij verdachte van en voor betrokkenheid van verdachte bij de activiteiten waarover [medeverdachte] hem tijdens de gesprekken vertelde.
Het hof overweegt hierover dat het de strekking van de gesprekken op een andere manier waardeert dan de verdediging. Het hof plaatst de inhoud van de gesprekken in de hiervoor omschreven context van voortgangsoverleg en de heimelijke context van de gesprekken. Daarbij leidt het hof, net als de rechtbank, uit de ovc-gesprekken af dat daar waar het woord 'we' werd gebruikt in de gesprekken, in ieder geval verdachte en [medeverdachte] werden bedoeld. Het klopt op zichzelf wel dat [medeverdachte] verdachte op sommige momenten vertelde over handelingen/activiteiten die verricht waren. Maar het hof ziet dit in het licht van voortgangsoverleg dat zij voerden over die activiteiten. Uit de ovc-gesprekken blijkt immers ook niet dat verdachte niet wist waar [medeverdachte] over sprak. En hoewel [medeverdachte] tijdens deze gesprekken over het algemeen meer praatte dan verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte niet - zoals hij zelf stelt - enkel toehoorder of onschuldige meeprater was. Naast de instemmende, aanjagende en stimulerende reacties van verdachte had verdachte eveneens een actieve, inhoudelijke bijdrage aan de gesprekken. Verdachte praatte op zijn beurt [medeverdachte] ook bij over de voortgang van activiteiten en verdachte en [medeverdachte] smeedden gezamenlijk plannen. Daarbij was sprake van een rolverdeling tussen beiden. Verdachte redigeerde de inhoud van brieven, selecteerde mede bedrijven die een brief moesten ontvangen in verband met hun betrokkenheid bij de windparken en liet adressen van die bedrijven verzamelen ten behoeve van verzending van de brieven. Verdachte informeerde [medeverdachte] daarover. Verdachte kon die informatie ook verschaffen vanuit zijn rol als voorzitter/woordvoerder van [L] en woordvoerder/penningmeester van [E] . Ook had verdachte als voorzitter van de ondernemersvereniging een relevante informatiepositie ten opzichte van ondernemers en bedrijven en was hij vertrouwenspersoon voor ondernemers die te maken kregen met protestacties, zoals aangever [betrokkene 1] .
Ook noteerde verdachte zo nu en dan als [medeverdachte] praatte, hetgeen door [medeverdachte] werd gezegd. In het kantoor van verdachte zijn, deels handgeschreven, deels op digitale gegevensdragers, notities gevonden die wat betreft woordgebruik en strekking overeenkomen met onderdelen van de tenlastegelegde teksten en de hierboven genoemde privacybrief.
[K]
Voor de beoordeling of het handelen van verdachte voldoende is geweest om te spreken van medeplegen acht het hof voorts het volgende van belang.
Uit de ovc-gesprekken blijkt dat verdachte het contact met de drukker onderhield. Verdachte vertelt aan [medeverdachte] dat hij de drukker het stickje geeft, dat de drukker kijkt, dat de drukker het even op zijn pc zet en dat verdachte het stickje krijgt. Verdachte heeft de drukker al tig keer gewaarschuwd dat hij er niet met 'zijn fikken' aan moet zitten (het hof begrijpt: met zijn handen aan drukwerk) en hem gezegd dat hij handschoentjes aan moet doen, zo vertelt verdachte. Ook heeft verdachte iedere keer aan de drukker gevraagd of hij het weer van zijn computer heeft afgegooid. Verdachte laat [medeverdachte] weten dat de drukker zijn praatje over het drukwerk klaar heeft, zodat de drukker - zoals [medeverdachte] het zegt - alleen gepakt kan worden op het feit dat hij dat drukwerk heeft gemaakt.
Uit het onderzoek is gebleken dat met de drukker, [betrokkene 11] van [K] wordt bedoeld. [K] heeft verklaard dat verdachte in ongeveer de eerste helft van 2019 vijf tot tien keer bij hem op de zaak is geweest. Verdachte kwam dan binnen, geeft een stickje en (het hof begrijpt: zegt) 'ik heb een paar afdrukjes, kun je dat even doen'. [K] heeft verklaard dat hij de eerder genoemde zwartboeken heeft gedrukt. Dat wordt ondersteund door NFI-onderzoek op basis waarvan het hof concludeert dat het zwartboek is gedrukt met de Minoltaprinter van [K] .
Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij [K] soms betaalde.
De verdediging heeft bepleit dat de bezoeken van verdachte aan [K] op 1 mei 2019 en de bezoeken daarna niet te maken kunnen hebben gehad met het zwartboek en de brief aan de binnenzijde van het zwartboek, omdat die op 1 mei 2019 om 9.00 uur - voordat de auto van verdachte bij [K] is gesignaleerd - zouden zijn opgeslagen op de computer van [K] .
Die stelling mist echter feitelijke grondslag. De betekenis die de raadsman aan de documentgegevens op de computer van [betrokkene 11] geeft, blijkt niet uit het dossier, nu uit het dossier enkel blijkt dat het document op 1 mei 2019 om 9.00 uur is gewijzigd.
Het hof merkt op dat verdachte op 1 mei 2019 omstreeks 10.30 uur telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte] naar aanleiding van de vraag van [medeverdachte] of hij 'wat voor de meiden kan langsbrengen'. Nadat de auto van [medeverdachte] bij het kantoor van verdachte is langs geweest, brengt de auto van verdachte tweemaal een bezoek aan het adres van [K] .
Het hof volgt verdachte voorts niet in zijn verweer dat hij richting [K] slechts voor postbode speelde, zonder te weten wat er op de usb-stick en in het drukwerk stond. De hierboven genoemde wijze waarop verdachte [K] instrueerde hoe om te gaan met het drukwerk en het voorkomen c.q. wissen van sporen, duidt erop dat verdachte wel degelijk kennis had van de illegale strekking van de inhoud van het drukwerk en duidt op een actievere rol van verdachte dan het enkel fungeren als postbode. De verklaring die verdachte ter zitting van het hof heeft gegeven voor deze instructies richting [K] , te weten dat hij niet in verband gebracht wilde worden met drukwerk waar mogelijk nog een negatieve omstandigheid aan toegevoegd zou worden, acht het hof onnavolgbaar en ongeloofwaardig. Bovendien spreken verdachte en [medeverdachte] tijdens de ovc-gesprekken uitvoerig over de brieven die verzonden zullen worden en zijn verzonden. Daar komt bij dat tijdens het ovc-gesprek van 23 mei 2019 door verdachte en [medeverdachte] met zoveel woorden wordt gesproken over de inhoud van het zwartboek.
Samenhang brieven [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [G]
Gelet op de vrijspraak van de rechtbank van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof dat het openbaar ministerie terecht heeft aangevoerd dat de brief aan [G] (feit 2) niet los kan worden gezien van de brieven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (feit 4). In het ovc-gesprek van 9 mei 2019 spreken verdachte en [medeverdachte] over [G] en leggen zij een duidelijk verband met de brieven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] :
[medeverdachte] : Nou en dat hebben we twee keer getest en dat is twee keer recht op em af.... en wat betreft [G] dat hebben we goed ingeschat die hebben we geen ultimatum gegeven.
[verdachte] : Zo is dat dus die dreiging en grote onzekerheid....
Het hof overweegt dat in de brieven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een ultimatum, waarbinnen zij met een persverklaring naar buiten moesten komen, is gesteld, terwijl in de brief aan [G] een dergelijk ultimatum ontbreekt.
Het hof volgt het openbaar ministerie in het standpunt dat - gezien de datum van 9 mei 2019 van het ovc-gesprek - dit gesprek moet gaan om een andere brief/tekst dan het zwartboek, omdat [G] het zwartboek pas op 14 mei 2019 heeft ontvangen.
Bovendien bespreken verdachte en [medeverdachte] in het ovc-gesprek van 4 april 2019 onder meer het volgende:
[medeverdachte] : (...) Laten de toeleveranciers en de aannemers van deze projecten der ook even goed over nadenken, die kunnen zich wel eens af gaan vragen krijgen wij ons geld wel
[verdachte] : Precies!
[medeverdachte] : Een beetje onrust stoken. Je moet het ze allemaal vertellen.
(...)
[medeverdachte] : Wat je wat we hier zou hiermee zouden kunnen doen [verdachte] we zouden een waarschuwing kunnen uit doen gaan (...) uiteindelijk is het heel simpel je kan van ons zeggen het is heel simpel, ik zal er eerlijk over zijn, wij zijn gebaat bij het stranden van deze windprojecten wij verafschuwen onderaannemers en toeleveranciers die hieraan mee willen werken en eigenlijk wensen we het aller slechtste voor ze (...) Uiteindelijk hebben wij meer baat bij om deze ondernemers tussen aanhalingstekens te waarschuwen voor het onheil wat hen boven het hoofd hangt
[verdachte] : Ja
[medeverdachte] . Dat ze te maken, dat ze te maken hebben met een windbuil
[verdachte] : Ja
[medeverdachte] : Een lege huls, maar waarvan nog zeer discutabel is of daar wel een financiering achter zit en als het dan gefinancierd wordt de financier ook buiten het boekje gaat (...)
[verdachte] : ja ja ja.
Vier dagen later, op 8 april 2019, ontvangt [G] de brief genoemd in feit 2, waarin - overeenkomstig het hierboven vermelde gesprek van 4 april 2019 - gewaarschuwd wordt voor het gebrek aan financiële dekking van de projecten.
Overigens ziet het hof de brief aan [G] ook niet los van het zwartboek, gelet op de overeenkomstige afzender te weten [organisatie] c.q. de door de overheid en initiatiefnemers van windparken, belazerde, belaagde, bedreigde en tot nu toe als uitschot behandelde burgers uit Groningen en Drenthe, alsmede gelet op de overeenkomstige stijl en strekking van de teksten.
Conclusie medeplegen
Op grond van alle hiervoor omschreven feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte zich naast legale protestactiviteiten parallel in bewuste en nauwe samenwerking met in ieder geval [medeverdachte] ondergronds bezighield met een intimiderende wijze van verzet tegen de windparken middels het versturen van dreigbrieven zoals opgenomen in de tenlastegelegde feiten onder 1 primair, 2, 3 en 4. Verdachte en [medeverdachte] hadden een intensieve samenwerking met een onderlinge taakverdeling, waarbij verdachte een wezenlijke rol had en essentiële uitvoerende taken op zich nam.
Het hof is van oordeel dat de bijdrage van verdachte in de voorbereiding en uitvoering van deze feiten van zodanig gewicht was dat verdachte kan worden aangemerkt als medepleger.
Ook is het hof van oordeel dat verdachte met in ieder geval [medeverdachte] de teksten zoals opgenomen onder feit l (a, b en c), feit 2, feit 3 en feit 4 binnen hun bewuste en nauwe samenwerking heeft geschreven dan wel heeft doen schrijven en heeft verzonden dan wel doen verzenden. Dat niet is vast komen te staan dat verdachte de tenlastegelegde brieven/teksten daadwerkelijk zelf heeft getypt of verzonden, en ook dat [medeverdachte] vermoedelijk een nog grotere rol heeft gespeeld in de voorbereiding en uitvoering van de feiten 1, 2, 3 en 4, doet niet af aan de substantiële rol die verdachte hierin heeft vervuld en de intensieve samenwerking van verdachte en [medeverdachte] die gericht was op het ondergrondse verzet door middel van onder andere het versturen van dreigbrieven.
Ook blijkt uit de bewijsmiddelen en de rol van verdachte zoals hiervoor omschreven dat verdachte hier opzet op had en ook dat hij opzet had op de dwingende strekking van die teksten.
Derhalve acht het hof het tenlastegelegde medeplegen aan de feiten l primair, 2, 3 en 4 bewezen."
2.3 Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. (Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.) De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hierover geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten en door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
2.4.1 Het hof heeft vastgesteld dat de dreigbrieven die door de geadresseerden zijn ontvangen in de periode van 20 maart 2019 tot en met 13 juni 2019, waaronder het zogenaamde 'zwartboek', onder meer gezien de inhoudelijke overeenkomsten, door dezelfde personen zijn opgesteld. Het hof heeft daarbij geoordeeld dat in relatie tot deze dreigbrieven sprake was van een samenwerkingsverband tussen (in ieder geval) de verdachte en [medeverdachte] . Over de gedragingen van de verdachte heeft het hof het volgende vastgesteld.
2.4.2 De verdachte is in de eerste helft van 2019 vijf tot tien keer bij de [K] geweest om onder meer afdrukken van het zwartboek te laten maken. De verdachte heeft daarvoor betaald en hij heeft [K] geïnstrueerd handschoenen te dragen bij het hanteren van het drukwerk en de digitale bestanden van zijn computer te verwijderen om te voorkomen dat de herkomst van dat drukwerk traceerbaar zou zijn. [K] heeft verklaard dat hij de afdrukken van het zwartboek heeft gemaakt. In de eerste helft van 2019 heeft de verdachte frequent gesprekken gehad met zijn mededader [medeverdachte] , waarbij zij maatregelen troffen om te voorkomen dat zij door opsporingsambtenaren werden afgeluisterd. Uit de opnamen van die gesprekken (aangeduid als OVC-gesprekken) blijkt dat daarin door de verdachte en [medeverdachte] de voortgang van acties tegen de windmolenparken werd besproken, strategie werd bepaald en werd geselecteerd aan welke bedrijven dan wel personen (dreig)brieven moesten worden gestuurd. De verdachte en [medeverdachte] spraken onder meer over het zwartboek. In hun gesprekken komen onderdelen van de in de bewezenverklaring genoemde brieven nagenoeg letterlijk terug. Verder spraken de verdachte en [medeverdachte] in hun plannen over een aantal aangevers die één of meer van de in de bewezenverklaring genoemde brieven hebben ontvangen. Ook spraken zij over verzending vanuit Duitsland, terwijl een groot deel van de aangevers de in de bewezenverklaring genoemde brieven via de Duitse Post heeft ontvangen. De inhoud van de dreigbrieven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waarin een ultimatum werd gesteld, en de inhoud van de brief aan [G] , waarin geen ultimatum werd gesteld, komt overeen met de inhoud van het OVC-gesprek van 9 mei 2019 tussen de verdachte en [medeverdachte] over het niet stellen van een ultimatum bij [G] . Uit een OVC-gesprek van 6 juni 2019 blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk plannen maakten voor de aanschaf van een wapen om een wiek van een windmolen kapot te schieten, waarbij de verdachte zei te zullen nagaan of daarvoor financiële middelen konden worden ingezet van [E] , waarvan de verdachte toen de voorzitter was.
2.4.3 De verdediging heeft, wat betreft de OVC-gesprekken, als verweer aangevoerd dat de verdachte 'enkel toehoorder' was in die gesprekken met [medeverdachte] . Ter weerlegging van dit verweer heeft het hof overwogen dat waar in de OVC-gesprekken het woord 'we' wordt gebruikt, daarmee in ieder geval de verdachte en [medeverdachte] werden bedoeld en dat, waar dit woord gebruikt werd in een context waarin [medeverdachte] de verdachte vertelde over handelingen/activiteiten die waren verricht – waarmee het hof kennelijk het oog heeft op de uitvoering van die handelingen/activiteiten waarbij de verdachte niet zelf was betrokken – het hof dit ziet in het licht van het voortgangsoverleg dat zij voerden over die activiteiten. Ook heeft het hof in de weerlegging van dit verweer gewezen op de actieve inhoudelijke bijdrage van de verdachte aan de gesprekken waarin zij gezamenlijk plannen smeedden en de verdachte [medeverdachte] bijpraatte over de voortgang van de activiteiten van de verdachte en informatie deelde waarover de verdachte beschikte uit hoofde van zijn rol bij ' [L] ' en ' [E] ' en als voorzitter en vertrouwenspersoon van de ondernemersvereniging. Het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een rolverdeling tussen beiden: de verdachte redigeerde de inhoud van brieven, hij selecteerde mede bedrijven die een brief moesten ontvangen in verband met hun betrokkenheid bij de windparken en hij liet adressen van die bedrijven verzamelen ten behoeve van de verzending van die brieven. Daarbij heeft het hof onder het redigeren van de inhoud van de brieven verstaan dat de verdachte enige betrokkenheid had bij het bepalen van die inhoud, doordat – zo blijkt uit de bewijsmiddelen – de verdachte met [medeverdachte] overlegde over de inhoud van de brieven en het effect dat deze, bijvoorbeeld in verband met specifieke onderdelen als het wel of niet stellen van een ultimatum, sorteerden. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de verdachte zo nu en dan noteerde wat door [medeverdachte] werd gezegd en dat in het kantoor van de verdachte notities zijn gevonden die wat betreft woordgebruik en strekking overeenkomen met teksten uit de brieven die in de bewezenverklaring zijn genoemd, waarbij het gaat om specifieke termen als 'belazerde en als uitschot behandelde burgers', 'vogelvrij' en 'wij verklaren de oorlog'.
2.5 Op grond van het vorenstaande heeft het hof geoordeeld dat de verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met in ieder geval [medeverdachte] de in de bewezenverklaring genoemde brieven heeft verstuurd en dat de bijdrage van de verdachte in de voorbereiding en uitvoering van deze feiten van zodanig gewicht was dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. Daarbij heeft het hof, wat betreft de rol van de verdachte in aanmerking genomen dat de verdachte dreigbrieven liet drukken – waarbij de wijze van instructie van de drukker erop duidt dat de verdachte kennis had van de illegale inhoud van het drukwerk –, met [medeverdachte] overlegde over de inhoud van de dreigbrieven, over het effect dat de inhoud van de brieven sorteerde en over naar welke bedrijven of personen deze brieven moesten worden gestuurd, terwijl de verdachte ook bijdroeg aan het achterhalen van de voor verzending van de dreigbrieven vereiste adressen en deze adressen aan [medeverdachte] doorgaf. Verder heeft het hof overwogen dat aan de substantiële rol van de verdachte niet afdoet dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de tenlastegelegde teksten daadwerkelijk zelf heeft getypt of verzonden, en dat [medeverdachte] vermoedelijk een nog grotere rol heeft gespeeld in de voorbereiding en uitvoering van de feiten 1 tot en met 4.
Dit oordeel van het hof – dat in belangrijke mate berust op een waardering van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang, die aan het hof is voorbehouden – getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
2.6 Het cassatiemiddel faalt.

3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.